Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Posts from the “Unieke landschappen” Category

Lake Manyara Nationaal Park: het koninkrijk van de tseetsee vlieg

Posted on februari 4, 2016

Reisbrochures springen gretig op de quote van Ernest Hemingway om het Lake Manyara Nationaal park te omschrijven: “The loveliest I had seen in Africa”. De filosofie van het park luidt: “Voeding voor de ziel, troost voor het hart, inspiratie voor de geest”. Touroperators beloven meer dan 400 vogelsoorten, boombeklimmende leeuwen, unieke vergezichten en een microkosmos van alle leven op de savanne. Met dat plaatje voor ogen verschijn ik met jeep, ijdele chauffeur in bloemetjeshemd en een koppel vijftigers voor de ingang van het park.

 

Rangers spuiten de jeep tjokvol met liters stinkende insecticide. Dat wijst erop dat we niet persé alle elementen van die microkosmos willen tegenkomen. We hobbelen over de onverharde weg. Boombeklimmende leeuwen vinden we niet direct, maar wel tseetsee vliegen, nijver op zoek naar een voorraadje bloed. Een aantal van die creaturen zweeft – ondanks de walm insecticide – de jeep in. De vrouw van het koppel vijftigers in de jeep zegt met paniekerige stem: “ze brengen slaapziekte over”. Tja, op de savanne heeft alles zijn voor- en nadelen. Als je het bekijkt vanuit het standpunt van de natuur heeft een tseetseevlieg met slaapziekte ook een functie, net zoals malariamuggen. Ze houden homo sapiens uit de buurt, en alle vervelende bijwerkingen van de aanwezigheid van die naakte aap, als daar zijn: houden van koeien, schapen en geiten, kappen van bossen, platbranden van de savanne… De vrouw mept wild in het rond. Haar elleboog belandt zo per ongeluk tegen het linkerkaakbeen van haar echtgenoot. De hitte en de vochtigheid persen water uit ons lichaam. Kledij zuigt zich aan ons vol.

Lake_Manyara_north

cc Fanny Schertzer. Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5.

Maar zweetdruppels worden zweetbeken wanneer een kudde olifanten onze jeep omsingelt. Een aantal van die loggerds staat over de weg jonge boompjes te knakken en in hun waffel te zwieren, en dikke klonters stront te lozen. Eten, schijten en 200 liter water slurpen. Dan heb je de voornaamste dagbezigheden van een olifant gezien. De olifant is na de mens het dier met de grootste impact op de natuuromgeving. Maar ze vernietigen niet alleen maar. Bomen die neergehaald zijn, bieden weer eten voor andere planteneters. Zaden en noten glijden meestal intact van mond uit anus, zodat bavianen uit de stronthopen van olifanten hun maaltijdje uitpikken. Mestkevers rollen er ballen van waarin eitjes worden gelegd. Door het veelvuldige gereis met die ballen zien planten en bomen de kans om hun zaden verder te verspreiden. Ik keek heel diep in het linkeroog van een olifant. Onze gids houdt zijn wijsvinger voor de mond. Een ogenblik stilte is een moeilijke combinatie met de vrouw en de tseetseevliegen in de jeep. In de man zijn ogen lees ik de vraag waarom hij een smak geld van zijn bankrekening heeft gehaald voor deze safari. Je verheugt jezelf op de safari van jouw leven, en eindigt met gevechten tegen tseetseevliegen, een echtelijke ruzie in een hammam zonder koelbad, onderbroken door de schrik van jouw leven wanneer je in de pupillen kijkt van een knorrige olifant.

 

Naast olifanten en tseetseevliegen is er nog veel anders boeiends te vinden in Lake Manyara Nationaal Park. Bavianen bijvoorbeeld. Die vind ik leuk om te “spotten”, net als mensen, omwille van hun complexe sociale interacties. Bavianen zijn zoals homo sapiens aangewezen op elkaar om te overleven in de savanne. Het alfamannetje tuurt alle richtingen uit. Hij is de patron van een dominante elite aan (jongere) mannetjes binnen de groep, die her en der verspreid zitten in de machtige baobab en vooral op de grond errond. Ik dacht dat apen vooral in bomen zaten, maar bavianen verblijven meer op de grond. Wijfjes zitten met het nageslacht in de armen, andere pikken ongedierte uit de pels van collega’s, een strategie om vriendjes te maken. Nog andere spelen fruit en zaden naar binnen. Een mannetje presenteert zijn messcherpe voortanden. Mannelijke familieleden die op volwassen leeftijd komen worden uit de groep gestoten, en leven als vrijgezellen bij elkaar tot ze de kans zien om hun eigen oligarchie op te zetten. De wereldberoemende bioloog Desmond Morris ziet in die oligarchie een effectief beschermingsmechanisme tegen roofdieren en rivaliserende mannetjes (D. Morris, Waarom hebben zebra’s strepen?).

662px-Impalas_Manyara

cc Fanny Schertzer. Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5.

Onze gids pulkt in zijn neus en kijkt voor zich uit. Hij is een “gids” zoals je die wel meer tegenkomt, veel meer chauffeur dan gids. Voor enige informatie over wat je ziet, ben je aan het verkeerde adres. Veel gidsen komen niet verder dan het beschrijven wat een kleuter al weet nadat het de Lion King gezien heeft. Toeristen vragen daar ook niet naar. Het enige waarvoor “homo safaricus” in de savanne neerstrijkt is de “big five”, met koning leeuw bovenaan de “bucket list”. In het struikgewas staat een gracieuze impala in onze richting te turen. De gids bestudeert nu de inhoud van zijn neus. Hij werpt af en toe een verstrooide blik op de bomen, op zoek naar wat homo safaricus wil zien: boomklimmende leeuwen en luipaarden. Toeristen liggen niet wakker van antilopen. Thuis is er weinig over op te scheppen. De natuur heeft de impala een mooi verflaagje gegeven. Een verticale zwarte streep loopt van de staart tot over het achterste, en het topje van hun oren en de neus is zwart. Zijn onderbuik is snoezig wit en de rug rood-bruin. In tegenstelling tot die slappe schotelvodden van leeuwen – zeker gemaande koning leeuw zelf – zijn impala’s de kwieke snelheidsduivels van de savanne. Voor 80 kilometer per uur draaien ze hun poot niet om. Die snelheid is een evolutionaire aanpassing die antilopen ondergingen toen het tropisch woud in Oost-Afrika afnam ten voordele van grasland. Door hun snelheid konden ze in open grasland uit de grijpgrage klauwen blijven van vleeseters.

 

Lake Manyara Park is ook het park van de giraf. We zien tientallen giraffen in een landschap met door een recente orkaan geknakte bomen en een sodameer met flamingo’s. Twee giraffen slaan met hun nek tegen elkaar. Zeggen ze even sympathiek goeiedag? Een familie wrattenzwijnen trippelt voorbij. Hier leer ik dan toch iets van de gids. Necking is een gevecht om vrouwtjes. Dat is niet onschuldig: nekwervels en onderkaken sneuvelen. De gids rijdt intussen wat nerveuzer in het rond, tevergeefs. We rijden bijna een Kirk’s Dik Dik plat. Een erg snoezig antiloopje, het kleinste van de savanne. Het koppel vijftigers begint ontmoedigd te geraken. De zon zakt. De kleuren worden warmer. De terugtocht wordt ingezet. “Niks gezien”, zucht de vrouw. Lees: geen leeuwen of luipaarden, of minstens iets anders met scherpe tanden en vlees op het menu. Ook de gids kijkt sip. Minder kans op fooi straks. En ik denk: we zagen honderd bavianen in actie, twee giraffen vechten om een wijfje, een groep impala’s dartelen, keken olifanten diep in de pupillen en een gevecht tussen homo sapiens en nijdige tseevliegen met een meer en flamingo’s op de achtergrond. Moet het nog meer zijn?

Paraguay: onbekend maar (onterecht) onbemind

Posted on april 4, 2015

Paraguay kreeg onlangs wat ruchtbaarheid in Vlaanderen, toen Tom Waes er neerstreek voor zijn serie “Reizen Waes”, uitgezonden door de VRT. Ik kan alleen maar hopen dat meer reizigers kiezen voor dit land, en geef hierbij alvast mijn 10 favoriete tips, in woord en beeld.


1. Bezoek het Campo Maria Private Reserve

 

In een houten uitkijktoren turen naar de meren en bossen om je heen. Dit is het Campo Maria Private Reserve, een gebied met zoute en zoete meren, waarvan een Mennonietencoöperatie eigenaar is. Het ligt in de enorme woestenij van de Chaco in het onherbergzame en nauwelijks bewoonde Noorden van Paraguay. Tientallen zwanen dobberen rond over het kalme water. Een groep witte reigers zit in een boom. Plevieren en eenden zwemmen rond. 50 Chileense flamingo’s staan pal in het ondiepe water. Zoutafzettingen kleuren de oevers wit. Wolken weerspiegelen zich in het rimpelloze meer. We zien pootafdrukken van tapirs, herten en een wilde kat. In het zand liggen twee slangenskeletten te roosteren in de felle zon. ’s avonds slingert een levende ratelslag over de weg. Dit reservaat is toeristisch potentieel, maar nu zijn er geen toeristen. Voor wie dit uniek avontuur wil beleven: neem contact op met Estancia Iparoma en Marylin. Aanrader!

 

P1000835

Campo Maria Reserve vanuit een houten toren. Paraguay.

P1000813

Flamingo’s in Campo Maria Reserve. Paraguay.

Campo Maria Reserve. Paraguay

Campo Maria Reserve. Paraguay


2. Chillen in Concepcion

 

Op de heetste momenten tijdens de namiddag is het siësta in Concepcion. Mensen zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, terere uitwisselend, krantje lezen, oma met krulspelden in het haar. Er rijden nauwelijks auto’s, brommers snorren voorbij, fietsen klingelen en paardenkarren rammelen. Een schriel paard lummelt op zijn dooie akkertje door de straten, kippen scharrelen in het rond en twee flikken liggen te soezen voor de ingang van de bank. In Heladeria Amistad eten locals een ijsje. Heel af en toe doorbreekt een pick up de rust met de typische Cumbia muziek richting strand. Want ja, er is nog een gezellig strandje aan de Rio Paraguay. Vrouwen staan met al hun kleren aan in het water, terere in de ene hand en spartelende jonge ukkies in de andere. Een man leurt met chipas, een calorieatoombom samengesteld uit maïs, maniokbloem, kaas, eieren en varkensvet. Een compilatie van de plaatselijke knuffelrock schalt uit een eigenhandig gebricoleerde disco. Plaatseliijke Ronaldo’s trappen een balletje. Wat een leuk en ontspannen familiesfeertje.

 

P1010125

De kerk van Concepcion, vlak voor een tropische regenbui.

P1010116c

Straatbeeld in Concepcion. Paraguay.

P1010107c

Verkoper van chipa’s. Strandje van Concepcion. Paraguay.

P1010116a

Straatbeeld in Concepcion. Paraguay.

P1010106

Strandcultuur in Concepcion. Paraguay.


3. Verblijf in Estancia Iparoma

 

Marylin is de eigenaar van Estancia Iparoma, een ranch op een paar kilometer buiten de Mennonietenstad van Filadelfia. In de namiddag luieren we in de hangmat. We eten met haar man en nichtje. Wanneer het heetste van de dag voorbij is, voert ze ons met haar jeep rond over haar ranch. Ze heeft 1000 runderen op enorme lappen weiden. Haar ranch herbergt een diversiteit aan fauna en flora. Op een uurtje tijd zagen we twee uilen, drie struisvogels, bonte parkieten, grote aalscholvers, ibissen met een geel hoofd, een reiger met een blauw hoofd en een rode snavel en een specht. Achteraan haar ranch ligt er in een bosje een poel waar regelmatig tapirs op bezoek komen. “A ja, is dat interessant?”, vraagt ze verwonderd. Ik vertel haar dat gidsen er zich voor 100 dollar per dag in het Amazonewoud en de Braziliaanse Pantanal een punthoofd naar zoeken. Marylin kijkt verbaasd. Heerlijk ontoeristisch nog, Paraguay.

 

P1000759

Een uiltje op de ranch van Iparoma. Filadelfia. Paraguay.

P1000777

Een rhea kijkt op. Iparoma Ranch. Filadelfia. Paraguay.


5. Bezoek Filadelfia en omgeving

 

Na acht uur rijden rammelt onze bus Filadelfia binnen, één lange geasfalteerde laan, met vier rijstroken, en stoffige zandwegen die uitlopen op deze centrale laan, avenida Hindenburg geheten, naar de Duitse veldmaarschalk tijdens de eerste wereldoorlog. Centraal in Filadelfia is er een melkproductenfabriek van de plaatselijke Mennonieten kolonie Fernheim, hier en daar een huisje en een koloniaal aandoend gebouwtje met tuin er rond, wat achteraf het museum van de kolonie Fernheim blijkt. De onmiddellijke omgeving rond Filadelfia is de moeite. We verzeilen in een dierentuin in de tuin van een hotel, met hokken waartussen de wasdraden met witte was hingen te drogen. De dieren blijken na een storm verdronken, op uitzondering van 4 poema’s. We rijden over het erf van een Paraguayaans boerengezin en bezoeken één van de vele mennonietenranches. We hobbelen over zandwegen en aanschouwen de wonderen van de Chaco: vol met vogels, ruige natuur, bloeiende cactussen, meertjes, eindeloze savanne, blauwe einder en lange witte slierten wolken.

 

P1000800

Een tuiuiu in de omgeving van Filadelfia.

P1000778

Twee jonge poemaatjes in de “zoo” van Lomo Plata. Paraguay.

P1000867

Het Museum van Filadelfia. Paraguay.

P1000802


6. Chillen in Pilar

 

“Auténtica Perla del Sur” en “Capital de la Cordialidad Paraguaya”: dit is Pilar, een stadje in het Zuidwesten van Paraguay. De straten zijn er omzoomd met netjes geschoren buxussen, ficussen, bloemen en mangobomen. Schilderingen van lokale fauna en flora, van de schepping van de wereld en episodes van Paraguay’s ongenadige oorlogen sieren muren. Standbeelden van schildpadden, papegaaien en reigers fleuren pleinen op. Veel huizen zijn versleten, verf bladdert af, maar ze zijn kleurrijk en hebben stijl. Oude gebouwen als het museum, de bank en de basiliek zouden gerust toeristische trekpleisters kunnen zijn. Het stadje ligt aan het knooppunt van de rivieren “Paraguay” en “Paraná”. Een wirwar van vele kleine stroompjes, riviertjes en beken. We lopen langs het moeras van Neembucu, de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-de-Maagd-van-Pilar weerspiegelt zich in het water. Inwoners varen in kleine houten schuitjes en vissen. Witte reigers doen hetzelfde maar dan efficiënter. Een mooie granieten promenade van anderhalve kilometer lang is in opbouw, met sierlijk meubilair in hout en metaal. Op de heetste momenten tijdens de namiddag gaan Pilar en zijn sympathieke inwoners slapen. Later komen mensen weer naar buiten: ze zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, ze wisselen terere uit, ze lezen de krant, oma’s keuvelen. Auto’s zijn eerder zeldzaam. In de straten snorren vooral brommers rond, en er rinkelen fietsen, en af en toe kraakt een paardenkar voorbij. ’s Avonds zit de jeugd op een bankje te doen wat de jeugd doorgaans doet: drinken, roken, kijken naar anderen, luisteren naar muziek, flirten, kussen, niksen, vervelen.

 

P1000869

Kathedraal van Pilar. Paraguay.

P1000873

7. Taguas zien en ruiken

 

Dat de Paraguayaanse Chaco heel lang een godvergeten gat is geweest, bewijst de geschiedenis van de tagua. Tot 1970 ging men ervan uit dat het beest tienduizenden jaren geleden de pijp aan maarten had gegeven. Tijdens een zoektocht naar fossielen halverwege de jaren zeventig keken verbaasde wetenschappers plots een echte tagua in de ogen. De tagua is zo één van de weinige grote zoogdieren die pas “ontdekt” zijn geworden in de 20ste eeuw. De tagua is een everzwijn met een grijs-bruine pels en een witte collier om de hals en belachelijk smalle pootjes in verhouding tot het lichaam. Grappig zijn de haren van gemiddeld 20 cm die rechtstaan in de nek. De tagua komt alleen voor in de Chaco. Grootschalige veeteelt, stroperij en een gebrek aan overheidsbeleid brachten de soort aan de rand van totale uitroeiing. Mennonieten, die mee aan de basis liggen de grootschalige veeteelt, lieten ook hun goed hart zien en hebben na de ontdekking van de tagua een reservaat voor die beesten opgezet, met fondsen van de San Diego zoo in California. Ik sta in dit reservaat te kijken naar drie taguas die in een halve cirkel naast elkaar afgrijselijke stinkscheten in de atmosfeer blazen. Het is hun natuurlijk verdedigingsmiddel tegen vijanden en homo sapiens is daarbij vijand nummer 1.

 

P1000857

8. Wandelen in Parque Cerro Cora

 

Parque Cerro Corra is een mengeling van ontoegankelijk droog tropisch woud en savanne. De staat beschermt het park al enige decennia, als één van de zeldzame vrijhavens voor de natuur in een land waar ontbossing dramatische vormen heeft aangenomen. Paadjes moet je zelf uitzoeken en brengen de wat benauwde toerist op desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. Hier en daar rijst een monument op uit het landschap, waaronder de herdenkingsplaats voor één van de grootste gekken uit de Paraguayaanse politieke geschiedenis: Francisco Solano Lopez. Op het grondgebied van het huidige park eindigde één van de meest bloedige oorlogen die Latijns-Amerika heeft gekend: “La Guerra de la Triple Allianza”, verwijzend naar de oorlog van Paraguay tegen een monsterverbond van Brazilië, Argentinië en Uruguay in de jaren 1880. Desondanks was de omgeving van het park mooi en vol van leven. We zagen 24 uur mieren, hard werkende parasolmieren, een grappige wandelende tak, vuurwantsen en een vunzige duizendpoot, een schuw gordeldiertje en een harige vogelspin en vogels om een dozijn ornithologen in delirium te brengen. En dat alles in een heuvelachtig groen landschap met rode wegen!

 

Klein Gorderldier. Parque Cerro Cora. Paraguay.

Klein Gorderldier. Parque Cerro Cora. Paraguay.

P1010155c P1010190 P1010205c

9. Struinen in de hoofdstad Asuncion

 

Het Pantheon steekt in al zijn stralende witheid sterk af tegen de andere gebouwen van Asuncion. Het lijkt symbolisch voor een verheerlijkt verleden om de aandacht van het heden af te wenden. Troosteloze gebinten van onafgewerkte woonblokken staan her en der verspreid, koloniale huizen liggen in verval. Kantoorgebouwen zijn zo grijs als het weer op een druilerige herfstdag in België. En toch heeft Asuncion zijn charmes. Je bent vrij om te doen wat je wil. Er zijn geen Lonely Planet’s of Rough Guides die je zeggen wat je moet gezien hebben, geen brochures met hoogtepunten, geen plattegronden. In Asuncion krijgt een mens de gelegenheid echt kennis te maken met het dagelijkse en gewone leven in een stad, omdat hij nu eenmaal niet van de ene attractie naar de andere wordt gezogen. Van andere steden weet je al wat er te zien en te beleven is. Her en der staat nog wat koloniale architectuur recht, en er zijn ook een paar gezellige groene plazas. De keuken is opvallend multicultureel in Asuncion: eenvoudig lokaal Paraguayaans, Koreaans, Chinees, Italiaans en Libanees. Een aanrader is Confiteria Bolsi, een van de jaren zestig daterend Paraguayaans restaurant.

 

Asuncion tijdens de Kerstdagen

Asuncion tijdens de Kerstdagen

P1000402

10. Loop door de landerijen van Arroyos y Esteros

 

“Schorren en kreken” luidt de vertaling van Arroyos y Esteros. De streek is ook bekend als “de parel van de Cordilleras”, een allusie op feit dat regio heel groen is. Dit is een belangrijke agrarische regio: rijst, tabak en katoen. Maar hét sterproduct is biologische suiker. De Belgische NGO Oxfam Wereldwinkels haalt hier zijn biologische Fair Trade suiker vandaan. Arroyos y Esteros ligt op 66 km van Asuncion en heeft een bevolking van 20.000 zielen. Er zijn overal authentieke boerderijtjes en Arroyos zelf is een parel van een dorpje met een pittoresk pleintje, kleine kleurrijke huisjes en sympathieke mensen die tijdens de siesta nippen aan hun onafscheidelijke terere. Zoals in Pilar en Concepcion draait het leven in Arroyos nog op het ritme van paard en kar.

 

P1000190

Meer over Paraguay? Zie ook mijn andere blogartikels op Reizenginderachter.com:

 

– Parque Nacional Cerro Cora: één van Paraguay’s natuurschatten

 

– Pilar: de authentieke parel van het Zuiden

 

– Kerstdagen in Asuncion

 

– Concepcion

 

– Verhalen uit de Chaco: tagua’s, leeuwen en ratelslagen

Curieuze ontmoetingen in het Nyungwe woud (Rwanda)

Posted on februari 6, 2015

Steil bergop gaat het. Ik zit van achter op een motoconcho. Mijn bijna lamme rechterarm ondersteunt 20 kilogram bagage. Mijn linkerhand klemt krampachtig het handvat vast. De motoconcho hoest en proest richting Nyungwe Hill Top View Hotel. Het bouwsel verloochent zijn naam niet: 12 chalets met zicht op het Kivumeer, op de glooiende heuvels met theeplantages én op het Nyungwe woud. Ik ben alweer moederziel alleen. Ik wandel van de receptie naar mijn chalet. Een Afrikaanse zwarte kuifarend kijkt mij van op korte afstand arrogant aan. Even later sta ik met mijn armen gekruist op het balkon van mijn terras. Er zijn mooie plekken en heel mooie plekken op onze aardbol. Deze plek hoort tot de tweede categorie. Slierten mist liggen als zijden sjaals over de theeplantages en de groene kruinen van het Nyungwe woud gedrapeerd. Even met het hoofd 90 graden draaien om het Kivumeer te zien, en de honderden gele vlammetjes van de lantaarns van de vissers die oplichten. Net als in Kibuye stimuleert dit panorama een gevoel van ruimte, stilte en alleen zijn. Die combinatie van gevoelens is zeldzaam voor een Westerse stadsmens en workaholic als ik. s’ Ochtends neem ik ontbijt op het dakterras. De koffie is slecht, het ontbijt bescheiden, het panorama verbluffend. De ultrasympathieke receptioniste Helen vraagt of de nacht niet te koud was. Maakt ze een grapje? Maar Helen is serieus: ik moet voorzorgen treffen, want de temperatuur zou de nacht erop slechts 20 graden bedragen. Ik leg haar uit dat we bij 20 graden in België nog altijd op een terrasje zitten. Ze is niet overtuigd. ’s Avonds lijkt mijn chalet een Finse blokhut: de open haard knettert en ik brand mij bijna aan drie hete waterkruiken in mijn bed.

Theeplantages en op de achtergrond het Nyungwe woud

Theeplantages en op de achtergrond het Nyungwe woud

Ik loop de Isumo trail, met mijn gids David, een relatief korte wandeling van gemiddelde moeilijkheidsgraad. Hij is bioloog en heeft les gegeven. Maar hij vond dat saai en gids betaalt – toch wel spijtig – veel beter als leraar. Wat is het van een mysterieuze schoonheid, dit honderdduizenden jaren oude woud. Een kluwen van bomen, lianen en planten. Een wildernis waar 13 apensoorten hun thuis hebben, meer dan 300 vogelsoorten en een ongeziene bloemenweelde waaronder 154 soorten orchideeën. Hier ontspringen de bronnen die de Nijl en de Congo voeden. Net als alle bossen en wouden kapte en brandde homo sapiens zich een weg door het groen. Maar al relatief vroeg, in de jaren ’80, is men Nyungwe gaan beschermen. Miljoenen mensen hangen immers van dit water af. Nyungwe Nziza is een project dat het toeristisch potentieel van het woud ontsluit. De filosofie is veelbelovend: betrekken van de lokale gemeenschappen zodat ze er zelf inkomsten uit kunnen halen en werk vinden. Zo hebben ze tenminste een aanmoediging om de biodiversiteit van het woud te behouden. De Amerikaanse ontwikkelingssamenwerking, USAID, zit hier mee achter. Mooi zo, het is eens iets anders dan investeringen in defensie, wapens of bedenkelijke economische maatregelen. Anderzijds denk ik dan: David was leraar, en is nu gids, wellicht omdat hij door Amerikaanse steun beter betaald wordt.

CIMG0135

Na 10 minuten wandelen stopt hij. Bladeren ritselen, takken zwiepen. Zwarte gezichtjes met witte bakkebaarden gapen me vanuit de bomen aan. Ze hebben een mantel van lange witte haren rond de schouders. Eén voor één komen ze de bomen uit. Ze buitelen, tuimelen, springen, rennen. Eén exemplaar daagt mij uit door een paar keer rakelings langs mijn benen te scheren. Wat zijn het speelvogels, deze Angolese franjeapen. Ze zijn met een veertigtal. De leider glijdt uit zijn boom en neemt de groep op sleeptouw. Ze verhuizen over een theeplantage naar een ander deel van het Nyungwe National Forest in Rwanda. En wij lopen mee. Zij kijken wat argwanend naar die grote filmende aap achter hen, ik naar die apen voor mij. Wat een ervaring. We lopen nu langs de theeplantages. Ik zuig de frisse lucht in mijn longen. In de verte zien we chimpansees slingeren in de bomen. We schuiven behoedzaam over het glibberige pad richting het woud. Een fel gele bloem leidt mijn aandacht af, waardoor mijn linkervoet vooruit slipt. Zo komt ik tot een prachtige spreidstand die mijn liezen op de proef stelt. Ik trek met enige moeite mijn linkervoet terug, sta recht, verlies opnieuw het evenwicht en knal met mijn zitvlak tegen de grond. Met pijnlijk staartbeentje, verrokken lies en slijkbroek word ik door het duistere, ruige regenwoud opgeslorpt. Om eerlijk te zijn ben ik geen fan van wandelen in regenwouden. Ik zie ze liever van op afstand. Ik krijg er steeds een lichte vorm van claustrofobie. De bomen staan dicht bij elkaar en ontnemen het zicht. Instinctief vrees ik deze groene hel: ik weet dat er giftige creaturen vliegen, kruipen, sluipen en dat er vuile parasieten schuilen. Ja maar zeggen de reisbrochures dan: die geweldige biodiversiteit, dat is een toeristische troef. Wel sorry, maar om van de biodiversiteit te kunnen genieten, moet je je af en toe wel eens concentreren en dat gaat nu juist moeilijk in de omgeving van een tropisch woud. De vochtigheid ontneemt de adem. De broeierige hitte perst liters zweet uit de poriën. Bovendien probeer je niet uit te glijden over de dikke lagen rottend humus of de sponzige mossen, waardoor je voortdurend naar de eigen voeten kijkt. En de kans om beesten te zien is nihil.

Angolese franje apen, Nyungwe woud

Angolese franje apen, Nyungwe woud

Maar elk regenwoud heeft prachtige verrassingen in petto. Na een uur of twee opent het bos zich en ontvouwt zich een natuurlijk groen amfitheater. In het midden dendert een waterval naar beneden. Het opspattende water zorgt voor een mistige sfeer. In het theater laten zich rode borstels van bloemen bewonderen en orchideeën, bromelia’s, begonia’s, palmbomen en eeuwenoude boomvarens. Lianen hangen als slingers in een kerstboom op en tussen de bomen. Diepe donkere spelonken herbergen duizenden vleermuizen. Een aanrader, Isumo Trail.

Kibuye aan de Kivu

Posted on januari 25, 2015

Chillen in Rwiza lodge

 

Vroeger leerden we dat de hemel boven ons ligt, en de hel onder ons. Maar in realiteit is de hemel vaak ook een hel, en de hel soms hemel. Het Kivumeer en omgeving is zo’n plek. Aan Congolese kant is het al jaren – tot op de dag van vandaag – een hel. Maar in Rwiza Village Guest House aan Rwandese kant lijkt de Kivu terug het paradijs op aarde. Ik lig in mijn bed in een van de 9 kleine hutjes om 6 uur ‘s ochtends. Zonnestralen strelen zacht mijn hoofd. Ik takel mijn oogleden open, hijs mijn hoofd uit het donzige kussen en zie hoe het meer baadt in duizenden glinsteringen onder de ochtendzon. Gezang weergalmt over het rimpelloze water. De dappere vissers peddelen na een lange nacht arbeid met hun vangst terug naar de oever. De boten bestaan uit drie kano’s die aan elkaar geklonken zijn met houten staven en waartussen men netten heeft gespannen. Motoren gebruiken de vissers van het Kivumeer niet. Ik kruip uit mijn bed en plof in mijn ligstoel op het terrasje. Na een vermoeiende missie van twee weken word ik weer meester van mijn tijd. Ik word niet langer geleefd van uur tot uur door mijn agenda. Ik ben alleen, het ruimtegevoel is overweldigend, de stilte oorverdovend. Wat verschilt mijn leven toch van die van de vissers: de open ruimte is hun thuis, stilte hun metgezel, agenda’s onbestaande. De vissers hebben geen agenda nodig: de zon en het licht gidsen hen in wat ze doen. Bij zonsopgang varen ze naar de oever om vis te verkopen. Bij zonsondergang varen ze uit om vis te vangen. Een kleurrijke menigte dorpsbewoners met emmertjes verzamelt zich op de oevers. Een grenadierwever landt op mijn balkon. Ik zeg hallo aan dit feloranje vogeltje met zwarte borst. ’s Avonds, wanneer ik op mijn dooie eentje een reusachtige vleesbrochette verorber op het panoramische terras van Rwiza Village Guest House, verlaten de vissers de steigers opnieuw, de geel rode zonsondergang tegemoet. Ik ben zen als een monnik in een klooster.

 

John is de buitengewoon sympathieke receptionist van Rwiza Village Guest House. Hij vraagt of ik reclame kan maken via Facebook. Want de mensen komen niet uit schrik voor de genocide en de slechte berichtgeving rond het Kivumeer: oorlog, rebellen, kindsoldaten, verkrachtingen, “etnische” conflicten. Hij schudt het hoofd en zegt: “De genocide is 20 jaar geleden en sedertdien is het hier kalm en vredig”. Dat kan ik alleen maar bevestigen. Op een avond wandel ik over de weg van het centrum van Kibuye naar het enige kilometers verderop gelegen Guesthouse. De weg is een perfect onderhouden biljartvlak. De scholen zijn net uit. Joelende kinderen lopen achter me aan. Na een minuut of vijf ben ik verzwolgen in een enorme zwerm schoolkinderen. “Mzungu, mzungu” (blanke, blanke)! Ik lijk wel Sinterklaas, omstuwd door giechelende en gillende jongens en meisjes. Mama’s kijken geamuseerd. Eentje ervan zegt in het Frans: “Je maakt hen aan het lachen”. Ze knikt vriendelijk. John staat langs de kant van de weg, hij kijkt met een mengeling van verbazing en amusement wanneer hij mij te midden van een stoet naar het Guesthouse ziet trekken.

 

De omgeving van Kibuye: waar Rwanda niet zo nieuw is

 

Tijdens mijn anderhalve werkweek in Kigali sjeesde ik over asfaltwegen in kraakwitte terreinwagens van bureau naar bureau en van modelschool naar modelschool. Ik logeerde in een hotel met een suite dat dubbel zo groot is als mijn appartement thuis. Ik at steak met drie soorten roomsaus, Koninginnehapje met frietjes, Pizza Hawai en Dame Blanche in restaurant “The New Cactus” met spectaculair zicht over de stad. Ik dronk in het weekend Campari Orange in Hôtel des Mille Collines. Ik wandelde met gerust hart door residentiële straten met perfecte voetpaden en vol met bloemen en bomen, geen plastiekzak of papiertje op de grond. Een paar jaar geleden is Kigali nog uitgeroepen tot properste stad van het Afrikaanse continent. Ik vergaderde in een net onderhouden tuin naast het zwembad in de sportclub van Kigali, waar mensen onder palmbomen op hun IPads of GSM tokkelen. Grote panelen in het straatbeeld maken duidelijk dat corruptie niet getolereerd wordt en schadelijk is voor de gemeenschap. Wolkenkrabbers steken in de lucht, gevuld met banken en winkels. Kigali: de blitse hoofdstad van het Singapore van Afrika.

 

Hoe anders is het Rwanda dat zich nu rondom mij uitstrekt. Ik zit achter op een motoconcho in de rurale omgeving rond Kibuye. Urenlang hotsen we over onverharde wegen, putten en stenen geselen mijn zitvlak, een helm waggelt pro forma op mijn kruin. Dit is het Rwanda van de theeplukkers. Van boerinnen die, met baby op de rug en onder een loden zon, ganser dagen onverdroten thee plukken voor de fabriek van Gisakura Tea Estate. In de fabriek zelf laden arbeiders de zakken met verse theeblaadjes uit. Andere arbeiders gooien houtblokken in de ovens die de thee moeten branden. Een kwaliteitsverzorgster controleert blaadjes op ongeregeldheden. Een vrouw slurpt thee en spuwt weer uit.

 

Een dag later spring ik op de bus van Kibuye naar het Nyungwe Woud in het Oosten van Rwanda. Geen moderne bus zoals in Kigali, maar een aftands en afgedankt exemplaar geschonken door “het volk van Korea”. Juten zakken liggen opgestapeld in een kooi achteraan. Het vulsel van de banken puilt uit scheuren. Ongevraagd komt er een jeep aangereden die me mee wil nemen. Gefronste blikken zijn mijn deel wanneer ik weiger de jeep in te stappen. Een vrouw lacht en schudt het hoofd: “Vous ne voulez vraiment pas prendre la voiture? ». En ik : « non, je veux voyager comme vous ». De vrouwen giechelen. Wat volgt is een ononderbroken busrit van zeven uur. Maar de beloning voor de benieuwde reiziger is navenant. De bus slingert rond talloze baaien en strandjes van het Kivumeer. Dit is het Rwanda van de stoffige onverharde wegen, van het harde labeur op het veld, van scholen zonder materiaal, van mensen die Engels noch Frans spreken, van mensen die geen “mzungu” zien, van dorpen zonder riolering en waterleidingen. Hoewel de Chinezen hier danig in de weer zijn met het aanleggen van asfaltwegen, kanalen en afvoersystemen. Met een strooien hoedje op het hoofd sturen zij om de zoveel kilometer een team van Rwandezen aan. Dit is het Rwanda waar mensen via de open ramen in en uit de bus springen omdat de deuren gebarricadeerd zijn, van geïsoleerde dorpen die op deze bus wachten voor hun voedselvoorziening, van honderden kinderen die samentroepen rond de bus om de mzungu te zien, van de student informatica die mij vraagt hoe hij België kan binnengeraken omdat er geen enkele toekomst is voor hem in Rwanda. Het andere Rwanda: het gezicht van het platteland, vooralsnog in schril contract met het Rwanda van het economische mirakel.

 

Schoolkinderen op de weg tussen Rwiza Village Guest House en het centrum van Kibuye

Schoolkinderen op de weg tussen Rwiza Village Guest House en het centrum van Kibuye

Achteraan de motoconcho, langs de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Achteraan de motoconcho, langs de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Theeplukster met kind, op de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Theeplukster met kind, op de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Zonsondergang, Kivumeer

Zonsondergang, Kivumeer

Grenadierwever

Grenadierwever

Het stoffige, kleine, charmante centrum van Kibuye

Het stoffige, kleine, charmante centrum van Kibuye

De vissers varen de zonsondergang tegemoet op het Kivumeer

De vissers varen de zonsondergang tegemoet op het Kivumeer

Paasweekend in Bas-Congo

Posted on augustus 10, 2014

Van Kinshasa naar Kisantu

 

Volgens Cathy, een oud-collega van mij, wenen buitenlanders tweemaal als ze naar Kinshasa komen. Eén keer als ze aankomen en één keer als ze vertrekken. Dat laatste kan kloppen want mijn ogen tranen van een forse verkoudheid nu we miljoenenstad Kinshasa uit rijden. We passeren aan het marmeren paleis waar Laurent-Désiré Kabila als president door het hoofd geschoten is door één van zijn kindsoldaten. Een halfuur later baden de buitenwijken van Kinshasa in een apocalyptische sfeer: een donkergrijze hemel, bliksemschichten, stortregen. Overbevolkte marktjes staan in poelen van slijk. Een jongetje zeept zich in en neemt een openluchtdouche. Bulderende camions met metershoge stapels zakken en bananen tuffen in slakkengang voort. Ze braken dieseldampen uit. Hoofden, armen en benen puilen uit de overvolle, geblutste en roestige busjes. De donder roffelt lang en onheilspellend.

 

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig.
Enerzijds zie je troosteloze huisjes, stapels vuilnis, wolken roetpartikels, massa’s mensen die leven van de opbrengt van hun schrale oogst. Anderzijds zie je winkels met weelderig versierde en blinkende doodskisten, poepchique dames in kleurrijke gewaden, mannen in glimmend kostuum en schoenen in krokodillenleer, schreeuwerige reclamepanelen van multinationals, muren beschilderd met reclame voor GSM’s, Coca-Cola en bier. In het dorpje Kasangulu zijn er vluchtheuvels op de weg. Politiemannen hangen rechts ervan onderuitgezakt in blauwe stoelen met het geelrode logo van Primus op. Handig om chauffeurs enige dollars af te luizen en het armtierig loon aan te vullen. In Kinshasa loopt er een experiment met robots die het verkeer regelen. Die vragen geen fooien, zijn niet corrupt en dwingen naar het schijnt zelfs nog respect af ook. Nog een halfuur later rijden we door een groen en heuvelachtig landschap met palmbomen, bamboe en af en toe een machtige Baobab. Au revoir, Kin, avec des larmes dans mes yeux. Hoest. Proest.

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig

We komen ’s avonds in Kisantu aan. Schimmen schrijden door de nacht. Hier en daar ontbloot het schijnsel van een olielamp of een kaars de identiteit van een schim. Het opzwepende soukous ritme schalt uit boksen. Ik stap de jeep uit voor een hotel met spuuglelijke lichtbak aan de gevel. Een uitgemergelde hond passeert. Zou deze vlooienbak Cerberus zijn, de waakhond uit de Griekse mythologie die aan de poort van de onderwereld wacht houdt? Ik schrijd door de poort, val over een verhoog. Regen druppelt uit de goot in mijn nek. De gezichten van mijn reisgezellen verraden een “neen, dit is echt te erg”. Schimmel bouwt een feestje op de vochtige muren van deze muffe holen. We keren terug. We rijden door de duisternis en slaan dan af. Plots hotsen we tussen een dubbele rij straatverlichting, terwijl de wegen elders stikdonker zijn. De weg naar Mbuela lodge. Was het luizenhotelletje de hel, dan is dit het aards paradijs. Een standbeeld van de Maagd Maria verwelkomt ons. Symbolischer kan het niet: op een kwartier tijd van hel naar hemel, van Cerberus tot Maagd Maria. Onder platanen met rode en blauwe lampionnen spelen we de volgende morgen minigolf. Wat verder staat een levensgroot schaakbord in de tuin. Een zwembad. De kamers zijn proper en luxueus op zijn Congolees: een flatscreen TV die niet werkt, een IPod dock zonder Ipod. Een douche zonder warm water. Een frigo zonder iets. In de inkomhal hangt een tiental portretten omhoog van de eigenaar van Mbuela Lodge die handen schudt met Joseph Kabila. De man is ambassadeur voor Congo in Angola. Het is zoals reisgezel Steven opmerkt wat wrang om vast te stellen dat een zeldzame blijk van toeristisch ondernemerschap komt van een invloedrijk man met geld en connecties. Jan met de pet geraakt in het verziekte zakelijke klimaat niet aan vergunningen, eigendomsaktes en registraties voor het starten van een onderneming. Daarom geven de meeste kleinschalige ondernemers er de voorkeur aan informeel te blijven werken waardoor hun groeipotentieel beperkt blijft.

 

Van Kisantu over Mbanza-Ngungu naar Kimpese

 

De volgende dag bezoeken we in Kisantu de Botanische tuin, een domein met 12 kilometer wandelpaden. De Belgische jezuïet Gillet richtte de tuin op in 1901. In het park ligt er een vijver met een hoogbejaarde krokodil waarvan de leeftijd, al naargelang wie je spreekt, varieert van 70 tot 200 jaar. Eerstvolgend stadje na Kistantu is Mbanza-Ngungu, gebouwd door de Belgen eind 19de eeuw. Het groeide en bloeide dankzij de eerste spoorlijn in Congo. Een titanenwerk waaraan negen jaar gewerkt is, en waaraan tweeduizend mensen zich letterlijk doodgewerkt hebben. We zien de roestige treinstellen en oude koloniale woningen. Op de markt springen lege rekken in het oog. Vlees is er nauwelijks te ratten. Een gevilde koeienkop kijkt schaapachtig van op een houten tafel. Wel aanwezig is zwart gerookte vis. In de modder tussen vuilhopen staan advocaten in smetteloze zwarte toga en zwarte lakschoenen die schitteren als de poolster op een heldere avond in de Sahara.

 

Na Mbanza-Ngungu volgt Kimpese. Dit stadje herbergt een groot hospitaal en Angolese vluchtelingenkampen. We gooien onze bagage af in een centrum van de Protestantse kerk, CRAFOD. Nog diezelfde dag marcheren we naar de watervallen van Vampa, die te vinden zijn in een stuk smaragdgroen woud. We passeren langs de “Cimenterie de Lukala”, die 80% van de Congolese cementproductie verzorgt. De zon perst liters zweet uit mijn poriën. Metershoge gewassen prikken in mijn blote armen en gezicht. Mijn hoofd duizelt. De verkoudheid speelt mij parten. Na een uur staan we aan een brug, of beter gezegd: ijzeren draden waarop takken zijn gelegd. Helaas zijn veel van die takken verdwenen. Om die stukken te overbruggen behelpen we ons met de draden: één onder om met de voeten over te schuifelen en één boven om met de handen vast te houden. Hier moeten dus iedere dag mensen over. Ik sukkel heelhuids aan de overkant. Een man vraagt 1000 Congolese dollar: “Il faut payer, vous êtes touriste et vous êtes au Congo”. Ik start een vruchteloze discussie op. “Al veel toeristen gezien hier?”, vraag ik. Hij aarzelt en schudt dan het hoofd. “Wil je dat hier veel toeristen komen?”, hij knikt. “Denk je dat er veel toeristen komen als jij zo opduikt om geld te vragen?”. Sullige blik. “De bedoeling, cher papa, is dat je iets aanbiedt, in ruil daarvoor betalen toeristen dan geld”. Hij vraagt nu 500 Congolese dollar. Steven neemt over: “Papa, il faut réparer le pont avant que vous demandiez de l’argent, n’est-ce pas?”. De man bindt in. Een tiental minuten later lopen we door een sprookjesbos van mangosteen bomen. We bereiken de eerste waterval. Door de invallende duisternis beslissen we om het hierbij te houden. Bij de terugkeer over de brug maak ik een beginnersfout: teveel naar de voeten kijken. Bij het opkijken tikt mijn bril tegen de bovenste ijzerdraad. Het kostelijke kleinood springt van mijn hoofd. De bruinige rivier voert hem mee. Bestemming onbekend. Ik ben even mentaal ontredderd, hang als een slappe schotelvod op die draad, maar Eva roept en zet mijn zinnen weer op scherp. ’s Avonds lopen we door pikkedonkere dorpjes. Zonder bril zie ik niks scherp: een duister schimmenspel, onderbroken door het licht van gele lokken vuur en witte rijen tandjes en pretoogjes van de kindjes. Steven achtervolgt hen. Ze stormen als een kudde schapen uit elkaar. Tiens, een camion uit Sint-Niklaas. Achter ons sluit een rood-oranje horizon als een kleurrijk theaterdoek de dag af.

 

DSC_5512 DSC_5499 DSC00052 DSC00022

Mijn 15 strafste wildlife ervaringen

Posted on juli 15, 2014

Bladeren ritselden, takken zwiepten. Zwarte gezichtjes met witte bakkebaarden gaapten me aan. Ze hebben een mantel van lange witte haren rond de schouders gedrapeerd. Eén voor één kwamen ze de bomen uit. Ze buitelden, tuimelden, sprongen, renden. Gids Christian en ik lachten. Wat zijn het speelvogels, deze Angolese franjeapen, een tachtigtal exemplaren sterk. De leider gleed uit zijn boom en nam de groep op sleeptouw. Ze verplaatsten zich over een theeplantage naar een ander deel van het Nyungwe National Forest in Rwanda. En wij liepen mee. Zij keken wat argwanend naar die grote filmende aap achter hen, ik naar die apen voor mij. Nummer 1, zonder twijfel.

 

2

Ochtendgloren. Een afgrijselijk gebrul sneed de stilte in het oerwoud als een mes in boter uiteen. Verder was alles stil. Het oerwoud zweeg, alsof het geschrokken even in een hoekje kroop. Geen gekwaak of gezoem. Geen donder en bliksem. Plots opnieuw gebrul. Mijn spieren verkrampten. Ik hield de dekens tot juist onder mijn neus en voelde zweetdruppels van mijn voorhoofd parelen. Een paar uur later stelde een Indiaan van Mapajo Ecolodge in Bolivia mij gerust. Hij wees naar een boom. Daar zaten drie brulapen in te dommelen na het nachtelijk concert. Niks is qua geluid machtiger en indrukwekkender dan de roep van de brulaap bij het ochtendkrieken.

 

3

Half slaapdronken voelde ik vaag een aanwezigheid. De wind waaide tussen de tenten aan Chogoria Gate, aan de voet van Mount Kenya. De haren op mijn armen gingen recht opstaan. Hoorde ik iets ademhalen? Een schaduw hulde mijn tent in duisternis. Aan mijn voeteneinde zag ik hoe een snuit mijn tentzeil raakte. Mijn hart rikketikte woest, mijn slapen bonsden en ik kreeg lichte tintelingen in mijn tanden. Een nuchter stemmetje fluisterde mij in dat dit beest geen agressieve beweging maakte, het graasde, geen carnivoor dus op zoek naar een biefstukje. Maar toch. Achteraf bleek het een Afrikaanse buffel – die met de enorme horens op zijn woeste kop – die een paar rondjes rond mijn tent had gedraaid, om het gras naast en onder mijn tent weg te maaien.

 

Onze gids beende opgewonden de eetzaal binnen, in het basiskamp in het tropische Royal Chitwan National Park in Nepal. Hij hield zijn wijsvinger voor zijn lippen en wenkte ons naar buiten. We slopen naar de achterkant van de keuken. We liepen de deur uit, hij gebaarde om dicht tegen de muur van de keuken aan te leunen. Hij hield zijn hand fors geklemd rond de deurknop. We keken met gefronst voorhoofd de duisternis in. Ik hoorde een diep gebrom, gesnuif, gekraak, knakkende taken, gerommel. De gids knipte zijn lamp aan en op tien meter voor ons stond een Indische neushoorn tussen de vuilbakken te rommelen. Hij liet zich even bewonderen om dan in de donkere nacht te verdwijnen.

 

5

Nooit eerder keek ik een roofdier zo dicht in de ogen dan in het Parque Nacional do Caraça in het Braziliaanse Atlantisch regenwoud. In het park ligt een klooster. We zaten op het terras voor de blauwe poort van de Gotische kerk, onze ogen gericht op de trappen die vanuit het donkere woud naar het terras leiden. Pater Marcos zet iedere avond een bak met vleesrestanten uit de keuken. Uren versleten. En dan plots was het zover. Twee ooglichtjes springen op uit het duister. En even later staat hij daar, op een paar meter van ons, de schichtige manenwolf, met zijn zwartgelaarsde poten, bruinrode vacht, grote oren en spitse snuit. Kippenbotjes kraken tussen zijn tanden. Kippenvel hebben we.

 

6

Moremi National Park in Botswana is nog een écht wildpark: “No rules, great safari”. Gebrekkige voorzieningen, onvoorspelbare overstromingen, diepe zandwegen, ingevallen bruggen en massa’s olifanten die zich de koning te rijk voelen. De grijze mastodonten barrikadeerden de toegang tot toiletten, molesteerden de boom waaronder we sliepen en stonden hun ontbijt binnen te werken terwijl wij onze tanden poetsten. Later blokkeerde een met de oren waaiende knorrige knar de zandweg waar we over reden, wat later gevolgd door vijftig soortgenoten op weg naar ik weet niet waar. Spannend. Machtig.

 

7

En nog even verder in Moremi National Park. Het stoofpotje pruttelde, een flesje wijn op de tafel. Gezellig, daar aan de campingplaats van Third Bridge. Maar dan zag ik plots over het knetterend vuurtje op zo’n vijftig meter een kolos van een nijlpaard ons gadeslaan. De logge dikkerd spurtte opnieuw de duisternis in. Niet lang erna denderde nog een ander nijlpaard voorbij. Katrien en Eva keken verschrikt. Ik slikte. Bart pookte het vuur wat hoger op en we plaatsten brandende kaarsen. In tijden van gevaar valt ook een homo sapiens terug op de primaire technieken van zijn voorouders: het vuur als bescherming tegen wilde beesten.

 

8

Boombeklimmende leeuwen in Lake Manyara National Park in Tanzania: daar droomden we van. We vonden ze niet, maar stekende tseetseevliegen vonden ons wel. De oudere dame in de jeep reageerde panisch en mepte in het rond. Haar elleboog belandde tegen het linkerkaakbeen van haar wederhelft. Het was heet en vochtig. Zo kan een safari dus gaan. Je verheugt jezelf op de wildlife ervaring van jouw leven en eindigt met honderden euro’s minder op de bankrekening, tseetseevliegen, gekneusde kaak, een echtelijke ruzie in een hammam zonder koelbad. Wat je krijgt is niet altijd wat in een brochure staat.

 

9

Een rare ervaring was het, rijden in Ngorongoro Krater in Tanzania. De bijnaam van deze geïmplodeerde vulkaan is de tuin van Eden, wegens de overvloed aan wilde beesten. Wetenschappers vonden er voetsporen van drie rechtoplopende wezens van 3,7 miljoen jaar geleden, voorlopers van de intelligente naakte aap die zichzelf mens zou noemen. Onze voorouders sneden met stenen vuistbijlen karkassen van beesten open, zelf opgejaagd door jagers. En toen zat ik in een doos op vier wielen, aangedreven door een goedje dat we uit de aarde op pompen. Deze maal rijdt de naakte aap de roofdieren tegemoet, niet om aas, maar om een foto. Ja, echt raar.

 

10

We verlieten het basiskamp Okaukuejo in Etosha National Park, Namibië. Homo sapiens leek op oorlog te gaan. De poorten zwierden om 6u open en lange colonnes vertrokken naar het slagveld, tot de tanden gewapend met kanonnen van fototoestellen, hopend op hongerige leeuwen, ruziënde hyena’s, plassen bloed, half uitgebeende kadavers en rondcirkelende gieren. En de andere beesten kijken al lang niet meer op, op jonge leeftijd gewoon aan witte rijdende dozen met recht opzittende apen met fallussen aan hun oog.

 

11

De moeder van de wereld is de zee: daar dacht ik aan, toen ik een gat in de nacht langs de wilde kust van Suriname liep, ook wel Matapica genoemd. Uit de zee kropen gedaantes onder het flauwe witte schijnsel van de maan. Op dit afgelegen strand komen ze leven geven, leven in de vorm van rubberachtige, witte balletjes met slijmslierten aan. Daarvoor leggen ze duizenden kilometers af langs de kust, of zelfs een hele oceaan over. En hier staan we dan als voyeurs op het strand, Els en ik. We kijken hoe die dappere beesten zich na een enorme reis hoestend en proestend voortslepen naar een plek waar het goed graven is om eieren te leggen en leven te schenken.

 

12

Wat is hij mooi, de Hyacint ara, met zijn kobaltblauw lichaam en de gele rand rond de ogen en onder de snavel. De grootste papegaai ter wereld. Maar ze zijn ernstig bedreigd. En hier staan Katrien en ik onder een boom in de Braziliaanse Pantanal te gapen naar een hele familie van deze krassers. Ze kraken noten en vruchtenpitten. Daarmee zijn ze de helft van hun dag bezig. De andere helft van de dag gaat naar paren en het verzorgen van het vederkleed. Een leven in eenvoud. Ik glimlach en denk: wat is ons leven als mens toch ingewikkeld.

 

13

Een kudde koeien graasde vreedzaam in Odgracenica, een gehucht in de bergen van Montenegro. Ons ma wees er op dat een stier uit zijn humeur onze richting uitkeek. Hij schraapte met zijn voorpoot over de grond. Ik bukte me en zag twee kloten. Ze had gelijk. Ik keerde mij voorzichtig om, maar ons ma stoof als speedy gonzales de andere kant uit, haar rugzakje wild van links naar rechts zwierend. Nooit gedacht dat een zestiger – een frisse wel – zo’n snelheid kon halen. Met een kattensprong vloog ze over een droogstaande rivierbedding, als een onstuitbare wervelwind de eerste de beste heuvel op. Ik moest alle zeilen bij zetten om haar in te halen. De stier keek (wellicht geamuseerd) vanop afstand toe.

 

14

Ik kroop gloeiend uit het ijswater van het beekje. Het water nam het vuil van dagen mee, en ook de kilo stof uit mijn haar. Ik bevond mij in de buurt van McKindershut, op 4.300 meter hoogte op Mount Kenya. Met mijn handdoek om mijn middel vleide ik mij neer om een uurtje in het namiddagzonnetje te pitten. Na een tiental minuten soezen, hoorde ik gewriemel. Ik voelde mij bespied. Ik richtte mij voorzichtig op en… rondom mij zaten tientallen rotsklipdassen, hun nieuwsgierige ogen op mijn naakte lijf gericht, tientallen witte slagtandjes bloot. Mijn handdoekje toch maar strakker getrokken en het kamp opgezocht.

 

 15

Acht exemplaren scheerden over ons hoofd in het gehuchtje Cabanaconde in de Colca Canyon, Peru. Machtige condors. De tweede grootste vogel ter wereld, met een spanwijdte van 2 à 3 meter en een gewicht tot 15 kilo. De condor: mythische vogel,  machtig en gevreesd symbool in precolumbiaanse culturen, de verzinnebeelding van geesten bij de Inca’s. Gids Salomé is nuchter en vertelt dat hun nek kan blozen, wat ze gebruiken in sociale contacten. En de condor pist op zijn eigen poten om ze fris te houden bij warm weer.

 

Mijn nummer 1 op video:

 

 

Parque Nacional Cerro Cora: één van Paraguay’s natuurschatten

Posted on juni 24, 2014

We overnachten in een pousada in Ponta Porã in Brazilië. Het is gescheiden door een straat – Avenida Internacional – van het stadje Pedro Juan Caballero in Paraguay. Een rare plek. We haalden geld af in Paraguay om een minuut later in Brazilië een pizza met tonijn te bestellen. Vanuit het consulaat van Paraguay in Brazilië kan men Paraguay zien. Brazilianen stouwen hun winkelkarren propvol in het mega shopping centrum in Pedro Juan Caballero, gezien de prijzen er veel lager zijn dan in de shopping centra honderd meter verder in Brazilië. Deze grens is dus ook een dankbaar oord voor smokkelactiviteiten en drugshandel. Die nabijheid zorgt bovendien voor een geregeld kat-en-muis-spelletje tussen criminelen en politie, gezien die eersten gewoon even de straat moeten oversteken om in veiligheid te zijn. Ik zei het al meermaals: Paraguay heeft iets surrealistisch.

 

We overbruggen met de bus de 45 km tussen Pedro Juan Caballero en de ingang van het Nationaal Park Cerro Cora in Paraguay. Een charlatan steekt een betoog af tegen medicatie en de farmaceutische industrie. In zijn hand houdt hij een alternatief vast: een potje met een viezige geelachtige blubber. Een paardenmiddel dat volgens deze dokter Vogel goed is tegen liefdesverdriet, armoede, depressie, opstopping en diarree. Katrien en ik zijn dan ook blij dat we van de bus kunnen, om onze tocht te beginnen in het grootste natuurpark in Paraguay. De Lonely Planet spreekt over zeldzame vogels, schildpadden, gordeldieren, apen en zelfs een jaguar. Toeristen ziet het park zelden. Het bestaat deels uit ontoegankelijk droog tropisch woud en deels uit uitgestrekte savanne. De staat beschermt het park al enige decennia, als één van de zeldzame vrijhavens voor de natuur in een land waar ontbossing dramatische vormen heeft aangenomen. Een half uur later wandelen we moederziel alleen over oranjegekleurde paadjes, die fel afsteken tegen de felgroene omgeving. Hier en daar rijst een heuvel op uit de savanne. Gele kiskadees fladderen rond. Op de grond is er veel te zien: een gordeldier en een harige vogelspin genieten onbeweeglijk van de zon, parasolmieren waggelen met stukjes blad op de rug het nest in, een reuzenduizendpoot contracteert zich de weg over, twee blinkend zwarte kogelmieren kijken toe, een wandelende tak voert een dansje op, vuurwantsen zitten rond een boom.

P1010190

Het park is ook een historische site. Hier eindigde één van de meest bloedige oorlogen die Latijns-Amerika heeft gekend: “La Guerra de la Triple Allianza”, verwijzend naar de oorlog van Paraguay tegen een monsterverbond van Brazilië, Argentinië en Uruguay in de jaren 1880. Het is een plek van naargeestige nationalistische symboliek. De toenmalige president van Paraguay, Francisco López, liet in dit decor het leven, vechtend tegen een Braziliaans garnizoen. Het park ademt nationalistische nostalgie uit. Een pijl wijst in de richting van een paadje dwars door het dichte groen. Een trapje leidt naar beneden, waarna je in het wezen van López kijkt, of althans in dat van zijn standbeeld. Dit zou volgens de nationalistische overlevering de plaats zijn waar hij “heroïsch” is gesneuveld. Met een speer in de buik en een lans in de heup bleef hij zwaaien met zijn sabel, om uiteindelijk de geest te geven, met een Hollywoodiaanse “ik sterf voor Paraguay” op de lippen. Of was het “ik sterf met Paraguay”? Daar bakkeleien mensen met slechte smaak en teveel tijd vandaag in Paraguay nog altijd over. Maar sterven met Paraguay heeft López alvast niet gedaan, want het land is nog steeds alive and kicking terwijl Lópes beenderen al anderhalve eeuw in een kist in het felwitte Pantheon in Asuncion liggen.

We lopen door desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. De paden door de stukken bos zijn zodanig overwoekerd dat ik met een stok een doorgang moet banen. Onder onze voeten liggen wellicht nog veel beenderen van slachtoffers van de Guerra de la Triple Allianza

 

Tussen het groen steekt ook een herdenkingsplaat: “Mama Lynch, la abnegada compañera dio aqui cristiana sepultura a los restos del mariscal Francisco Solano Lopez y de su hijo el coronel Panchito Lopez en el 1er de marzo 1870…”. Hier groef de vrouw van de maarschalk met haar eigen handen een graf uit voor haar man en zoon. Nationalistische pathetiek ten top. Honderdduizenden zijn de dood ingejaagd in een zinloze oorlog, honderdduizenden moeders waren de vrucht van hun leven kwijt. En toch is er maar één moeder/vrouw die een gedenkplaat krijgt, juist diegene wiens man die honderdduizenden de dood heeft ingejaagd. Niet dat iedereen vandaag de mening deelt dat die oorlog zinloos was. Voor nationalisten is López geen maffe dictator met hectoliters bloed aan zijn handen, neen, voor hen is hij een nationale held. Hij is de man van een kleine natie die grote imperialistische machten de wacht durft aan te zeggen. En de slachtoffers van die oorlog zijn geen slachtoffers, het zijn helden die gevallen zijn voor het vaderland. Waar hebben we dat soort idiote retoriek nog gehoord? Ik denk dan altijd aan de nabestaanden en wat die ervan vonden: “Leuk, mijn zonen en/of mijn man zijn gestorven voor het vaderland, I feel happy”. “De helft van de bevolking de dood in gejaagd: troost u allen, het was voor het vaderland, I feel happy!”. Er zijn altijd malloten die juichen als een familielid omkomt voor de “hogere zaak”, maar dat zijn uitzonderingen. Toch vind ik het ongemakkelijk om vast te stellen dat die positieve beeldvorming rond López nog altijd leeft in Paraguay. Zo komen politici hier jaarlijks op 1 maart López herdenken, 1 maart dat trouwens nog altijd een vrije dag is.

 

Het standbeeld van López en die herdenkingsplaat geeft het prachtige natuurpark een ietwat luguber kantje. Wat verder lopen we langs een pad met een galerij met standbeelden van andere “helden”. Lege levenloze ogen van witte standbeelden kijken jou aan in deze godvergeten uithoek in een tropisch woud waar geen kat komt. Er is zelfs straatverlichting, daar waar je dit in Paraguay maar zelden tegenkomt langs de wegen. We lijken figuranten in the Blair Witch Project. We lopen door desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. De paden door de stukken bos zijn zodanig overwoekerd dat ik met een stok een doorgang moet banen. Onder onze voeten liggen wellicht nog veel beenderen van slachtoffers van de Guerra de la Triple Allianza. Toch maar een opluchting wanneer we uit die brousse komen en opnieuw het uitgestrekte landschap van Cerro Cora voor ons zien liggen.

 

P1010166

Parque Cerro Cora

P1010203

Parque Cerro Cora

P1010155c

Parque Cerro Cora

P1010198

Parque Cerro Cora

Verhalen uit de Chaco: taguas, leeuwen en ratelslangen

Posted on april 6, 2014

Dat de Paraguayaanse Chaco heel lang een godvergeten gat is geweest, bewijst de geschiedenis van de tagua. Tot 1970 ging men ervan uit dat het beest tienduizenden jaren geleden de pijp aan maarten had gegeven. Tijdens een zoektocht naar fossielen halverwege de jaren zeventig keken verbaasde wetenschappers plots een echte tagua in de ogen. De tagua is zo één van de weinige grote zoogdieren die pas “ontdekt” zijn geworden in de 20ste eeuw. De tagua is een everzwijn met een grijs-bruine pels en een witte collier om de hals en belachelijk smalle pootjes in verhouding tot het lichaam. Grappig zijn de haren van gemiddeld 20 cm die rechtstaan in de nek. De tagua komt alleen voor in de Chaco. Grootschalige veeteelt, stroperij en een gebrek aan overheidsbeleid brachten de soort aan de rand van totale uitroeiing. Mennonieten, die mee aan de basis liggen de grootschalige veeteelt, lieten ook hun goed hart zien en hebben na de ontdekking van de tagua een reservaat voor die beesten opgezet, met fondsen van de San Diego zoo in California. Katrien en ik staan in dit reservaat te kijken naar drie taguas die in een halve cirkel naast elkaar afgrijselijke stinkscheten in de atmosfeer blazen. Het is hun natuurlijk verdedigingsmiddel tegen vijanden en homo sapiens is daarbij vijand nummer 1.

P1000857

De zoektocht naar de tagua bracht ons eerder ook naar de vermeende zoo van Filadelfia. Vermeend, want die zoo bestond niet meer. “Verhuisd” wist Marylin ons te zeggen, naar de “wijde omgeving” rond Loma Plata, een ander Mennonietenstadje. Halfweg tussen Filadelfia en Lomo Plata vroeg ze de weg aan een eenzame fietser, een Paraguayaan met een T-shirt “I like New-York but now I want to go home”. Zo kwamen we aan een hotel terecht, waarvan de tuin de zoo herbergde. “Neen, geen dieren meer”, schudt de wat verbaasde hoteleigenaar het hoofd, “enkel nog vier leeuwen”. De andere dieren waren “weggespoeld” na hevige regens. Leeuwen in Paraguay? Weggespoelde dieren? Rare plek hier. Maar er stonden nog dierenhokken, overwoekerd door struikgewas en onkruid. Tussen de hokken hingen de beddenlakens van het hotel te drogen “Typisch Paraguayaans”, fluistert Marylin. “Ze dragen zorg voor niks”. Maar waarom zouden verarmde Paraguayanen geld steken in een zoo die twee toeristen per jaar ziet? Beesten die ze zelf in de natuur zien lopen? Helemaal achteraan stond het hok van de “leeuwen”, die poema’s blijken te zijn, die wel degelijk voorkomen in Paraguay. Twee volwassen exemplaren en twee pasgeboren exemplaren van een maand oud. Met helderblauwe oogjes en zwarte vlekjes over de pels. Over de vloer ligt een afgeknauwd schouderblad en een bloederig dijbeen.

P1000778

Een kennismaking met een beest dat tot voor kort voor de wetenschap als een prehistorisch fossiel te boek stond, een weggespoelde zoo met vier overlevende poema’s in de tuin van een hotel. Ja, in die Chaco valt een en ander te beleven. Opvallend is dat we veel meer met acuut uitsterven bedreigde taguas hebben gezien dan toeristen. Als er al eens een toerist komt, is het familie van Mennonieten of avontuurlijk ingestelde ornithologen. De Lonely Planets en Rough Guides van deze wereld hebben Paraguay nog niet ontdekt, laat staan het wildste en meest ontoegankelijke stuk ervan. We hadden contact gehad met ene Walter Ratzlaff, maar eenmaal in Filadelfia bleek die onvindbaar. En zo kwamen we via de museumconservator in Filadelfia terecht bij zijn zus, Marylin. Zelf waren wij de eerste toeristen die ze dieper in de Chaco zou rondrijden. Met de GPS aldus, lacht ze. Een nog groter avontuur voor haar dan voor ons. We begonnen met een ontspannen rondritje op haar ranch. Op een uurtje tijd zagen we twee uilen, drie struisvogels, bonte parkieten, grote aalscholvers, ibissen met een geel hoofd, een reiger met een blauw hoofd en een rode snavel en een specht. Achteraan haar ranch ligt er in een bosje een poel waar regelmatig tapirs op bezoek kwamen. “A ja, is dat interessant?”, vroeg ze verwonderd. Ik vertelde haar dat gidsen er zich voor meer dan 100 US dollar per dag in het Amazonewoud en de Braziliaanse Pantanal een punthoofd naar zoeken.

Een kennismaking met een beest dat tot voor kort voor de wetenschap als een prehistorisch fossiel te boek stond, een weggespoelde zoo met vier overlevende poema’s in de tuin van een hotel. Ja, in die Chaco valt een en ander te beleven

Dat ontoeristisch kantje aan Paraguay is heel aantrekkelijk. In 2007 hadden we het Parque Cerro Corra bezocht, een mengeling van ontoegankelijk droog tropisch woud en savanne. Paadjes moet je zelf uitzoeken en brengen de wat benauwde toerist op desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. Hier en daar rijst een spuuglelijke monument op uit het landschap, waaronder de herdenkingsplaats voor één van de grootste locos uit de Paraguayaanse politiek: Francisco Solano Lopez. Desondanks was de omgeving van het park mooi en vol van leven. We zagen 24 uur mieren, een grappige wandelende tak en een vunzige duizendpoot, een schuw gordeldiertje en een harige vogelspin en vogels om een dozijn ornithologen in delirium te brengen. Maar terug naar de Chaco.

 

Op de middag zaten we in een houten uitkijktoren te kijken naar de meren en bossen om ons heen. Marylin was met ons het Campo Maria Private Reserve in gereden, een gebied met zoute en zoete meren, waarvan de Mennonietencoöperatie Chortitzer eigenaar is. Tientallen zwanen dobberen rustig rond over het kalme water. Een groep witte reigers zit in een boom. Plevieren en eenden zwemmen rond. 50 Chileense flamingo’s staan pal in het ondiepe water. Zoutafzettingen kleuren de oevers wit. Wolken weerspiegelen zich in het rimpelloze meer. Ontelbare pootafdrukken getuigden van de aanwezigheid van tapirs, herten en een wilde kat. In het zand lagen twee slangenskeletten te roosteren in de felle zon. Dit reservaat is toeristisch potentieel, maar nu zijn er geen toeristen. ’s avonds reed Marylin bijna een ratelslang plat, een levend exemplaar en niet gediend met onze aanwezigheid en onze koplampen in haar ogen. Ze draait zich in een bolletje en trekt de kop achteruit, klaar om een paar milliliter verlammend gif in onze aders te spuiten. Daarna kruipt ze in het kreupelhout. Een waardige afsluiter van een verblijf dat nog echt “off the beaten track” geheten mag worden.

 

P1000842 P1000813 P1000802 P1000811

  

%d bloggers liken dit: