Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Posts from the “Scholen” Category

Een technische school in Santo Domingo de las Tsachilas

Posted on september 13, 2015

Evelien daalt met vaste hand de weg van Quito af, eerst over brede wegen met zicht op Ecuadors vulkanen, dan door een nevelwoud en tenslotte door de provincie Santo Domingo de la Tsáchilas, niet ver van de kust. Onze bestemming voor vandaag is een technische school. Rode harten van motels lichten op tussen bananenplantages. President Rafaël Correa lacht zijn tanden bloot op grote panelen, in het gezelschap van Valeria, het plaatselijke politieke vriendinnetje van Ecuadors machtige nummer 1. Onder één van de panelen draait een onfortuinlijk varken met glazige ogen aan het spit.

 

De technische school schuilt net als de motels tussen monocultuur bananenplantages. De directeur loodst ons zijn bureautje binnen. Het is een kleine technische school zonder enige franje. De bel rinkelt. Jongeren verdringen zich rond een pingpongtafel in open lucht. Anderen zitten, kijken voor zich uit, bijten op hun nagels, giechelen, peuteren in hun neus. Weinig kans dat hun motivatiepeil in dit oord hoge toppen scheert of zal scheren. Handel en boekhouding (“commercia y administracion”) zijn hun lot, iets anders is er niet in de aanbieding. Een blik op een studie die mijn VVOB-collega’s in Ecuador lieten uitvoeren leert dat zoiets niet abnormaal is: 67% van alle leerlingen loopt school in slechts 4 richtingen, waarvan drie kantoorgericht, zoals op deze school. En op Evelien’s vraag of ze niet naar een verder gelegen school kunnen gaan, antwoordt de plezantste van de klas: “Hoe dan wel? Met de ezel?” (“con burro”). Schoolvervoer is afwezig, en kleinschalige familieboeren of arbeiders op bananenplantages tuffen zelden met auto’s rond.

 

P1010968P1010970

 

In jargon heet het dan “dat onderwijs niet is afgestemd op de arbeidsmarkt”. Santo Domingo de las Tsáchilas is een kustprovincie, een geliefkoosde tijdelijke habitat voor de homo turisticus. En veel homo turisticus betekent meer kans op werk en inkomen. Daarnaast is Santo Domingo de las Tsáchilas ook de thuis van een grote zeehaven en één van de grootste olieraffinaderijen van Ecuador. En er is uiteraard landbouwproductie. Maar die laatste levert vooral primaire grondstoffen af, terwijl Ecuador meer afgewerkte producten wil gaan exporteren. Toerisme, logistieke havenactiviteiten, petroleum, landbouwproductie. Het economisch potentieel is er, nu ook nog even technisch geschoolde mensen en ondernemers aan de slag krijgen. En knelt daar dan dat stomme schoentje. Want hier studeren tussen de bananenplantages, motels en aan het spit draaiende varkens jaarlijks tientallen kantoorbedienden af die zich naar eigen zeggen met ezels moeten verplaatsen.

 

Toch zijn er contacten met bedrijven. De leerlingen lopen er stages, althans de directeur. Op de vraag hoeveel hoort de wat bedeesde man het in Keulen donderen. Niks beters om het vertrouwen te winnen van een werkgever, dan door een tijdje in haar of zijn bedrijf meegedraaid te hebben. Maar nogmaals: ieder jaar tussen een paar duizend bananenplanten een paar dozijnen kantoorbedienden loslaten, wat levert dat in ’s hemelsnaam op? Zeker als je al weet dan ook de meeste andere scholen opleiden tot kantoorjobs? Daar waar een stage een smeermiddel is op weg naar echt werk, is het hier vaak bezigheidstherapie. De directeur geeft schoorvoetend toe: ze kunnen stage volgen, maar daarna is er geen werk.

 

Kan de school geen diverser aanbod organiseren, al dan niet in overleg met andere technische scholen? Wat houdt onze minzame directeur eigenlijk tegen? Hij wil wel, pruttelt hij tegen, maar het kan niet, “dolares” weet je wel. “Het ministerie”. Richtingen die leiden tot kantoorjobs vragen minder investeringen vergeleken met “hardere” technische en beroepsopleidingen. Je koopt een stuk of wat tweedehandscomputers, boort een aantal stopcontacten in de muur en betaalt een internetverbinding indien mogelijk. Klaar is kees en de portemonnee zal er zeker geen magerzucht aan overhouden. Automechanica of de bouw, om maar iets te noemen, zijn al andere koek. Een praktijklokaal is een minimumvereiste, met de nodige uitrusting, zoals machinerie en grondstoffen om mee te werken. In een technische school in Suriname zag ik ooit hoe 20 leerlingen bouw hun plan trokken met 50 bakstenen en een emmertje mortel om een muur te metselen. Drie leerlingen kletsten kwakken mortel tussen de stenen, terwijl de 17 anderen de meisjes uit het naburige naaiatelier het hof maakten. Of de automechanica, waar men het “vak” leerde op een audi 50 die 40 jaar geleden van de band is gerold. De vakleerkracht verzekerde mij dat hij die persoonlijk van een oudijzer stort naar de school had gesleept. Een wrak uit het zwartste steenkooltijdperk, toen begrippen als energiezuinigheid, duurzame planeet en smeltende ijskappen nog uit de koker van wetenschappers moesten vallen.

 

Maar een onaangepast onderwijsaanbod, infrastructuur en uitrusting zijn niet de enige problemen. Voortstuderen in hoger onderwijs zit ingebakken in harten en geesten van ouders, leerlingen en de overheid. We vragen in één van de klassen “commercio” wie naar de universiteit wil trekken. Een paar leerlingen overwinnen hun schroom en punten hun wijsvinger richting plafond, een fractie van een seconde later kijken we op een bos aan wijsvingers. Onnodig te tellen, het is iedereen. En wie wil er na zijn studie handel en administratie verder gaan in handel en administratie? Het bos is nu aan een kaalslag onderhevig. En van waar hun motivatie dan voor handel en administratie, vraagt Evelien? “Er is niks anders te studeren”, luidt het laconieke antwoord van schokschouderende tieners. Die arme ziel van een leraar zakt door de grond, en hij stond al wat weggestoken in zijn hoekje. De directeur blijft in zijn rol, glimlachend. Andere klas, zelfde vragen, zelfde antwoorden. “The only way is up” en “up” staat gelijk aan universiteit. “Droooomen zijn bedrog”, zingt Borsato in mijn bovenkamer. Als ze al niet naar een naburige secundaire school geraken, hoe zouden ze dat al doen voor een universiteit, waar ze bovendien al niet op voorbereid zijn? Als ik aan de directeur vraag waar zijn leerlingen terechtkomen zegt hij: in het familiebedrijfje, bij papa en mama aldus. De kantoorbediende mag de rest van zijn leven de grond omspitten of de werkloosheidsstatistieken de hoogte injagen. Geen wonder dat leerlingen ook al eens naar de grote stad lonken.

 

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

 

Maar zaniken alleen lost het probleem nog niet op natuurlijk. Zouden de ambtenaren van het ministerie niet wat meer een uitnodigingsbrief in de bus van de bedrijfswereld droppen? Een uitnodiging om een koffie te drinken en de hersenen samen te verhitten rond de vragen: welke zijn de economische kansen in het land waar Charles Darwin tot zijn evolutietheorie is gekomen? Welke beroepen zijn (zullen) van belang (worden)? Hoe kan onderwijs leerlingen opleiden tot die beroepen? Welke curricula zijn nodig? En hoe kunnen we bedrijven, scholen en hoger onderwijsinstellingen aansporen om samen het technisch onderwijs te verbeteren?

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

Mijn sympathieke collega’s van VVOB in Ecuador ondersteunen verschillende projecten in die richting. Curricula worden met onze steun door het ministerie van onderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven gemaakt. Maar we dalen ook uit de hoge toren van het ministerie af in de provincies, om samenwerking te stimuleren tussen ministerie, scholen en bedrijven. Leerkrachten uit het technisch landbouwonderwijs verruimen bijvoorbeeld hun horizonten in het landbouwbedrijf Tecnoban. Dit is een bedrijf dat zich bezighoudt met het kweken en oogsten van organische bananen, in de provincie van Santo Domingo de las Tsáchilas overigens. Zo leren de leerkrachten succesvolle technieken om ziektes en pest van de gewassen te voorkomen, wat zij dan weer overbrengen op de jongelui die zich al dan niet enthousiast in de cacao zullen storten. Zo leren die leraars en dus hun leerlingen nog eens iets praktisch, want theorie hangt deze jongeren al snel de keel uit. In een ander project leren leerkrachten en leerlingen van de lasopleiding hoe ze aan TIG-MIG-MAG lassen doen, en ze kunnen daarbij de moderne apparatuur gebruiken van het bedrijf Indura. Geen flauw idee wat dat TIG-MIG-MAG lassen mag betekenen, maar het mag duidelijk zijn dat de school zoiets op eigen houtje niet kan inrichten. Zo komen we tot een win-win. Leerkrachten en leerlingen winnen want ze breken uit hun comfortzone en leren de nieuwste technieken, en kunnen daarvoor met moderne apparatuur aan de slag. De bedrijven winnen, want zij krijgen op termijn mensen die opgeleid zijn volgens hun wensen. Het ministerie wint: leuk voor die ambtenaren en politiekers om op TV en in de gazet mee uit te pakken. VVOB wint: we voelen ons goed en nuttig.

P1010966

Wie wil graag verder studeren in administratie en handel? Niemand…

Zoeken naar een kleuterschool in Kinshasa

Posted on augustus 27, 2015

Ik trippel met mijn glimmende zwarte schoenen van Giorgio door de modder en de plassen tot aan de 2de kleuterklas van mijn stiefdochtertje Choupette. Mira en ik kregen zonet een uitleg van Madame la Directrice. Een gezette en uitbundige mama in haar kleurrijke pagne, de kleuterlerares, lijkt ons aan de borst te willen drukken. Mira en ik slaken een zucht van verlichting. We hebben een kleuterschool gevonden die geen gat brandt in de portemonnee, en de mensen zijn op de koop toe nog eens vriendelijk en enthousiast.

 

Waarom die zucht van verlichting? Wel, omdat een goede en betaalbare kleuterschool vinden vergelijkbaar is met het zoeken van een naald in een hooiberg in Congo’s metropool. Choupette rondde vorig jaar de kaap van vier jaar, en dus zochten Mira en ik een kleuterschool. Het eerste probleem dat opdoemde: waar vinden we een kleuterschool? Alvast niet in de buurt waar Mira woonde, nochtans in het hart van Kinshasa. Dus speurden we in de richting van Gombe, niet toevallig de gemeente waar de ambassades en expatgemeenschappen hun stek hebben. Ik dacht spontaan aan de Belgische school, maar verslik mij in mijn coca cola bij het inschrijvingsgeld: 3000 €. Bij ons in den Belgique is kleuteronderwijs gewoon gratis. 3000 €, dat is ook drie keer het jaarsalaris van een benoemd leraar in Congo. De cola blijft een tijdje in mijn maag gisten, wanneer ik de prijzen van andere internationale scholen (uit nieuwsgierigheid) bekijk. De Amerikaanse school spant de kroon: 10.000 dollar inschrijvingsgeld voor een jaar kleuteronderwijs. Bij de Britten en Fransen en anderen is het geen haar beter. En mochten we dat bedrag al van de spaarrekening halen, dan zou er nog geen plaats zijn.

Alleen al aan het aan- en afrijden van die glimmende bakken aan de schoolpoort zie je dat kleuteronderwijs een pure elitebezigheid is. Slechts 4% van de kleuters in Congo volgen onderwijs

Maar geen nood: de boulevard 30 juin en omgeving in Kinshasa huist ook voldoende “Congolese” privé-kleuterscholen. Daar zakken de prijzen van peperduur naar duur. We stappen het secretariaat binnen van een eerste kleuterschool. Een man wijst naar een beduimeld blad papier aan de muur: 1000 dollar inschrijvingsgeld. Een eerste blik in de klassen maakt duidelijk dat mensen met claustrofobie hier niet hun thuis gaan vinden. Wanneer we de tweede kleuterklas bezoeken openen de hemelsluizen zich. De bewaker aan de deur houdt een grote parasol van het naburig terras boven het hoofd van een lokale popster die haar kinderen komt afleveren, netjes met de dikke 4×4. Alleen al aan het aan- en afrijden van die glimmende bakken aan de schoolpoort zie je dat kleuteronderwijs een pure elitebezigheid is. Slechts 4% van de kleuters in Congo volgen onderwijs. En dat is dan in privé kleuterscholen, of de kleuterscholen van de religieuze strekkingen. De staat moeit zich niet met kleuteronderwijs, uitgezonderd een tax die ze heft op de privé-scholen.

 

Met aangeslagen bril piep ik de kleuterklas van het tweede jaar binnen. Ik tel 60 leerlingen en één lerares met het enthousiasme van de gemiddelde beroepsleerling in de les geschiedenis. Ze staart voor zich uit, haar oogleden wegen, maar de krakende donderslagen hoeden de oogleden voor definitieve sluiting. De kleuters zitten in een veel te klein lokaal zonder verse lucht en een hels kabaal. De leerlingen trekken aan elkaars oren, roepen, wenen, lachen, trekken, duwen, slapen. Materiaal is schaars. Tijdens het halfuur dat ik aan de klasdeur sta te schuilen voor de tropische wolkbreuk lijkt de vrouw een stilleven tegen de achtergrond van een kakafonie. Pedagogisch project? Dag Jan. 1000 dollar? Non, merci bien.

 

En na nog enkele bijzonder gelijkaardige avonturen, belanden we ten langen leste in Bienheureuse Anuarite, nabij de Belgische en Franse scholen. Een gezond varken zou met graagte rollebollen in het modderbad, speelplaats genoemd. Maar de directrice lacht vriendelijk. Ze neemt uitgebreid de tijd om Mira en mezelf te woord te staan. Wat later leidt de directrice ons het kleuterklasje binnen. En de Afrikaanse mama steelt onze harten. “Bonjour papa”, zegt ze wanneer ik wat bedeesd mijn hoofd door het gat steek dat toegang verschaft aan een klein maar kleurrijk en gezellig klasje. De kinderen staan recht en heten me ook welkom. “Bonjour papa”, piept het uit de scherpe kinderkeeltjes. 40 leerlingen in een sardienendoosje, met een kleine opening raam genoemd. Zweet gutst uit mijn poriën, mijn ademhaling is zwaar, Mira leunt tegen een muur en blaast. De infrastructuur is rudimentair, materiaal schaars. Maar de dame gesticuleert, babbelt, vraagt, daagt uit. De kinderen zijn enthousiast en aandachtig. Mijn hoed af voor deze bijzondere vrouw.

 

De juffrouw met een paar van haar kleuters in de kleine klas

De juffrouw met een paar van haar kleuters in de kleine klas

 

We schrijven Choupette in. Alles gebeurt met de hand. Geen rekenmachines, laat staan computers. Het inschrijvingsgeld is 325 dollar, cash op de wankele houten tafel te leggen. Met het geld van de ouders betaalt de school het onderwijzend personeel. Maar het inschrijvingsgeld blijkt niet alles. Er zijn “frais de l’état” (10 dollar). Waarvoor? Joost mag het weten, en ook de school weet het niet. En Mira en ik krijgen een lange lijst van schoolmateriaal onder de neus. Dat moeten we bijeen gaan scharrelen in een speciaalzaak in de wijk Marché. Want “Chinese brol” komt er niet in. De “echte” stylo’s, schriften, mappen, potloden stuwen onze rekening naar 200 dollar. Tenslotte komt er nog 25 dollar bij voor administratieve kosten voor de inschrijving. We hoesten aldus 550 dollar op, meer dan vijf keer het maandloon van de vrolijke, immer enthousiaste lerares vooraan de klas.

 

De uitbundige lerares van Choupette helemaal links. De vriendelijke directrice rechts, met Choupette voor haar (in bolletjeskleed)

De uitbundige lerares van Choupette helemaal links. De vriendelijke directrice rechts, met Choupette voor haar (in bolletjeskleed)

 

Privé onderwijs is voor de elite in Kinshasa, en trouwens haast alleen maar in Kinshasa te vinden. Dus om tot de 4% te horen ben je best bemiddeld, en woon je best in de hoofdstad. Dat is het meteen het probleem met privé onderwijs: hoge kosten en vooral in de stad. Zo krijg je alleen de stedelijke elite in de scholen.

 

Maar naast het hoge inschrijvingsgeld staat ook bereikbaarheid van de kleuterscholen een probleem. Ook zo voor onze Choupette. Deze betaalbare school met zijn enthousiast personeel is niet bij de deur. Om tegen 8:00 op school te staan moet onze flinke kleuter uit de veren om 6:00. Na een ijskoude douche (als er water is) en het eten van een sandwich, wandelt ze met haar oudere nicht van thuis naar Kintambo Magasin, het meest chaotische plein op onze aardkluit. Dat neemt een kwartier. Aan de tankstations van Kintambo Magasin starten de collectieve taxi’s die dagelijks tientallen keren de centrale verkeersader van Kinshasa – Boulevard 30 juin – op en afrijden. Daarna volgt een kwartier gewriemel en geduw om een collectieve taxi in te komen. In Congo heerst de wet van de jungle. Schaars zijn de beleefde mensen die prioriteit verlenen aan kleine kinderen of zwangere vrouwen. Wie niet mee wringt, staat met Sint Juttemis nog miljoenen roetpartikels in de longen te zuigen. Daarna volgt een half uur of een uur in de eeuwigdurende ochtendfiles op de nochtans 8 rijbanen rijke Boulevard 30 juin. En helemaal aan het einde is het nog eens een half uur stappen naar school. ’s middags, als het geschel van de schoolbel uitsterft en die eeuwige gele brandbal zijn UV-stralen afschiet op onze dappere kleuter, wandelt ze een half uur terug naar Boulevard 30 juin, om daar in een ellenlage rij te wachten op een taxi. Ze doet het zonder morren, ze klaagt zelfs niet over school. Het is een welgekomen afwisseling voor een kleuter die anders toch maar thuis zit, te staren naar de gedubte versies van Spaanse telenovelas. Ze heeft een klein kartondoosje speelgoed, er zijn geen parken, een paar speeltuinen wel, maar die zijn alweer grof betalend. Chapeau pour ma Choupette.

 

Andere alternatieven zijn er niet: schoolvervoer is onbestaande. Fietsen zijn schaars in Kin, en je zou al rijp zijn voor een gekkenhuis als je met jouw fiets door deze oorlogszone pedaleert. Een individuele taxi is, niet verwonderlijk, peperduur. Het openbaar vervoer bestaat voornamelijk uit de gevreesde Esprits de la mort, de bestelbusjes die met haken en ogen aan elkaar hangen, vaak lichten ontberen en waar mensen vaak aan de buitenkant hangen, zich vastklampend aan deurhendels en raamkozijnen. Dan toch maar de collectieve taxi. Bij navraag op Choupette’s school, blijken alle kinderen aan school afgezet te worden door hun ouders, die behoren tot de weinigen die zich dat kunnen veroorloven. Geen wonder dat 95% van de Congolese kleuters niet in het kleuteronderwijs zit.

 

De school werpt vruchten af: op een paar maanden tijd gaat Choupette haar Frans er met rasse schreden op vooruit. Daar waar het lingala mij een punthoofd bezorgde, kan ik nu met haar in het Frans converseren. Ze begint ook te tellen. Ze maakt vriendjes. Ik hoop ze nu in België klaar te stomen in het 3de jaar kleuteronderwijs voor het lager (inschrijvingsgeld = 0 euro). Laat ons – Belgen / Vlamingen / Franstaligen – bezinnen hoe blij we mogen zijn met ons kosteloos en dichtbijzijnd onderwijs!

DSC01243

Een ontnuchterende rondreis langs landbouwscholen in Bas-Congo

Posted on augustus 18, 2014

“Adressez-vous d’abord au secretariat” lees ik boven het raampje. Ik ben zonet het directoraat binnengestapt van de technische landbouwschool Nzolo in Kimpese. Een lessenaar staat onder het raam, de vier poten in een hoop bij elkaar geharkte bladeren. Naast de lessenaar staat een antieke fiets. Geen spoor van een secretariaat. We zeggen goedendag tegen de pedagogische begeleider. Hij zit in een rommelig hok met papieren en tekeningen aan de muren. Kalenders prijzen Princess Claire schoonheidsproducten aan, en diensten en producten van de Indische telecommunicatiegigant Airtel en de multinational Beltexco. Er hangt wat rudimentair pedagogisch materiaal, zoals een kaart van Congo gemaakt met steun van het Waals Gewest en een tekening van het spijsverteringsstelsel. In het bureau van de directeur liggen stapels hopeloos verouderd leermateriaal en curricula. Er staan twee typemachines waarvoor men op de antiekmarkt van de Brusselse Marollen geld zou geven.

 

De bureaus van directeur en pedagogisch begeleider doen het ergste vermoeden voor de klaslokalen. De directeur leidt ons rond. Zelfs elementaire zaken als elektriciteit en water liggen niet voor de hand. De directeur legt uit dat een generator regelmatig moet inspringen wanneer de elektriciteit uitvalt. Er is trouwens ook geen water op de school. Leerlingen scheppen water in een rivier verderop. De lokalen mankeren vaak ramen en deuren, zodat tropische regens naar binnen kunnen kletsen. Een golfplaten afdak tovert in combinatie met de loden zon de “stalletjes” in sauna’s om. In sommige klaslokalen zijn de zwarte borden in scherven gebroken. Muren zijn mismeesterd met graffiti en slogans. Het schoolreglement staat met stift op de muur van een klaslokaal gekrabbeld. De witte hemden van de leerlingen steken af tegen de vuile muren. De school beschikt over geen enkele computer. Toch moet het vak ICT gegeven worden. Dat gebeurt dan met de persoonlijke computer van de ICT-leraar. Eén computer voor bijna 200 leerlingen.

 

Meisjes en jongens zitten samen in klassen, maar vrouwen zijn in de minderheid. Op 190 leerlingen zijn er 134 jongens, op 22 leraars 2 vrouwen. En dan stuurt men nog eens zwangere meisjes de laan uit. Tienerzwangerschappen zijn taboe, net als seks. Illustratief daarvoor zijn de knullige potloodtekeningen in het bureau van de pedagogisch begeleider die het leven van man en vrouw uitbeelden, van verloving tot kinderen baren. Een eerste tekening laat een man zien, die een meter naast een vrouw staat met zijn hand op haar rug: de verloving. Op de tweede tekening ligt zijn hand om haar hals, hoewel hij nog steeds onnatuurlijk een meter van haar af staat: de definitieve verbintenis. Het huwelijk wordt uitgebeeld door de derde tekening. De man staat – eindelijk – tegen de vrouw. En de vierde tekening verbeeldt al direct de verloskamer: de geboorte. Wat er gebeurt tussen het huwelijk en de geboorte is taboe: ooievaar, bloemkolen? Nochtans krijgt de directeur op zijn school geregeld te maken met meisjes die zich in fase 4 bevinden, zonder fase 3 doorlopen te hebben. Resultaat: exit van de school en soms ook exit thuis.

In sommige klaslokalen zijn de zwarte borden in scherven gebroken. Muren zijn mismeesterd met graffiti en slogans. Het schoolreglement staat met stift op de muur van een klaslokaal gekrabbeld

Niet veel beter is het in Bolingo, een andere technische landbouwschool rond Kimpese. Elektriciteit? Soms wel, soms niet. Pedagogisch materiaal: veel te weinig. Computers? Geen enkele. Een telefoon? Neen. Maar naast infrastructuur en materiaal is een ander groot probleem het onderwijsniveau van de leraars zelf: 12 van de 21 leraars heeft geen enkele pedagogische opleiding genoten in Bolingo. Vrouwen in het lerarenkorps? Twee. In Nzolo heeft de helft van de leraars nooit een pedagogische opleiding gehad. In de iets beter geëquipeerde technische landbouwschool in de Botanische Tuin in Kisantu: 18 leraars waarvan er 10 geen enkele opleiding hebben genoten. Er is één vrouw. In de landbouwrichting zitten slechts 10% meisjes. Dat is behoorlijk gek als je weet dat 80% van de mensen die actief zijn in de landbouw vrouwen zijn. Vrouwen zijn goed om de ongekwalificeerde handenarbeid te verrichten. Opleidingen die leiden naar kwalificaties en dus meer status en loon zijn mannenterrein.

 

Deze drie landbouwscholen reflecteren de lamentabele situatie van het technisch onderwijs. 90% van de technische scholen beschikt over onvoldoende pedagogisch materiaal om goed les te kunnen geven. Slechts 40% van de leraars in technisch onderwijs heeft een pedagogische opleiding gekregen. De infrastructuur is ondermaats. De verhoudingen tussen meisjes en jongens flink scheefgetrokken. Het onderwijs is ook weinig praktijkgericht en relevant. Laat ons het voorbeeld van ondernemerschap nemen. Dat is net als ICT in mooie curricula gegoten, maar leeft niet in praktijk. In de school in Kisantu maak ik voor de eerste maal kennis met een productie eenheid. Landbouwscholen hebben wat grond, de één meer dan de ander, waarop leerlingen groenten en fruit leren telen. In Kisantu leren leerlingen rijst, maniok en ajuinen verbouwen en fruitbomen planten, in Bolingo appelsienbomen, mangobomen, acacia’s, bananen, avocado en ajuin. De leerlingen verkopen de opbrengsten op de lokale markt, zodat ze het schoolgeld kunnen betalen. Scholen financieren zo zichzelf, geen luxe als je weet dat scholen maximum 50 dollar aan werkingskosten krijgen. En even vaak komt dat geld nooit aan. Het gekke is dat men er niet opkomt om de productie eenheden te gebruiken om ondernemerschap aan te leren. Zo geven die productie eenheden overlevingslandbouw door. Leerlingen leren er niks meer dan wat ze van hun ouders leren: rijst en maniok telen en verkopen op de markt en zo overleven. Het gevolg is dat de productie eenheden ook niet winstgevend zijn.

90% van de technische scholen beschikt over onvoldoende pedagogisch materiaal om goed les te kunnen geven. Slechts 40% van de leraars in technisch onderwijs heeft een pedagogische opleiding gekregen

Het technisch onderwijs staat zo lichtjaren af van de sociaal-economische behoeften van Congo. Het land is virtueel in staat om met zijn landbouw zichzelf en andere Afrikaanse landen te voeden. Maar vandaag moet Congo eten importeren. Wat moet er gebeuren? De productie verhogen door verbeterde teelttechnieken en beter zaaigoed bijvoorbeeld. Meer aandacht besteden aan industriële landbouw en ondernemerschap ook. En daarin speelt ook onderwijs een rol. Maar dan moet ondernemerschap echt gaan leven in de geesten van ambtenaren van het ministerie van onderwijs, van schooldirecteurs, van leraars en uiteraard de leerlingen zelf. En betrek als school diegenen die ondernemerschap het beste kennen: de ondernemers. Pater Charles, directeur en initiatiefnemer van CIVAK bijvoorbeeld, het “Centre d’ Information et de Vulgarisation Agroalimentaire de Kimpese”. Het hoofddoel van dit centrum is om de oogst aan de hand van nieuwe en betere technieken te verwerken tot kwalitatief meer hoogstaande producten. Of Madame Gratitude, directeur van CETRAPAL, een bedrijfje dat landbouwproducten verwerkt en transformeert. Pater Charles en Madame Gratitude hebben wat veel andere Congolezen vooralsnog niet hebben: een ondernemerschapsgeest. Ze denken: we moeten iets meer doen dan alleen maar maniok, of rijst, of groenten planten, oogsten, naar de locale markt versjouwen en verkopen om opnieuw te beginnen. Waarom geen bier maken, of Kambucha thee, fruitsap, confituur, of gedroogde gember? Waarom niet zoeken naar een meerwaarde voor producten? Je kan dan meer verdienen en je bedrijfje laten groeien. Meer werkgelegenheid, meer inkomsten voor de lokale gemeenschappen, meer kansen voor vrouwen. Dus: waar wacht het onderwijs op? De kwaliteit van infrastructuur moet naar omhoog, leraars gevormd, materiaal ter beschikking gesteld. Het landbouwonderwijs moet meer meisjes aantrekken (Madame Gratitude is een landbouwkundige bijvoorbeeld). En aan het onderwijs om ondernemerschap mee te ondersteunen en de fundamenten te leggen van Congo als “graanschuur van Afrika”. Mijn organisatie VVOB werkt daaraan graag mee, maar daarover schrijf ik eens een apart blogartikel.

Technische landbouwschool van Nzolo in de provincie Bas-Congo

Technische landbouwschool van Nzolo in de provincie Bas-Congo

Landbouwschool van Nzolo: zelfs elementaire materiaal als schoolborden is niet evident

Landbouwschool van Nzolo: zelfs elementaire materiaal als schoolborden is niet evident

Adressez-vous d'abord au secretariat...

Adressez-vous d’abord au secretariat…

Madame Gratitude in haar “bedrijfsomgeving”

DSC00105

Leerlingen veeartsenij in de landbouwschool van Bolingo, provincie Bas-Congo

Het gekkenhuis van Boca Juniors

Posted on juni 4, 2014

Ik stap uit een bestelbusje in een grimmige achterbuurt van Buenos Aires. Voor mij loopt een schriel mannetje met onhandelbare haargroei. Hij kijkt schichtig om zich heen. Hij is mijn gids. Zenuwachtiger als mezelf stel ik vast. Ons gezelschap bestaat uit twee Noorse vijftigers met zoon en dochter en een bedeesd koppeltje uit Rotterdam. We lopen tussen rijen robocops met waterkanonnen, wapenstokken en rubberkogels. In deze grauwe achterbuurt van Buenos Aires komt een gekkenhuis op bezoek: La Doce, de twaalfde man van de beruchtste Argentijnse club aller tijden: Boca Juniors. De fans springen en zingen van uren voor de match tot lang na het einde. Door het springen symboliseren ze het kloppend hart van Boca. “Passie uitstralen por favor”. Onze gids deed het even voor, hij balde zijn vuist, ramde zo bijna een gat in het dak en riep Booooocaaaaaa, te quiero, te quierooooo! De Noorse vijftigers keken schaapachtig. Het Rotterdamse meisje – smal en rood – kijkt bang.

 

Drie uur voor de aftrap banen we ons een weg door een op- en neerverende mensenzee. Het voelt claustrofobisch en broeierig. Ik denk aan de rampen van de Heizel en Sheffield. Beneden spuit de brandweer water over de hoofden. Dan opent de massa zich als de zee voor Mozes. Gejuich stijgt op. Een fanfare marcheert binnen. Daarachter lopen mannen die spandoeken en vlaggen torsen. En daarachter krioelen, trekken en duwen supporters. Sommigen worden wild tegen de muren gekatapulteerd. Die razende meute loopt onder een erehaag van honderden gebalde vuisten die op en neer gaan. “Boca, Boca, Boca”. Een eresaluut voor de barra brava, de ultra’s. Tijdens matchen zorgen zij voor de ambiance en voor het creëren van het gezellige “wij-zijn-Boca-en-de-rest-zijn-hoerenzonen” sfeertje. Zij vervaardigen en dragen de relikwieën van de club: vlaggen en spandoeken. Ze verkopen tickets door aan woekerprijzen, troggelen geld af voor parkeerplaatsen en verpatsen drugs in het stadion. En dan zegt men dat de barra brava ook een procentje mee pikt in de merchandising en de verkoop van spelers. Door de week verdienen ze hun boterham als bodyguard, taxichauffeur of vechtersbaas voor politici.

 

Nu de bad boys van de barra brava hun weg banen door La Doce wordt het onbehaaglijk drummen. Mijn hemd zuigt het zweet van de hooligans voor en naast mij op. Mijn haar is nat van het speeksel van mijn fulminerende achterbuur. Pauken bonken op tamboeren. Fans tillen een neanderthaler naar omhoog. Mijn haar waait omhoog wanneer hij brult. Dit is één van de orkestmeesters van de barra brava. De orkestmeesters klimmen op in de hiërarchie na bloederige ontgroeningstaferelen. In een krant las ik hoe een toekomstige leider met een truitje van Boca door een Boca wijk liep en aangevallen wordt door een razende Boca meute. Daarbij proberen ze het truitje van de nieuweling af te pakken. Hoe langer hij er in slaagt om dat truitje aan zijn lijf te houden hoe hoger zijn status. Zij onderhouden contacten met clubs, politici en politie. Zij laten jongeren de vuile jobs doen. Die jongeren kijken naar hen op, meer nog dan naar de spelers. Die wisselen immers van club. Jongeren uit sloppenwijken vinden er geld, gekoppeld aan status en imago. Ze zijn een lid van de barra brava, geen anonieme nummer in een sloppenwijk. Onder impuls van de neanderthaler beweegt de massa van links naar rechts en omgekeerd. Het Hollands meisje hapt paniekerig naar adem.

De fans springen en zingen van uren voor de match tot lang na het einde. Door het springen symboliseren ze het kloppend hart van Boca.

Aan de andere kant razen de San Lorenzo supporters hun getralied hok binnen. “Hijos nuestros, hijos nuestros” stijgt uit duizenden kelen op. Op een spandoek staat in het Spaans “als onze kinderen zijn jullie geboren en als onze kinderen zullen jullie sterven”. Volgens de Argentijnse journalist Eduardo Archetti “ontmannen” hooligans elkaar symbolisch. Door de vijandelijke hooligans “onze zonen” te noemen, duwt men ze in de rol van kinderen. De zoon onderwerpt zich aan het gezag van de vader. Het werkwoord neuken hoort ook tot het vocabularium van de fans: “Boca mijn leven is één en al vreugde, wij zijn de grootste van Argentinië, neuk racing en de kiekens, neuk de cuevos en de politie”. Waarbij gallinas en cuevos verwijzen naar de fans van River Plate en San Lorenzo. Merkwaardig is dat de hooligans andere venten langs achter naaien, maar dat ze toch de échte mannen zijn. De slachtoffers zijn de mietjes en homoseksuelen, diegenen die hun mannelijkheid niet hoog houden. Vrouwen zijn zeldzaam in La Doce. Naast mij staat een krijsende pannenlat. Op haar linkerborst staat Boca getatoeëerd en op de andere Juniors.

P1000116

Het gezellige sfeertje: “hijos de puta, hijos de puta”

De spelers lopen het terrein op. Gebrul, voetzoekers, rookgordijnen. WC-rollen vliegen in slierten naar beneden. Als een zee bij springtij rolt een vlag over de spionkop: “Jugador N°12”. Vlak voor rust scoort Boca. GOOOOOAAAAAAAAAL. De fans springen op elkaar. Anderen hangen als primaten op het meterhoge traliewerk, kont achteruit, oogbollen uit de kassen. Het Hollands meisje raakt geplet tussen zwaargewichten. Nog smaller en roder dan ervoor, wil ze nu huiswaarts, net als de Noorse ouders. In de 2de helft brengt een flater van de keeper van Boca rust in de spionkop. Hij laat een schot door de handen glippen: 1-1. Ongeloof in de blikken, handen in de nek. Het meisje naast mij is gestopt met tieren. Tranen staan in de ogen. Een holenmens mompelt “boca, te quiero”. De fans van San Lorenzo zijn hoorbaar: “Hijos de puta, hijos de puta”. De neanderthaler schuimbekt en schreeuwt. Minuut 75: doelpunt Boca. De Noorse spriet springt in de armen van een vetpens. Goed dat haar ouders het toneel verlaten hadden. De tikker van deze kranige zestigers was al voldoende op de proef gesteld. Mijn buurvrouw kust de neanderthaler naast haar. In de toegevoegde tijd schiet Boca nog een keer de bal voorbij de doelman van San Lorenzo. We gaan naar een delirium. Na het laatste fluitsignaal gaan we naar huis. Bestelbusjes, scooters, auto’s, fietsen en brommers razen toeterend voorbij, bestuurd door Boca gekken. Vlaggen wapperen op gevels. De Boca fans verzamelen op een centraal plein voor een nachtfeest. Voor mij is het bezoekuur aan dit gekkenhuis afgelopen. Ik ga slapen.

 

Ter illustratie van “Als een zee bij springtij rolt een vlag over de spionkop: “Jugador N°12”. Filmpje op You Tube over La Doce (auteur: Aníbal Díaz):

 

Madame Gratitude

Posted on mei 5, 2014

High-res version

Her name is Gratitude and she lives and works in Bas-Congo, a neighbouring province of Kinshasa in DR Congo. Six years ago she started her own microenterprise CETRAPAL – Centre for the Transformation of Local Food Products – on the basis of a very simple idea: turning unharvested fruit like mango, oranges and passion fruit into quality juices, while using honey as a sweetener and using maize in beer. So she creates an added-value to the raw materials of the fertile Congolese soils. As such she transcends a life of subsistance farming that consists of sowing and producing manioc, rice and vegetables for survival and selling small amounts on the local market.

 

This enthusiastic woman studied food processing technology at the Kongo University campus in Kisantu. She actually employs a score of women to clean, cut, bottle and sterilize the fruit. She wants to stimulate the start-up of small transformation companies in other villages of Bas-Congo as well. For the moment she caters for the city of Kisantu, but her ambition is to produce and reach the market of Kinshasa, and why not, the world-wide market outside Congo. The sky is the limit.  Gratitude is a kind of person that Congo really needs: an educated female entrepreneur with a long-term vision, with innovative but very simple and realistic ideas. Gratitude believes in the power of education too: she opens her company for internships for students of neighbouring technical agricultural schools and acts as a role model in these schools. As such we may hope with her that new enthusiastic female entrepreneurs will follow in her pioneering footsteps. And yes, the products of the “terroir de Kisantu” taste delicious, like the Kombucha juice that I personaly qualify “best of the world”. Resignation becomes hope in this small company in a remote corner of the Congolese countryside. Thumbs and heads up.

De gescheiden kleuren van de regenboog

Posted on april 6, 2014

Leuk hoe “Die Mystic Boer” zich profileert als progressief en multicultureel. Pop art van Nelson Mandela en lichtportretten van witte trekboeren hangen samen aan de muur. “Die Mystic” is een café in Bloemfontein en een heus begrip. Een zwarte vrouw slaat haar armen om de hals van een blanke aan de toog. Een teken van hoop: een interraciale en openbare kus volgt. Een dubbele middenvinger naar apartheid en preutsheid. Charmant is het, hoe in het (mannen)toilet de muren rond de langwerpige pisbak behangen zijn met gelige naaktfoto’s van blonde schonen. Met dat progressieve zit het wel snor. Zo heeft de Mystic geen al te beste naam bij de conservatievere goegemeente van Bloem. Maar iets anders is dat multiculturele. Hoewel de tortelduifjes aan de toog zich verdrinken in elkaars ogen vind ik Die Mystic toch vooral blank. De alternatieve Zuid-Afrikaanse muziekscène – hip hop, punk, rock en Indie – is niet veel multicultureler dan het Spar Bierfest. Voor dat laatste zag ik aankondigingen in het straatbeeld van Bloemfontein: “Bavarian Brauhaus!” “Gorgeous fraulein!”, “Oompah Band!”, “Bratwurst!”, “Lederhosen!”. Het volk dat ik zie in de Mystic en de rondborstige Zuid-Afrikaanse Heidis zijn zo wit als de schuimkraag op de halve liters bier die over de togen schuiven. Niet dat dit eigen is aan Die Mystic. Ik bezocht eerder Hatfield Square in Pretoria. Stroboscopen draaiden, Icona Pop zong “I don’t care, I love it” en blanken en zwarten gooiden shooters als Black Bitch, Shit in the Woods en G-spot achter hun huig. Maar ze zaten op aparte terrassen, gescheiden door een ijzeren gordijn in hoofden en harten, ook 20 jaar na de afschaffing van de Apartheid.

 

De Lonely Planet waarin de Mystic staat te blinken is optimistischer: “de kleuren van de Zuid-Afrikaanse regenboog vermengen zich meer en meer”. Ik wil geen uitspraken doen voor gans Zuid-Afrika, maar in Bloemfontein en Pretoria zie ik maar weinig vermenging. Ik rijd met een collega een compound binnen, waar hij woonde. Met de auto. Het openbaar vervoer is “voor nie-blankes”. Een compound is een kruising van een begijnhof en een zoo. Dezelfde huisjes met identieke kleuren en tuintjes, en met de levendigheid van Plopsaland om 4 uur ’s nachts. De “good evening” van de bewaking sterft uit, wat later ook het geratel van de bareel. Stilte. Gerammel van schuivende hekkens en pieppiep geluid van bewakingscodes. Stilte. Lege straten. Geen puffende rood aangelopen gezichten van joggers die er calorieën af proberen krijgen. Geen hond die een drol draait. Geen cafeetje waar stamgasten roddelen over God en klein pierke. Een zoo met kooien waar homo sapiens slapen, naar hun lichtbak gapen en af en toe een paar kilo biefstuk op hun braai leggen. Binnen deze compound is er op 22 gezinnen één zwart. De zwarten leven in meerderheid in de township aan de rand van Pretoria.

Stroboscopen draaiden, Icona Pop zong “I don’t care, I love it” en blanken en zwarten gooiden shooters als Black Bitch, Shit in the Woods en G-spot achter hun huig. Maar ze zaten op aparte terrassen, gescheiden door een ijzeren gordijn in hoofden en harten, ook 20 jaar na de afschaffing van de Apartheid.

Vinden we die regenboog in de sport dan? In België timmeren hooligans elkaar in het weekend op de bek, maar ze brullen wel broederlijk de multiculturele Rode Duivels richting Brazilië. Niet zo hier. Rugby is “blank”. Op de luchthaven zie ik een rugbymatch van Zuid-Afrika tegen Australië. Vijf blanke mannen veren op en neer op hun barkruk en draaien er mee rond alsof ze op een op hol geslagen paardenmolen zitten. Ogen rollen uit de kassen, speeksel vliegt in het rond, vuisten bonken op de toog. Ook de ogen van de zwarte barman rollen uit de kassen, maar dan richting de decolleté van een Barbie op slagersmessen van stiletto’s. Een zwarte ober hangt onderuit gezakt op een barkruk. Hij kijkt sullig als Droopy wanneer de blanken juichen en elkaar omhelzen. Omgekeerd is het met voetbal. Ik zie op TV een match tussen Kaizer Chiefs en Orlando Pirates. Twee zwarte ploegen aangemoedigd door zwarte op vuvuzela’s toeterende toeschouwers. Neen, een Zuid-Afrikaanse remake van de Rode Duivels zit er nog niet in.

 

Voetbalreligie doet het niet. Gewone religie evenmin. “Aanvaard Jezus Christus als redder!”, tiert een zwarte priester van op TV mijn slaapkamer in. De camera zwiert de ruimte in. Daar zingen, springen en swingen uitzinnige fans van het lam Gods. Zwart van het volk, letterlijk en figuurlijk. Blanken luisteren elders naar dezelfde blijde Boodschap, zo blijkt wanneer ik een kanaal verder zap. “Het koninkrijk der hemelen is nabij”. Euforie op honderden driftig knikkende witte gezichtjes. Zelfs in het huis van God leven christenen van verschillende kleuren apart.

De “good evening” van de bewaking sterft uit, wat later ook het geratel van de bareel. Stilte. Gerammel van schuivende hekkens en pieppiep geluid van bewakingscodes. Stilte. Lege straten.

Vinden we die regenboog dan echt nergens? In de blinkende tempel van het consumentisme: de shopping mall. In malls in Bloemfontein en Pretoria stapelen zwarten en blanken van dezelfde middenklasse hun karren zo vol alsof het einde der tijden in zicht is. Manlief gaapt naar een smartphone, vrouwlief schuift de kredietkaart door het betaalbakje van een flashy klerenwinkel. Zwarten en blanken verslinden sushi met stokjes en hoeveelheden vlees als een familie leeuwen in het Kruger park. Neem de populaire keten van Spur Steak Ranch. Blanken en zwarten verorberen calorie atoombommen zoals de Warrior Combo: 200 gr ribbetjes, 200 gr lamskoteletjes, een kwart kip en een braadworst. Groentjes? Jazeker! Gefrituurde uienringen! En vergeet het ontbijt niet! Terwijl je een halve kilo vlees richting spijsverteringsstelsel duwt lees je over het “unreal breakfast for a sunny start of the day”: frieten, steak, twee spiegeleieren, lagen spek, twee worsten, in boter gebakken champignons en toast met boter en confituur. Diegenen wiens maag nog niet in staking is gegaan, kunnen er kippenlevers en Weense worst bijnemen. Maar ook in upmarket aangelegenheden als Kream Restaurant in Pretoria vind je zwart en blank. Gladde mannen in kostuum van Armani of Boss, wolken zware aftershave die de fijne haartjes van de neusholte verschroeien, elleboog op de toog, whiskey on the rocks in de hand, Zwitserse horloge aan de pols. Vrouwen in mantelpak of glitterkledij, paarlemoer rond de nek, koket nippend aan een kir royale. En zoals in de compound, het voetbalstadion en het huis van God lijkt ook hier de ruimte verdeeld volgens ras. In Bloemfontein en Pretoria hangen vooralsnog zwarte en witte wolken voor de regenboog.

Het leven zoals het is: een beroepsschool in de township van Thaba Nchu

Posted on april 6, 2014

Geen toerist te zien op de autosnelweg tussen Bloemfontein en Lesotho. Ik ben op weg naar Motheo College, dat beroepsopleidingen aanbiedt in de township van Thaba Nchu. Een pijl wijst plots naar links. Het grijze biljartvlak verandert in een gravelweg met rond waaiende plastiekzakken. Woestijnwind waait rommel op hoopjes, kleine vuilnisbeltjes waarin mensen krabbelen. Ik zie geen landbouwers, wel kleine kuddes koeien en geiten. Aan de afslag naar Thaba Nchu hangen koeienvellen aan een prikkeldraad. Armoedige sloppen duiken op. Thaba Nchu was deel van een “thuisland” voor zwarten tijdens de Apartheid. Het Apartheidsregime gaf hen “zelfbeschikkingsrecht”: hun eigen cultuur beleven, zelf hun toekomst in handen nemen. Met menslievendheid had het weinig te maken. In het thuisland verloren zwarten het Zuid-Afrikaans burgerschap en stemrecht. Hocus pocus: Zuid-Afrika weer zo wit als de Melkweg. Het thuisland was een overbevolkt Alcatraz zonder economisch perspectief. De economie draaide op een casino en ook topless shows lieten de kassa rinkelen. Witte Zuid-Afrikanen sjeesden met dollartekens en borsten in de ogen het wegdek strijkplat richting het thuisland. Want gokken en bloot waren in conservatief Zuid-Afrika verboden.

 

In het hoofdgebouw van Motheo College geeft de directeur mij een hand. Ik luister naar een terugkerend verhaal over beroepsonderwijs. Enigszins positief bekeken is beroepsonderwijs het laatste vangnet voor kwetsbare jongeren vooraleer ze een anonieme nummer worden tussen de 2,5 miljoen werkloze jongeren van 18 tot 24 jaar. Jongeren die met leerachterstand kampen, vaak amper kunnen lezen, schrijven of rekenen. Negatief bekeken is beroepsonderwijs bezigheidstherapie: er is geen werk, waarom dan leerlingen hun broek laten slijten op gammele schoolbanken? Als er al een werkgever is, dan zoekt die bij voorkeur mensen zonder diploma. Brave lieden gaan dan mango’s, bananen of sigaretten verkopen. Durvers slijten drugs of roven af en toe eens de winkel van brave lieden leeg.

Enigszins positief bekeken is beroepsonderwijs het laatste vangnet voor kwetsbare jongeren vooraleer ze een anonieme nummer worden tussen de 2,5 miljoen werkloze jongeren van 18 tot 24 jaar. Jongeren die met leerachterstand kampen, vaak amper kunnen lezen, schrijven of rekenen.

Infrastructuur is te krap, materiaal is er te weinig. De township groeit aan. Praktijklokalen vormt de school om tot leslokalen. Stoelen en lessenaars staan tussen las- en houtsnijmachines. De directeur klinkt somber. Drie zwarte leraars knikken. “Deze mannen zijn tegen de pensioensleeftijd aan. Wie zal die gasten nog lesgeven?”. Een vraag die ik ook in andere landen hoorde. Goede leraars zijn schaars goed voor het beroepsonderwijs. Soms komen pas afgestudeerde jongeren uit beroepsonderwijs voor een klas terecht. Omgaan met jongeren en lesgeven zijn voor hen zo vreemd als voor Lionel Messi, wiens naam hier prijkt op de afgebleekte namaaktruitjes van FC Barcelona. Sommige van die leraars worstelen zelf met lezen, schrijven en rekenen. Soms waaien “afdankertjes” uit de industrie de deur van de beroepsschool binnen. De werkloosheidsval klapt open en dan is leraarschap in het beroepsonderwijs één van de weinige opties. Een laatste rekruteringscategorie zijn hooggeschoolden die geen job vinden. Ze hebben jaren zweet gelaten over dikke boeken en gezwoegd op een masterthesis. Die begeven zich met tegenzin en knikkende knieën over de drempel van de beroepsschool. Daar wacht het leger aan jongeren wiens wieg op deze verkeerde plek van de aardkluit stond: kwetsbare jongeren, gekneusde ego’s, opstandige lastpakken. Hoe ga je in ’s godsnaam om met zo’n kansarme bende? En hoe moeten ze dat doen, lesgeven?

Negatief bekeken is beroepsonderwijs bezigheidstherapie: er is geen werk, waarom dan leerlingen hun broek laten slijten op gammele schoolbanken? Als er al een werkgever is, dan zoekt die bij voorkeur mensen zonder diploma. Brave lieden gaan dan mango’s, bananen of sigaretten verkopen. Durvers slijten drugs of roven af en toe eens de winkel van brave lieden leeg.

 

Zuid-Afrika is geen uitzondering. De opleiding van leraars in beroepsonderwijs is een kneusje in veel landen. In ontwikkelingslanden investeren overheden en hun donoren liever in infrastructuurprojecten, de aanschaf van nieuw materiaal en het uitdenken van vaak onuitvoerbare papieren hervormingen. Laat de stapels papier die wetenschappers volpennen aantonen dat het de leraars zijn die de belangrijkste rol spelen in het verbeteren van leerresultaten en het welbevinden van leerlingen. Waarom vergeet men die dan? Te moeilijk? Want dan moet je werken aan de status van de leraar, betere arbeidsvoorwaarden creëren, een deftig loon voorzien. Je moet zorgen voor kwaliteitsvolle opleidingen en bijscholingen. En daarvoor heb je instellingen nodig die leraars kunnen opleiden. En dus moet je ook leraars hebben voor die lerarenopleidingen, en curricula. En dat duurt al gauw zijn tijd. En heel zichtbaar is het ook al niet. Dan zijn een nieuw gebouw of computers met jongeren voor het scherm toch meer sexy. Nu is er in Zuid-Afrika de wil om te werken aan betere professionalisering van leraars beroepsonderwijs. Ze starten een diploma voor lectoren in hun beroepsscholen op. Geen garantie op succes, maar toch een positief signaal: “Leerlingen in het beroepsonderwijs zijn belangrijk genoeg om goede leraars te hebben”. P1010590
Beroepsonderwijs sleept verder zijn negatief imago mee. Werken “met de handen” staat lager aangeschreven dan “werken met het hoofd”. Volgens de directeur willen jongeren liever dokter of advocaat worden. Veel aanzien en poen. Nochtans is er nood aan vakmensen en ondernemers. “Met dokters en advocaten kan je de straat beleggen, ze komen niet aan de bak”, grijnst de directeur. Maar anderzijds is er maar weinig arbeidsmarkt dat wacht op gekwalificeerde werklui. De economie is informele plantrekkerij: kleine prullen verkopen. Daarvoor heb je geen diploma nodig. Op mijn vraag wat er van de leerlingen wordt is hij schrikbarend anekdotisch: “Ach, er zijn hier twee leraars die leerlingen waren”. Hij pijnigt zijn hersencellen: ja, hij kent een ex-leerling die een bouwbedrijf uit de grond stampte en nu rond rijdt in zijn blinkende zwarte Mercedes. Maar dat blijkt een drop out te zijn uit de school. Probleem is dat er geen industrie is. De economie moet van onder uit opgebouwd te worden. Innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen die kunnen zorgen voor arbeidsplaatsen en inkomensverwerving. De huidige ondernemingen zijn in handen van Chinezen, Pakistanen, Somaliërs, Nigerianen en Ethiopiërs. “Ze starten winkels op en sturen het geld naar het eigen land. Ze dragen niks bij aan de lokale economie”, zucht de directeur. “Chinezen worden door de Chinese staat gesubsidieerd om in Zuid-Afrika te wonen. Nigerianen palmen huizen in van Zuid-Afrikanen, zoals van een vrouwtje die een kruidenierszaak open hield”. Een blanke directeur en zijn zwarte leraars vinden elkaar in hun afkeuren tegenover Chinezen en andere Afrikanen. Tegelijkertijd vindt hij dat de Zuid-Afrikanen van de Chinezen “ondernemerschap” kunnen leren. Zuid-Afrikanen moeten wat meer Chinees worden, knipoog, gelach in het lokaal.

Herinneringen aan de vrienden van Hama

Posted on april 5, 2014

Hoe is het nog met jou, Abdullah? Wanneer je thee liet aanrukken in Riad Hotel stond er een theeglaasje teveel op het dienblad. “Altijd klaar staan voor het geval er een mooi meisje opduikt”, verklaarde je. De volgende dag schreed er een jonge Australische in strak rood kleed jouw lange en krakende trap op. “Welcome in Riad Hotel”, zei je met een grijns van Syrië tot Papoea Nieuw-Guinea. In een fractie van een seconde toverde je een dienblad met – wonder boven wonder – drie theeglaasjes op de toog. Met een knipoog in mijn richting mikte je van een meter hoog de thee de drie onooglijk kleine glaasjes in. Op jouw gezicht staat “zie je nu” te lezen. Je neuriede “Lady in red”. Je hield van theater spelen.

 

Mijn mama die je zo graag jende, bijvoorbeeld wanneer ze geen WC-papier had op de kamer: “Gebruik dan maar de gordijnen, of de kussensloop”. Op een dood moment in een vroege avond vroeg je me jouw hotel over te nemen. Hilarisch was het, de verbaasde gezichtjes van vier Spaanse backpacksters aan wie ik mij presenteerde als Abdullah. Eén ervan checkte de Lonely Planet. Ik zie ze kijken: “jawel, de manager heet Abdullah”. En ik zie ze denken: “die gast ziet er nochtans niet uit alsof hij Abdullah heet”. Ik knipte met mijn vinger en jij kwam plechtig de thee binnenbrengen. Jouw ogen twinkelden, net als de mijne. Je hield ervan mensen voor de gek te houden.

foto57

Abdullah, de sympathieke manager van Riad Hotel

En nu ik aan Abdullah denk, komt ook Mohammed me weer voor de geest. Hoe is het nog met jou, Mohammed? Jij, de sleutelbewaarder van het bizarre Qasr Ibn Wardan, 80 km buiten Hama. Volgens de Lonely Planet moesten we naar jou vragen in het dorp. Want jij alleen had de sleutel tot dit paleis of kasteel, met kerk. Byzantijns, naar verluidt, 1.500 jaar oud. Men heeft nog altijd geen idee wat keizer Justinianus vanuit Constantinopel bezielde om een chique paleis neer te poten in een lege steenwoestijn, ver weg van de bewoonde wereld. Er is nooit sprake geweest van een dorp hier. Ook vandaag in de hypergeavanceerde 21ste eeuw leven er bedoeïenen in hun bruine tenten. Ze hoeden schapen en geiten.

 

We hoefden jou niet te zoeken. Je zat aan jouw tafeltje, muntthee pruttelde alweer een glaasje in. Naast het tafeltje stond een rode motor. Daarop scheurde je af en aan tussen Qasr Ibn Wardan en jouw huis, een stofwolk achterlatend in dit landschap van hardgebakken aarde. Ik zie jouw rode Arafatsjaal en witte kleed al wapperen in de wind. Een vriendelijke man was je, een gids echter niet. Je wist niet veel te vertellen over het bouwsel. We mochten er in rondlopen, ook al zat het vol met verraderlijke putten en kon je in een onbedachtzaam moment te pletter storten van de 2de verdieping op een eeuwenoude Byzantijnse vloer.

Mohammed, sleutelbewaarder van Qasr Ibn Wardan

Mohammed, sleutelbewaarder van Qasr Ibn Wardan

En nu ik aan Abdullah en Mohammed denk: hoe is het nog met jullie, de nette en sympathieke jongens die met thee en waterpijp aan en af draafden in het chique restaurant tegenover de eeuwenoude waterraderen? De charmante mannen met das die gewillig op de foto wilden met mijn mama? De An-Nuri moskee was gehuld in de gelige kleuren van de straatverlichting, het groene schijnsel van de toren weerspiegelde zich in het roerloze water.

De jongens van het restaurant tegenover de eeuwenoude waterraderen van Hama

De jongens van het restaurant tegenover de eeuwenoude waterraderen van Hama

Muntthee, waterpijp. Ik ben de falafel nog vergeten. Hoe zit het met jullie, jongens van de pittabar in het dorpje Serjilla? Geen pittakot in heel België dat kan tippen aan jullie falafels. Een rijtje vers gemaakte falafelballetjes, verse tomaten, een laagje verse koriander, een laagje verse munt. Geen vetbom waarbij een dikke saus de smaakpapillen verlamt, maar een falafelbroodje met een delicate en aromatische smaak, een pitta voor de fijnproevers.

Falafelmakers van Serjilla

Falafelmakers van Serjilla

En je kan vandaag alleen maar denken: hoe is het mogelijk dat dit romantische, gezellige oude stadje en zijn omgeving met zijn vriendelijke bewoners het toneel was (en opnieuw zou zijn) van barbaarsheid die bij geen ander zoogdier aanwezig is dan bij de naakte aap. Frustraties sluimeren al vijftig jaar in dit tegendraadse stadje, en soms laait het vuur op. Maar dat zie je als toerist niet. De huidige revolutie is mede in Hama begonnen. Een half miljoen mensen stapten door de straten begin 2011, de grootste anti-Assad betoging ooit. Leger en politie reageerden met verdwijningen, arrestaties en geweld. Sedertdien hebben rebellen Hama aangevallen, daarna vlogen bommen en granaten van Assad’s troepen rond de oren van de inwoners van Hama. En dan is er nog af en toe eens een gek die zichzelf opblaast en denkt dat hij daarmee God een plezier doet. Duizenden mensen zijn Hama intussen ontvlucht. Nog eens duizenden zijn gedood.

 

En dan denk ik: hoe is het met jullie allemaal, vrienden? Anderhalf jaar voor de revolutie zag alles er zo peis en vree uit. Zet je nog een extra theeglaasje, Abdullah? Mooie vrouwen zal je in jouw lobby niet meer zien verschijnen, als er nog een hotel is. Geen “mum” meer om tegen te zeggen dat ze bij toiletbezoek de gordijnen moet gebruiken. En jij, Mohammed de sleutelbewaarder van Qasr Ibn Wardan? Waar ben jij, wat doe je? Zelfs de Byzantijnen die leefden in het Qasr Ibn Wardan en wel wat bloedgespetter gewoon waren, zouden duizelen van de honderdduizenden die de afgelopen twee jaar gesneuveld zijn in het kleine charmante maar explosieve Syrië. En jullie, falafelmakers? Maken jullie nog altijd de lekkerste falafel ter wereld? Ik zag de puinhopen en huilende mensen in jullie dorp op Youtube. Ik kende jullie allemaal maar oppervlakkig. Maar we hebben samen gelachen en gepraat. Genoeg om concrete gezichten te plakken op de horror van Syrië. Ik duim voor jullie, voor wat het waard is.

De oude man van Hama

Posted on april 5, 2014

“De noria’s van Hama kleurden rood van bloed”, zei je. Je droeg een stofjas en een muts op het hoofd. Je keek me in de ogen. Ik ontmoette jou in een cafeetje, munttheetjes stonden op een plastieken tafeltje. Spreken gebeurde op gedempte toon, af en toe onderbroken door het geklingel van het lepeltje in de theeglaasjes. Suiker danste rond en maakte de thee troebel, in tegenstelling tot jouw ogen die kwiek voor zich uit keken. Je vertelde over tanks die huizen aan flarden schoten, vliegtuigen die bommentapijten braakten, bulldozers die een stad tot een lege steenwoestijn transformeerden. 25.000 doden.

img557

De oude man van Hama

 

Ik vroeg mij af of je overdreef. Eén van jouw eigen kinderen droeg je ten grave. Even keek je in het oneindige, alsof je jouw kleine jongetje zag rondhuppelen in het paradijs. Je stelde jezelf in het Frans aan ons voor en toen zaten we in dat duister steegje te luisteren naar jouw verhaal. Een ventilateur speelde met de blonde haren van Valerie, een vreemd zicht in dat donkere hol, waar alleen mannen thuis waren, zonder Stella, maar met dampende waterpijp en geurige muntthee. Het was er stil, een fluisterspel met mannen met snorren. Af en toe mompelde je een Salaam Aleikum wanneer iemand anders over de drempel van het café kwam.

 

Het was 1999 en we bevonden ons in Hama, een stadje met een charmant centrum. We lazen in de Lonely Planet dat het bekend was om zijn eeuwenoude waterraderen, de noria’s, die water schepten uit de lager gelegen Orontes voor de irrigatie van velden en tuinen. ’s Avonds een hapje eten met zicht op de geelverlichte noria’s en de An-Nuri moskee is voor mij één van de toppunten van gezelligheid.

 

Je vertelde over tanks die huizen aan flarden schoten, vliegtuigen die bommentapijten braakten, bulldozers die een stad tot een lege steenwoestijn transformeerden. 25.000 doden

Je sprak de naam van Hafez-al-Assad niet uit. Toch wist ik dat hij het was op wie je jouw pijlen richtte. Je was de slachting van 1982 niet vergeten. 17 jaar geleden maar fris in het geheugen. Tot mijn schaamte wist ik toen niet waarover je praatte. Een verhaal dat in het Westen nooit weerklank kreeg. Amnesty International bevestigde jouw versie: in Hama vond een ongeziene slachting plaats: 25.000 doden. De Arabische lente vandaag is geen nieuws in Syrië, alleen waren er in het verleden geen sociale media. In 1964 kwam de soennitische meerderheid in Hama al in opstand tegen de door Alawieten beheerste minderheid van het socialistische Baath regime van de Assads, met honderd doden als gevolg. Het begin van een opstand die zijn gruwelijk hoogtepunt zou kennen in 1982. De moslimbroeders hadden Hama “bevrijd”. De reactie van Assad was buitensporig geweld. Alle ingrediënten voor een cocktail aan oeverloos geweld waren al aanwezig. Een maffe, zelfingenomen dictator. Moslimbroeders die terroristische aanslagen plegen. De haat tussen soennieten, sjiieten, alawieten en christenen. In 2014 weten we trouwens dat 1982 geen echt hoogtepunt was, maar slechts een waarschuwende kleinere vulkaanuitbarsting voor de totale eruptie van vandaag.

An-Nuri Moskee

De eeuwenoude noria’s en de An-Nuri Moskee in betere tijden: toppunt van gezelligheid

 

Vandaag, beste opa, blijft je soms door mijn geheugen spoken als ik het verwoeste Syrië zie. Ik heb een foto van jou, dat helpt. Vandaag legt Bashar Hama opnieuw in de as. Nieuwe bommenladingen laten vers bloed spuiten uit de ongeheelde littekens van 30 jaar gelden. Nog rauwer, nog driester, met (voorlopig) vier dubbel zo veel doden. Ik lees de chronologie van twee weken Hama rond Nieuwjaar 2012:
“23 december: 300 burgerdoden bij luchtbombardement toen aangeschoven werd voor brood”;
“29 december: 6 burgerslachtoffers waaronder kinderen en vrouwen”;
“21 januari: autobom, 50 doden”; En zo voort en zo verder en zo voort en zo godverdomme verder.

 

Na al die jaren scheppen de raderen van de noria’s alweer bloed, arme opa. Is jouw bloed erbij? Of is jou een rustige natuurlijke dood gegund geweest, omringd door geliefden? Of leef je nog? Ik weet niet wat ik moet hopen. Je haatte vader Assad. Nu laat zoon Assad Hama een tweede keer platwalsen door tanks en vliegtuigen. Hopelijk zwaaien jouw kinderen en kleinkinderen niet met een kalasjnikov aan het front. Hopelijk leven ze nog. Maar wat mag ik er verder over hopen? Dat ze het glazuur van hun tanden klapperen in de ijskou in een vluchtelingenkamp? Als er een ideaalscenario bestond voor deze wereld wens ik dat ik in 2019 aan de An-Nuri moskee falafel mag eten met een kind of kleinkind van jou, in vrede. Zou dat niet mooi zijn, waarde vriend-voor-één-avond”.

 

Actuele noot: vandaag zijn we al februari 2016. Het vechten gaat door. Toen we naar Hama reisden passeerden we de stad Homs, op luttele 40 kilometer van Hama. Die ziet er volgens een Russische drone video als volgt uit. Kleine kans dat ik nog met een kind van de man van Hama zal eten.

 

 

  

%d bloggers liken dit: