Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Posts from the “Plaatsen die geschiedenis uitademen” Category

De antieke stad Palmyra bedreigd

Posted on mei 21, 2015

IS bedreigt de oude stad Palmyra in Syrië. Als ze valt vreest men dat de extremisten – net zoals in Irak – ook deze unieke archeologische site zullen vernietigen. Het inspireerde me om nog eens in mijn archieven te duiken: 15 jaar geleden bezocht ik Palmyra, en ik geef wat historische lessen aan de beeldenstormers van de 21ste eeuw.

 

Geen geweergeschut toen, in 1999, je kon horen hoe windhoosjes zandkorrels in de broeierige lucht draaiden. Ik was de enige bezoeker, samen met mijn toenmalige vriendin. Stilte hing over de 2000 jaar oude ruïne. Duizenden jaren voor Christus draafden hier in dezelfde rust kamelen voorbij en hun menners, met hun handelswaren. Toen de Romeinen arriveerden, ging de stad de handel beheersen in de ganse Syrische woestijn.

 

Slaven, zout, kleding, parfum, prostituees, kruiden, ivoor, glas: alle “handelswaar” passeerde. De Palmyrenen vervaardigden fabricaten in fijne zijde, wol, katoen en linnen en smeedden goud en zilver (Sartre, p. 243). Ze bouwden een indrukwekkend handelsnetwerk uit, dat zich uitstrekte tot West Azië en de Middellandse Zee. De hele stad was het epicentrum van handelskaravanen. Het waren de rijkelui die privé investeerden in architectuur in Palmyra. Vandaag zien we nog altijd een straat van 1100 meter, tempels, theaters, graftomben (W. Ball, p. 76).

Het is vanuit het huidige risico op vernietiging in naam van de “zuivere” Islam door IS ook interessant om te zien dat de allereerste Islamdynastie, de Ommayaden, bij hun verovering de site niet domweg hebben vernietigd, maar gewoon een andere functie hebben gegeven

Maar wat kunnen we vandaag leren? En wat kunnen de bedreigers van de stad leren? Palmyra laat zien hoe een culturele en religieuze kruisbestuiving heeft plaatsgevonden. Geen geschiedenis van vernietiging in naam van de enige juiste waarheid, maar een eeuwenoude kruisbestuiving. Het karakter van Palmyra was Semitisch, Grieks en Romeins. De Palmyrenen aanbaden de god Bel. Die laatste zou teruggaan op één van de alleroudste religieuze tradities: de verering van Bel Marduk, oppergod uit het pantheon van Babylon. Sommige historici denken dat de Romeinse lange weg met kapitelen naar de tempel van Bel geïnspireerd is op de processiewegen die in het oude Babylon doorgingen ter ere van Marduk (Ball, p. 86). Bel was trouwens ook de inspiratie voor de latere Griekse goden Zeus en de Romeinse Jupiter.

img005

Het is vanuit het huidige risico op vernietiging in naam van de “zuivere” Islam door IS ook interessant om te zien dat de allereerste Islamdynastie, de Ommayaden, bij hun verovering de site niet domweg hebben vernietigd, maar gewoon een andere functie hebben gegeven. De Ommayaden vormden de grote Romeinse weg met zijn kapitelen om tot een souq met behoud van alle elementen (Sartre, p. 269). Ook toen de Arabieren honderden jaren later Palmyra alweer veroverden bleef dat met respect voor wat er stond: de tempel van Bel werd weliswaar een moskee, maar alle elementen van dit schitterend bouwwerk bleven op zijn minst behouden. Dus de Islam werkte voort op eeuwenoude tradities, ze vernietigde ze niet. Veel eerder fungeerde de tempel van Bel ook als een Kerk onder de Byzantijnen. Onwaarschijnlijk dat een groepje fanatiekelingen in de 21ste eeuw (!) en na 2000 jaar respect van alle strijdende partijen vandaag dreigen om deze site te vernietigen omdat ze denken de enige waarheid in pacht te hebben.

 

Bronnen:

 

Ball, W., Rome in the East. The transformation of an empire. London: Routledge, 2000.

 

Sartre, M., The Middle East under Rome, Cambridge, MA, London: Harvard University Press, 2005.

De genocide in Rwanda: het onverteerbare is nog lang niet verteerd

Posted on februari 1, 2015

“Het lijden van de genocide, je zal dat doorgeven aan jouw kinderen. Het lijden zal niet snel verdwijnen. Je zal het meenemen van generatie naar generatie”. Het is een citaat van een medewerker van Simon Wiesenthal op een eerste conferentie over de genocide in Kigali in 1995 . Als ik bijna 20 jaar na die conferentie – februari 2014 – voor het werk voor de allereerste maal in Rwanda ben, kan ik dat alleen maar bevestigen. Geen dag gaat voorbij of je hoort wel een verwijzing naar deze gruwelijke gebeurtenis.

 

Het begint met de verplaatsing die ik maak vanuit Kigali naar een school. Bij het uitrijden van Rwanda’s hoofdstad passeren we een uitgestrekte vallei met moerassen. De chauffeur vertelt hoe mensen in de begindagen van de genocide naar deze moerassen gevlucht waren. Het waren de ouderen, de zwakkeren, de zieken, de ouders met kinderen: diegenen die niet konden ontsnappen in verderaf gelegen bossen en wouden. Zij kozen om zich te verschuilen tussen de lange stengels papyrus en in het water en de modder. Tijdens de razzia’s hielden ze zich onder water, met een rietje om te ademen. Kinderen moesten tot hun kin in de modder staan, verscholen tussen de bossen papyrus. Wie een kik zag de machetes flitsen, of dat nu baby’s, kinderen, moeders of bejaarden waren. Achteraf zie ik een filmpje op Youtube met het verhaal van één van de overlevenden van de moerassen: Angélique Mukamanzi. Ik word onpasselijk van de details van het moerasleven en de onmenselijkheid, de methodische moordmachine van de doders.

 

In Kibuye aan het Kivumeer – vandaag vredig, rustig, mooi – vertelt een man mij over de “Kibuye massacres”: de slachting van 20.000 mensen op een paar dagen tijd. Ik zie de Sint Jans kerk waar duizenden vluchtelingen dachten bescherming te vinden. Het mocht niet baten. Met goedkeuring van de lokale autoriteiten omsingelde een meute de Kerk. Nog een laatste gebed. Daarna werden alle vluchtelingen – naar verluidt op één na – door interahamwe milities, politie en gewapende burgers in het “huis van God” afgemaakt, met geweren, granaten, machetes en speren. Een slachting van ongewapende burgers, omdat ze tot een andere etnie behoorden, of omdat ze “heulden” met de andere etnie.

CIMG0164

Slachtoffertjes van de genocide. Rechts Antoine met zijn fiets.

Een Belgische vertelt mij hoe haar Rwandese vriendin vandaag nog steeds geen water uit een kraan kan horen lopen. Het doet haar denken aan het vruchtwater dat spoot uit opengesneden zwangere buiken van vrouwen. Een kennis van mij vertelt hoe zijn vrouw dagenlang rondzwierf op blote voeten, angstvallig wegen vermijdend, nadat ze haar eigen broer heeft zien afslachten met machetes. Mijn gids David vertelt in het Nyungwe woud spontaan dat tientallen mensen in penibele omstandigheden samen hebben geleefd met de vleermuizen in de donkere, vochtige grotten en spelonken van dit oerwoud. In Hôtel des Milles Collines krijg ik te horen dat dit het fameuze “Hotel Rwanda” is, waarover in 2004 ook een film gemaakt is. Hotel Rwanda vertelt het verhaal van Paul Rusesabagina, een Hutu, getrouwd met een Tutsi, en hotel manager die 1.268 Tutsi’s zou beschermd hebben tegen de razernij.

CIMG0161

De gorialla belt naar de wereld om die wereld aan de genocide te herinneren

Na al die anekdotes en kortverhalen besluit ik om mijn verblijf in Rwanda af te sluiten met een bezoek aan het Genocide Memoriaal in Kigali. Het initiatief komt van de Britse organisatie Aegis Trust, die zich toelegt op de bewustmaking en educatie rond genocides op wereldvlak. Het memoriaal is verrezen op deze plek, waar 250.000 genocideslachtoffers hun laatste rustplek hebben gevonden.

De genocide is niet één moord op mensen, het zijn honderdduizenden individuele moorden op evenveel individuen

De tuin rond het museum straalt sereniteit uit. Duizenden ongeïdentificeerde lijken liggen samen. De namen van diegenen die bekend zijn staan op muren gegrift. Er zijn tuintjes, die bol staan van symboliek. Heel mooi vind ik het standbeeldje van een gorilla met een GSM aan het oor. Hij belt naar de wereld, om die wereld te herinneren aan de gruwelen van de genocide. Even mooi vind ik de rozentuin, met rozen die alle individuele zielen symboliseren. De genocide is niet één moord op mensen, het zijn honderdduizenden individuele moorden op evenveel individuen, zoals elders in het museum te lezen staat. Iedere individuele moord geeft aanleiding tot onuitputbaar verdriet bij nabestaanden, familie, vrienden. Dat is ontegensprekelijk de sterkte van dit museum: de genocide krijgt vele individuele gezichten door middel van duizenden grote en kleine foto’s van slachtoffers, van families, van baby’s, kinderen, tieners, ouders, ouderen. Loop je al hoofdschuddend langs alle foto’s met afgebrande huizen, verminkte lijken en stapels schedels en beenderen, dan grijpt de “kinderkamer” pas echt naar de keel. Deze sectie van de tentoonstelling heet toepasselijk “Tomorrow lost” (de verloren toekomst). Ik slik, moet even vechten tegen tranen, mompel in mezelf: hoe is het in ’s godsnaam mogelijk? De gruwel krijgt het gezicht van lieve, vrolijke baby’s en kinderen. Levensgrote foto’s hangen van hen op, met een plakkaatje dat toelichting geeft bij hun veel te vroeg onderbroken leven.

 

Antoine bijvoorbeeld:
Leeftijd: zes
Lievelingsspeelgoed: zijn fiets
Lievelingsdrankje: Fanta;
Beste vriend: zijn zusje;
Doodsoorzaak: afgeslacht met de machete.

 

Over baby Uwase:
Leeftijd: twee
Lievelingsspeelgoed: pop;
Favoriete voedsel: frietjes en rijst;
Beste vriend: papa;
Doodsoorzaak: tegen een muur te pletter geslagen.

 

Met de keel dichtgeknepen passeer je zo van kind tot kind, je kruist hun ogen, je ziet hun lach. Die paar woorden op de plakkaatjes, in combinatie met de foto, zijn mokerslagen op het menselijk geweten en de gevoelens. Het zegt zoveel meer als die droge statistieken: van een half miljoen tot 1 miljoen doden op een paar maanden tijd: ongelofelijk erg, maar het zijn cijfers, waarmee we iedere dag via televisie, kranten en sociale media om de oren geslagen worden. Maar de ogen van Antoine en Uwase verbrijzelen statistiekjes en politieke discours. 6 en 2 waren ze. Kinderlijke onschuld, kleine, weke rietstengeltjes die priemden naar de zon. Plots stonden ze in de schaduw, ze zijn afgerukt, afgehouwen, verwelkt, verdwenen. Nooit hebben ze geweten wat hun beulen dreef. Mijn haar op mijn armen staat recht, een koudegolf trekt over mijn ruggengraat, ik word kwaad, maar er is niemand om tegen uit te vallen. Het museum herinnert aan de vele andere genocides van de 20ste eeuw: the killing fields in Cambodia, de holocaust tijdens Wereldoorlog II… En het ergste is dat de mensheid niet leert. Zullen onze achterkleinkinderen ooit hoofdschuddend door een sectie “genocides van de 21ste eeuw” lopen?

Verhalen uit de Chaco: Duitse degelijkheid in het hol van Pluto

Posted on april 6, 2014

Ik zie een jonge kerel met lichtblauwe ogen, blond haar, en een huidskleur die lichter is dan die van mij. Een baseball pet rust op zijn kruin. De andere passagiers zijn Guarani, de oorspronkelijke bevolking van Paraguay. Ravenzwarte haren steken vanonder strooien cowboyhoeden. Het harde boerenleven heeft rimpels gegraven in hun donker gezicht. Ruwe handen verraden een leven van graven, wieden en sleuren. Ze lachen luid, de gaten in hun gebit lijkt hun gezicht alleen maar grappiger te maken. Hij heeft al zijn tanden op een rij en zit naar buiten te kijken. De kerel is geen toerist. Hij heeft geen bagage, zeult zoals alle Paraguayanen een téréré mee en stapt na twee uur in het midden van niks van de bus. De wildernis aan palmbomen, gras, cactussen, moerasjes en kreupelhout slokt zijn silhouet op. Raven krassen, reigers vissen. Slechts af en toe passeren we een hut: hangmat tussen twee bomen, kippen scharrelen, honden blaffen, kindjes wuiven. Wie is de blonde gast op deze bus tussen Paraguay’s hoofdstad Asuncion en Filadelfia in het Noorden?

 

Katrien en ik weten het wel. Alleen wisten we niet dat “zij” er zo kunnen uitzien, een jongen zoals je hem ook bij ons kan tegenkomen. “Zij” zijn de Mennonieten. 80 jaar geleden kwamen zij in Paraguay wonen. Ik stelde ze me voor als een uit Europa overgewaaide sekte met strenge geloofsregels, die zich buiten de samenleving plaatsen. Volgens Wikipedia blijven huwelijken beperkt tot partners binnen de kolonie en hebben vrouwen geen bal te zeggen. In sommige kolonies zijn zelfs radio, televisie en auto’s taboe. “Vrouwen opgesloten. Ze mogen niet zonder man op straat. Spaans leren is ten strengste verboden”, zei een Boliviaanse taxichauffeur tegen mij. Grootgrondbezitters ook. En dat terwijl de indianen landloos waren. En, o ja, goede maatjes met de maffe oud-dictator Stroessner, het nazivriendje.

 

Na acht uur rijden rammelt de bus een stadje binnen. Een monument rijst op. Een lange geasfalteerde laan volgt waarop zandwegen uitlopen. “Avenida Hindenburg”. Een eerbetoon aan de Duitse veldmaarschalk die naam maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog . Een stukje Duitse degelijkheid in een Texaanse prairie. Hier en daar staat een smetloos wit huisje. Er is ook een melkproductenfabriek en een grote molen, een koloniaal gebouwtje in een exotische tuin en een hotel: Florída. De receptionistes spreken Duits, maar begroetten ons in aangeleerd Spaans. Op de knikker van de manager groeit een gemillimeterd blond brosje, en ook hij heeft blauwe ogen. Zijn hemd is kreukloos, zoals het witte linnen op ons bed. Het gras ziet er uit als dat van het veld van FC Barcelona en het zwembad als eentje waarin de Olympische spelen kunnen plaatsvinden.

Ik kreeg te doen met de Mennonieten. Wie de katholieke kerk en Stalin in het leven tegen zich krijgt heeft zijn of haar hemel wel verdiend.

Agathe begroet ons in het Duits. Ze is een Mennoniet en “conservator” van het Jacob Unger museum in Filadelfia. Het museum toont de geschiedenis van de Fernheim kolonie die dit stadje uit stof en as deed verrijzen.
P1000867Mennonieten zijn wederdopers, ze geloven in de doop voor volwassenen. Ze kennen geen priesters die tussen God en de gelovige staan. Menno verwierp in het Duitsland van de zestiende eeuw een aantal dogma’s van de katholieke kerk. En dan loeren marteltuigen en brandstapels om de hoek. Mennonieten zijn pacifistisch, weigeren dienstplicht en willen hun eigen onderwijs. Agathe spreekt met bewondering over de Russische tsarin Katarina de Grote. De Mennonieten mochten zich in Rusland vestigen en hoefden geen soldaatje te spelen. Gedreven door Protestantse werkijver bouwden zij rijkdom op. Maar wanneer we aan een plaatje “20ste eeuw” passeren gaan Agathes mondhoeken hangen. Ze spreekt over de grootste ramp in de geschiedenis van de Mennonieten: de Bolsjevistische revolutie en later de terreurtijd onder Stalin. Hij plakte het label van kapitalisten en grootgrondbezitters op hun hoofd. Collectivisatie van bezittingen, goelags in Siberië en standrechtelijke executies volgden. Agathes vader vluchtte, drama’s voor het leven op de ziel gekerfd. Ik kreeg te doen met de Mennonieten. Wie de katholieke kerk en Stalin in het leven tegen zich krijgt heeft zijn of haar hemel wel verdiend.

 

Eind jaren twintig stapten honderden uit Rusland gevluchte Mennonieten af in een stationnetje aan de rand van de Chaco in Paraguay. Foto’s tonen houten spannen getrokken door ossen. Matrassen liggen opgestapeld. Tonnen met water klotsen. Pollepels, potten en pannen bengelen. Mannen in kostuum hakken met machetes een weg door de groene hel. Het is een geschiedenis van tentenleven, knorrende magen en kindersterfte. Agathe loopt snel verder, alsof ze zich in een teletijdmachine naar een beter tijdperk flitst. We zien een vader die in kostuum met zijn ossenkar een veld ploegt, gevolgd door de vrouw die zaait. Tenten zijn nu hutten. Er staat een eerste koe voor en een paar kippen scharrelen. Vandaag, een halve eeuw later, zijn het mooie huizen op grote ranches die duizenden runderen herbergen. De kolonie Fernheim bezit een coöperatieve die uitgegroeid is tot een miljoenenbusiness. De coöperatieve zorgt voor een groot deel van alle melkproducten die verkocht worden in Paraguay. De fabriek alleen stelt 1600 arbeiders te werk. Het is een bewonderenswaardige geschiedenis van doorzettingsvermogen en ondernemerschap.P1000748

Het is een herhaling van de mythe die Europese missionarissen en kolonialen zichzelf al eeuwen hebben voorgehouden. Dat er voor hun komst geen cultuur of beschaving was, enkel brave en “nobele” wilden die beschaving en cultuur moeten bijgebracht worden.

Maar wie afwezig blijft in dit museum zijn de bewoners die hier leefden vooraleer de Mennonieten aankwamen. Het waren en zijn indianen, die deels nomadisch leefden en geen grootschalige akkerbouw of veeteelt kenden. Er is één plakkaatje over de “Ureinwohner” van de Chaco. Primitief gereedschap ligt in vitrinekasten zonder verdere uitleg. De bezoeker blijft in het ongewisse over cultuur, geloof of samenlevingswijzen van de Indianen. Ze zijn figuranten in het decor van hun eigen thuis. Eén van de weinige foto’s met Indianen op is er één geposeerd met de eerste Mennonieten. De indianen zijn halfnaakt, met hoge jukbeenderen en tot schouderhoogte uitgerekte oorlellen. Sommigen kijken schichtig in de les, anderen ongegeneerd afwezig, één ervan poseert met gespannen boog. Een inheemse vrouw bedekt haar borsten. Het is een herhaling van de mythe die Europese missionarissen en kolonialen zichzelf al eeuwen hebben voorgehouden. Dat er voor hun komst geen cultuur of beschaving was, enkel brave en “nobele” wilden die beschaving en cultuur moeten bijgebracht worden.

Leven in de Dode Steden van Syrië

Posted on april 6, 2014

Vijf verzegelde en gedecoreerde sarcofagen stonden in een graftombe met een stenen dak in de vorm van een piramide. Verliefde Syrische koppeltjes hebben Arabische tekens in de muren gegrift. Onkruid schiet uit de muren, blauwe distels uit de grond. Olijf- en vijgenbomen zoeken hun plek tussen overwoekerde gebouwen. Stenen liggen verspreid over de grond. Er hangt een sfeer van geheimzinnigheid. Er zijn geen wandelpaden. We moeten onszelf een doorgang verschaffen in het oerwoud aan struiken. We lopen in Al-Bara, de ruïnes van een dorp uit de Laat Romeinse tijd in het Noorden van Syrië. Het is 2009, twee jaar voor het inferno. Ik fotografeer Katrien in het raamkozijn van een vroegchristelijk klooster, mijn mama onder een boog. Een bewaard gebleven dorp uit de Romeinse tijd: geen hond ligt daar wakker van in Syrië. Als we in België een paar sporen van een Romeinse heirweg vinden staat het in alle gazetten. Een legertje archeologen woelt dan tonnen aarde om met pikhouwelen en spaden. Hier geen archeologen, geen toeristen. Alleen kinderen uit het naburige dorp Kafr, een sjofele herder, magere geiten. Al-Bara is één van de 800 Romeinse dorpen die verspreid zijn tussen Hama en Aleppo. Ze staan bekend als de “dode steden” of “spooksteden” en zijn verbazend ontoeristisch.

foto48

Wanneer toeristen aan de Romeinen denken, komen hen steden voor ogen met amfitheaters, hippodromen, fonteinen, tempels, triomfbogen en zuilenrijen. En onder invloed van Hollywood en gidsen vereenzelvigen ze Romeinse geschiedenis met veldslagen tegen woeste barbaren, gladiatoren die elkaars ledematen afhakken en keizers die Rome in brand zetten. Maar wat zegt dat alles over het gewone, alledaagse leven in het Romeinse rijk? Vijfentwintig keer niks. Wat vaak vergeten wordt: zonder hard labeur van boeren op het platteland kon de elite in de stad op zijn kin kloppen. Meer nog: zonder landbouw zou er nooit tijd geweest zijn om met iets anders bezig te zijn dan eten produceren en zoeken. Kortom: zonder boeren geen beschaving, geen stad, geen monumenten. Desondanks krijgen deze gewone mensen op het gewone platteland heel anoniem. We weten weinig over hun leven. De dode steden vormen daar nu een uitzondering op. Wat we vinden in Al-Bara en wat later ook in een ander spookdorp, Sergilla, zijn boerenoptrekjes, met twee verdiepingen, boven om te wonen en onderaan voor de dieren. Verder kuieren we rond tussen parochiekerkjes, kloosters, dorpswinkeltjes. We steken een dorspleintje over en passeren zelfs een Romeinse taverne. Het is één van de best bewaarde Romeinse gebouwen ter wereld. Sauna’s liggen her en der verspreid in het kurkdroge landschap. Het principe was hetzelfde als dat van de hedendaagse sauna. Eerst komt de gast binnen in een vestibule om zich te ontkleden. Daarna neemt hij of zij een voetbadje. Die fase wordt gevolgd door een kort verblijf in een warme kamer om te acclimatiseren. Daarna stoofde men een aantal minuten gaar in de hete kamer. Tenslotte dompelde men zichzelf onder in een ijskoud bad. En dan maar lekker gloeien. De historicus Warwick Ball ziet in de baden in de Dode Steden een overgangsfase tussen de typisch Romeinse thermen en de hammam die zijn opwachting zou maken na de verovering van het Midden-Oosten door de Arabieren

We steken een dorspleintje over en passeren zelfs een Romeinse taverne. Het is één van de best bewaarde Romeinse gebouwen ter wereld.

foto44

Volgens Ball leefden er rijke en ondernemende boeren. Ze verbouwden graan en tarwe en naar men vermoedt ook druiven en wijn. Volgens de historicus Maurice Sartre bestond het dieet van deze mensen voornamelijk uit brood dat men in olijfolie sopte, met groenten en vijgen bij. En die olijven: daar sloeg men nu net het grote geld uit. Massa’s olijfpersen zijn in de dorpen teruggevonden. De olijf was razend populair: de enige bron van olie op dat ogenblik. Mensen draaiden het in hun eten en in medicijnen en cosmetica. Een welvarende regio is het geweest. En dan doemt de vraag op: waar is iedereen naar toe? Waarom is alles achtergelaten? Oorlog? Onwaarschijnlijk gezien alles nog rechtstaat en er geen tekenen zijn van geweld. Ball denkt dat de echte reden is dat de olijf- en wijnproductie gestokt moet zijn, en dat er daarvoor drie redenen kunnen geweest zijn. De intensieve productie van olijven en wijn putte de bodem uit. De opkomst van de Arabieren in de zevende eeuw leidde bovendien tot een verandering van de handelsroutes: de Dode steden lagen immers niet langer op de route naar Byzantium, waardoor ze hun strategische handelspositie verloren. En zo vertrokken de bewoners naar andere oorden en begonnen de dode steden een lange slaap, waaruit ze in 2011 ruw zouden ontwaken. Na 1.300 jaar zijn de mensen immers teruggekeerd. Geen Romeinse boeren, maar duizenden vluchtelingen van de Syrische burgeroorlog, ontheemden die in en onder de oude ruïnes een onderkomen vinden.

Het is ironisch: de dode steden geven vandaag de meeste kans op leven. De mensen vinden veiligheid tussen de doden.

In 2013 kwamen de Dode Steden plots in het nieuws. Een journaliste van CBS Nieuws, Clarissa Ward, slaagde erin de Dode Steden te bereiken. Ze bezocht kelders en ondergrondse graven. Families zitten daar opeengepakt, weggevlucht voor de bombardementen en beschietingen. De video toont hoe een vrouw kookt op een gasvuurtje, ze vertelt hoe haar huis vlak na de vlucht in gruizelementen uit elkaar is geschoten. Clarissa Ward aait over het hoofd van een klein kindje dat al sedert lang onbeweeglijk in een hoekje ligt. Ze weten niet wat het probleem is. Hopen dat het auto immuunsysteem zijn werk doet, want medische hulp is er niet. Hier zijn geen witte tenten van de VN. Hulporganisaties geraken er niet. Foto’s tonen hoe zwarte buizen uit de voormalige graven en kelders oprijzen: geïmproviseerde schouwen van vluchtelingen, zodat ze kunnen koken in de graven zonder er te stikken. In een reportage van National Public Radio getuigt een man, Abu Khalid genaamd, hoe hij met zijn familie leeft in een oud Romeins graf dat hij zelf verder uitgegraven had. De beenderen en skeletten die hij daarbij opdelfde heeft hij als goede moslim herbegraven. Het is ironisch: de dode steden geven vandaag de meeste kans op leven. De mensen vinden veiligheid tussen de doden.

P1020364

Video van CBS nieuws: http://www.cbsnews.com/news/syrian-refugees-fight-for-survival-in-dead-cities/
Artikel van NPR: http://www.npr.org/2013/03/08/173788537/displaced-syrians-find-shelter-in-ancient-dead-cities

Macht, roem en dood in Apamea

Posted on april 5, 2014

Magisch is deze plek. Ik sta op een heuvel dat uitkijkt over de vlakte van Al-Ghrab en de citadel van Qala’at al-Mudiq. Ik ben in een verlaten gat in Syrië. Eeuwenoude karrensporen zijn in de stenen gesleten. Staan de sporen ertussen van de gloriewagen van het glamourkoppel uit de Romeinse Oudheid, Cleopatra en Marcus Antonius? Die passeerden in een blijde intrede. Het is een oude Griekse weg, met Griekse en Romeinse zuilen rond. Het is 1999. Krekels raspen, vluchtende salamandertjes en muizen ritselen. Steen en stof. Distels, boterbloemen en grassen groeien over en tussen oude door mensenhanden bewerkte stenen. Megaliters bloed sijpelden in het verleden de bodem in. Nu is het stil. Apamea heet deze plek. Een romantische inval van een generaal uit het leger van Alexander De Grote. Hij stichtte deze stad en noemde ze naar zijn vrouw. Het is de mooiste antieke ruïne die ik ken. Ooit was het dus een Griekse stad. Later Romeins. Een speeltuin voor oorlogszuchtige keizers als Pompei en Caesar. De Byzantijnen volgden. De Perzen hakten de Byzantijnen in de pan. Later liepen de moslims Apamea plat. Een gewelddadige sekte, de Assanieden, ook wel de eerste terreurorganisatie uit geschiedenis genoemd, bezette Apamea. Die hadden ruzie met moslims én kruisvaarders. De kruisvaarders maakte de Assanieden een kopje kleiner, de moslims dan weer de kruisvaarders.

 

Harnassen, zwaarden, speren, schilden en kanonnen liggen vandaag in saaie musea. Het doodsgereutel is vervangen door het geruis van de wind. Goden zijn verzwolgen door de dikke mist van de geschiedenis. Knoken van glorieuze leiders rusten eeuwen afgebleekt onder de grond. Er zijn nog basisstructuren van tempels en villa’s. Geiten en schapen lozen hun keutels in salons, slaapkamers en badkamers, tussen omver gevallen muren, ingevallen kelders, beschadigde vloeren, trappen die naar nergens leiden, leeggeroofde graven. Apamea: de stille getuige van de menselijke zucht naar eeuwige roem en macht, gevolgd door het onvermijdelijke verval. Een herder plast tegen een halve zuil, en rochelt er nog een fluim tegenaan. Ik moet denken aan Paul Bowles die waarschuwde: “word nooit een monument, de mensen zullen op jou pissen”. Griekse tempels werden Romeinse, Romeinse Griekse, tempels werden kerken of moskeeën, moskeeën kerken, kerken moskeeën. Alle verbrijzeld door de kracht van de natuur en de mens. In de negentiende eeuw bestond Apamea nog in naam en stenen. In de 20ste eeuw puzzelden archeologen die stenen weer bij elkaar. Mozaïekvloeren sleurden ze mee naar gebouwen in Syrië of het buitenland. Musea waar men prullaria uit de grond tentoonstelt waar toeristen geld afdokken om die te bekijken. Deze ruïne zet me aan het mijmeren over de vergankelijkheid van alle rijken, van macht en geld, van gouden standbeelden en marmeren paleizen, van roem en eer. Niks is voor de eeuwigheid. Een ruïne als Apamea zou een les in nederigheid moeten zijn. Ik houd van deze ruïne, net daarom: je hoort de stilte, je ziet de vergankelijkheid. Dat is niet mogelijk op het van toeristen uitpuilende forum romanum in Rome, of de Akropolis in Athene.

Ik houd van deze ruïne, net daarom: je hoort de stilte, je ziet de vergankelijkheid.

Twee venten op een brommer hotsen over de stenen van Apamea. Ze nodigen Valerie en mij uit. Syrische gastvrijheid. We rijden achterop het Qala’at Mudiq op. We passeren de 13de eeuwse fortmuren van de Mamelukken, de beruchte Turkse soldaat slaven die de Mongolen overwonnen. Ezels, schapen en geiten fourageren in de nauwe straatjes met ruwe kasseien. De zichten over de Orontes vallei snijden de adem af. Eén van de mannen heeft een dikke snor. Hij is de patres familias van een traditioneel gezin. Een vrouw met hoofddoek zit in een donkere hoek op een tapijt met haar kinderen. Ze staat recht wanneer hij haar bars vraagt om thee te brengen. Ze kijkt ons niet in de ogen. Tegen ons is hij vriendelijk. We rijden naar het gezin van zijn vriend. Hier krijgen we een ander beeld. In de tuin met een zicht waarvoor men in Hollywood miljoenen euro’s afdokt zit een vrouw met haar twee kindjes op de schoot. Geen gebogen hoofd, geen donker hoekje. Foto’s? Graag! Snorremans beziet zijn vrouw als een voetveeg, zijn vriend zijn vrouw en dochters als zijn vrouw en dochters. Ze tonen affectie, er zijn aanrakingen, een arm om de schouder. Traditionele Syrische kost staat voor onze voeten: falafels, kekererwtenpasta, komkommer en tomaten, geitenkaas, groene olijven en plat brood. We eten met de familie uit één bord. Daarna zakken we in de kussens. Een glaasje muntthee, en gebakjes die de suikerspiegel het heelal indrijven. Bij het afscheid krijgen we oude Griekse en Romeinse munten cadeau die bij regenbuien bloot kwamen te liggen. Het voelt wat ongemakkelijk, deze gastvrijheid. Ik vraag me af of we niet plots geld moeten gaan ophoesten. Dat blijkt niet zo. Grootschalig toerisme is in het Syrië van 1999 nog onbekend.

Citadel Qala’at Mudiq, Apamea
Bovenstaand verhaal dateert van 1999. Ik typ in 2014 mijn dagboek in op de computer. Aan de oneindige sliert veldslagen mogen we er een nieuwe toevoegen. Wie in Google “Qala’at Mudiq” in typt ziet filmpjes met explosies op en rond de citadel. Afbeeldingen van een dood kind. Jammerende ouders. Regeringssoldaten schieten en roepen “God is groot”. Rebellen vuren terug en ook zij roepen “God is groot”. Tankgranaten blazen de bij elkaar gepuzzelde antieke zuilen opnieuw uit elkaar. “God is groot, God is groot”. Echt waar? Zou God er mee akkoord zijn, als hij al zou bestaan? Dat zou ik maar zorgelijk vinden. Hedendaagse leiders leren niks van het verleden, niet Bashar, niet het Vrije Syrische leger, niet Hezbollah noch Iran, Israël of Al Quaida. Nochtans zullen ook hun beenderen ooit anoniem onder de grond liggen. Is het terras met het mooie zicht er nog? Hoe is met het gezin, met de twee schattige kindjes? Werken ze, of studeren, als dat al mogelijk is? Of schieten en vechten ze in naam van Allah? Voor Bashar, het Vrije Syrische Leger of extremistische milities? Bezoeken de mannen elkaar nog? Staat hun huis er nog? Ik kijk naar de foto’s en ik denk aan deze mensen in het diepst van mijn gedachten.

P1000983

  

%d bloggers liken dit: