Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Berichten uit de “Onbekend, onbemind” categorie

Verhalen uit de Chaco: de Mennonieten en de “nobele wilden”

Geplaatst op april 6, 2014

Marylin begrijpt moeilijk de “luiheid” van Paraguayanen. Feesten, rondhangen op straat. Discobars rijden ’s avonds door de dorpen. Maar werken? Marylin is onze gids door de Chaco. We zijn vertrokken op haar ranch, Estancia Iparoma, net buiten Filadelfia in het schaars bewoonde Noorden van Paraguay. Een wat gelukkige ontmoeting, want toeristische faciliteiten zijn hier afwezig. We kwamen haar op het spoor via Agathe, de conservator van het Mennonietenmuseum in Filadelfia. Bedoeling: een bezoek brengen aan Mennonietenkolonies. We rijden per ongeluk een erf op, de weg bijster. De Chaco is een doolhof. Een man kijkt slaapdronken op van een kar met twee wielen, handen achter het hoofd. Witte ganzen stuiven in het rond, een man schommelt in een hangmat. Een knokige hond kwispelt. “Now you can see how Paraguayans live: they hang and sleep and live in poor houses”. Marylin gooit de Indianen onder dezelfde hoed als de latino Paraguayanen. Dat zouden die laatsten weer niet graag horen, want zelf hebben die ook vooroordelen over de Indianen.

 

Een dag later bezoeken we vrienden van haar op een andere ranch in een godvergeten uithoek. “Hard working people, but also nice house”, zegt ze. En ik denk er bij: “Paraguayans lazy, and no nice house”. Haar vrienden zijn als haar Plattdeutsch sprekende Mennonieten. Hun leven bestaat uit 365 dagen werken op een jaar. Geen hangmat hangt tussen de bomen. Ze zijn nooit op reis geweest, ook niet binnen Paraguay. Opstaan, werken, bidden. Tot pietje de dood zijn zeis boven haalt. Maar ik begrijp hen ergens. Vaak zijn ze herbegonnen, na vervolgingen door de Katholieke Kerk in Duitsland en Stalin in Rusland. En wilskracht en werk brachten hen erboven op. Maar wat met de Indianen waartussen ze wonen? In een boek dat ik kocht in Filadelfia las ik hoe Mennonieten Indianen wilden bekeren tot hun God en het christelijke familieleven. Alsof de geloofstradities van Indianen en hun familieleven niet bestonden. Ze moesten een wit hemd met das aan, hun naaktheid bedekken, de Bijbel lezen, naar de mis gaan en als de beesten zweten in het aanschijn van God. De Mennonieten hebben eeuwen hun autonomie verdedigd. Respect. Maar waarom voelen ze dan die drang om anderen te bekeren tot hun waarheid?

 

Jezuïeten beschouwden het eeuwen geleden al als hun taak om de “nobele, sympathieke wilden” geschiedenis, religie en cultuur bij te brengen. Diezelfde Jezuïeten die ook de Mennonieten op de brandstapel hebben gezet, omdat ze hun absolute waarheden in vraag hadden gesteld. De geschiedschrijving heeft ook geen goed aan gedaan aan de beeldvorming over Indianen: meestal is die altijd gericht op de effecten van de kolonisatoren op de Indianen, nooit omgekeerd, waardoor het beeld ontstaat dat Indianen geen cultuur of geschiedenis zouden hebben. Barbara Ganson schreef een zeldzaam boek over de cultuur, gewoontes en tradities van Guarani en hun invloed op kolonisten en het hedendaagse Paraguay. Een hangmat is een uitvinding van de Guarani, net zoals de gewoonte om yerba maté te drinken in Argentinië en Paraguay. Zonder de Guarani hadden Jezuïeten en kolonisatoren nooit overleefd in deze vijandige woestenij. Guarani leerden hen maniok en zoete aardappel eten en wild schieten. Vandaag is Guarani de tweede officiële landstaal in Paraguay. Marylin nipt aan haar téréré, en ik denk: dat heb jij geleerd van de “nobele wilde zonder cultuur”.

Haar vrienden zijn als haar Plattdeutsch sprekende Mennonieten . Hun leven bestaat uit 365 dagen werken op een jaar. Geen hangmat hangt tussen de bomen. Ze zijn nooit op reis geweest, ook niet binnen Paraguay. Opstaan, werken, bidden. Tot pietje de dood zijn zeis boven haalt.

Omgekeerd vinden de Indianen (en ook de latino Paraguayanen) de Mennonieten uitslovers zonder aandacht voor familie en het leven. Marylin leeft op haar ranch met haar man. Haar mama en papa zijn opgeborgen in een klinische doos met breiwerk, TV, radio, tafel met kaarten: een ouderentehuis aldus. Ze trekken een pensioentje van de coöperatie. Er is geen tijd om ze te verzorgen. Ze willen trouwens zelf niet ten laste zijn. Marylin vertelt dat de Paraguayanen (nooit duidelijk wie ze ermee bedoelt) het totaal onbegrijpelijk vinden dat ouderen weggestoken worden in een tehuis. Voor Mennonieten met een hoek af, of die last hebben van één of andere depressie is er een psychiatrisch centrum in Filadelfia. Marylin was er nog verpleegster. Er was een zoo aan verbonden. Het verzorgen van dieren zou een kalmerende invloed hebben op patiënten, zo geloofde de directeur. Maar de zoo was verdwenen. Ouderentehuizen, psychiatrisch centrum, een plek om dieren op te sluiten: voor de Indianen zijn het rare zaken.

 

Wat is er nu aan van die vooroordelen? Niet alle Paraguayanen leven zoals de familie op het erf. En zelfs die familie op het erf bleek daar niet constant te wonen. Eén van de mannen kwam met een jeep van Asuncion. Ik vertelde Marylin dat de meeste Paraguayanen ook in huizen leven met TV’s, schotelantennes, keuken, badkamer en Internetaansluiting. Katrien’s vrienden plaatsen foto’s op Facebook en bellen via Skype. In de streek van Arroyos en Esteros hadden we Paraguayaanse suikerboeren bezocht. Verenigd in een coöperatieve zoals de Mennonieten werkten ze zich uit de naad om producten als biosuiker, stevia en sesam op de internationale markten te krijgen ondanks moordende Braziliaanse concurrentie. Omgekeerd moet ik ook mijn eigen vooroordelen over Mennonieten in vraag stellen. Marylin is een lieve vrouw, weliswaar met een bevooroordeelde kijk op Paraguayanen, zowel Indianen als Latino’s. Maar ook zij beantwoordt niet aan de clichés die over Mennonieten de ronde doen: conservatief, vrouwen aan de haard, mensen die zich op geen enkele wijze integreren. Marylin is gids, met strakke spijkerbroek en eigenaar van een ranch met 800 runderen. Ze heeft een open kijk en staat open voor mijn ongemakkelijke kritiek op hun betuttelende manier om Indianen te bekeren en te beschaven. Ze luistert verwonderd naar deze verhalen. Wij luisteren verwonderd naar haar verhalen over Mennonieten. Ik had vooroordelen over Mennonieten, Marylin over inheemsen en Paraguayanen. Beiden gaven we onze enggeestigheid toe. Konden mensen maar wat makkelijker hun vooroordelen relativeren.

Verhalen uit de Chaco: Duitse degelijkheid in het hol van Pluto

Geplaatst op april 6, 2014

Ik zie een jonge kerel met lichtblauwe ogen, blond haar, en een huidskleur die lichter is dan die van mij. Een baseball pet rust op zijn kruin. De andere passagiers zijn Guarani, de oorspronkelijke bevolking van Paraguay. Ravenzwarte haren steken vanonder strooien cowboyhoeden. Het harde boerenleven heeft rimpels gegraven in hun donker gezicht. Ruwe handen verraden een leven van graven, wieden en sleuren. Ze lachen luid, de gaten in hun gebit lijkt hun gezicht alleen maar grappiger te maken. Hij heeft al zijn tanden op een rij en zit naar buiten te kijken. De kerel is geen toerist. Hij heeft geen bagage, zeult zoals alle Paraguayanen een téréré mee en stapt na twee uur in het midden van niks van de bus. De wildernis aan palmbomen, gras, cactussen, moerasjes en kreupelhout slokt zijn silhouet op. Raven krassen, reigers vissen. Slechts af en toe passeren we een hut: hangmat tussen twee bomen, kippen scharrelen, honden blaffen, kindjes wuiven. Wie is de blonde gast op deze bus tussen Paraguay’s hoofdstad Asuncion en Filadelfia in het Noorden?

 

Katrien en ik weten het wel. Alleen wisten we niet dat “zij” er zo kunnen uitzien, een jongen zoals je hem ook bij ons kan tegenkomen. “Zij” zijn de Mennonieten. 80 jaar geleden kwamen zij in Paraguay wonen. Ik stelde ze me voor als een uit Europa overgewaaide sekte met strenge geloofsregels, die zich buiten de samenleving plaatsen. Volgens Wikipedia blijven huwelijken beperkt tot partners binnen de kolonie en hebben vrouwen geen bal te zeggen. In sommige kolonies zijn zelfs radio, televisie en auto’s taboe. “Vrouwen opgesloten. Ze mogen niet zonder man op straat. Spaans leren is ten strengste verboden”, zei een Boliviaanse taxichauffeur tegen mij. Grootgrondbezitters ook. En dat terwijl de indianen landloos waren. En, o ja, goede maatjes met de maffe oud-dictator Stroessner, het nazivriendje.

 

Na acht uur rijden rammelt de bus een stadje binnen. Een monument rijst op. Een lange geasfalteerde laan volgt waarop zandwegen uitlopen. “Avenida Hindenburg”. Een eerbetoon aan de Duitse veldmaarschalk die naam maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog . Een stukje Duitse degelijkheid in een Texaanse prairie. Hier en daar staat een smetloos wit huisje. Er is ook een melkproductenfabriek en een grote molen, een koloniaal gebouwtje in een exotische tuin en een hotel: Florída. De receptionistes spreken Duits, maar begroetten ons in aangeleerd Spaans. Op de knikker van de manager groeit een gemillimeterd blond brosje, en ook hij heeft blauwe ogen. Zijn hemd is kreukloos, zoals het witte linnen op ons bed. Het gras ziet er uit als dat van het veld van FC Barcelona en het zwembad als eentje waarin de Olympische spelen kunnen plaatsvinden.

Ik kreeg te doen met de Mennonieten. Wie de katholieke kerk en Stalin in het leven tegen zich krijgt heeft zijn of haar hemel wel verdiend.

Agathe begroet ons in het Duits. Ze is een Mennoniet en “conservator” van het Jacob Unger museum in Filadelfia. Het museum toont de geschiedenis van de Fernheim kolonie die dit stadje uit stof en as deed verrijzen.
P1000867Mennonieten zijn wederdopers, ze geloven in de doop voor volwassenen. Ze kennen geen priesters die tussen God en de gelovige staan. Menno verwierp in het Duitsland van de zestiende eeuw een aantal dogma’s van de katholieke kerk. En dan loeren marteltuigen en brandstapels om de hoek. Mennonieten zijn pacifistisch, weigeren dienstplicht en willen hun eigen onderwijs. Agathe spreekt met bewondering over de Russische tsarin Katarina de Grote. De Mennonieten mochten zich in Rusland vestigen en hoefden geen soldaatje te spelen. Gedreven door Protestantse werkijver bouwden zij rijkdom op. Maar wanneer we aan een plaatje “20ste eeuw” passeren gaan Agathes mondhoeken hangen. Ze spreekt over de grootste ramp in de geschiedenis van de Mennonieten: de Bolsjevistische revolutie en later de terreurtijd onder Stalin. Hij plakte het label van kapitalisten en grootgrondbezitters op hun hoofd. Collectivisatie van bezittingen, goelags in Siberië en standrechtelijke executies volgden. Agathes vader vluchtte, drama’s voor het leven op de ziel gekerfd. Ik kreeg te doen met de Mennonieten. Wie de katholieke kerk en Stalin in het leven tegen zich krijgt heeft zijn of haar hemel wel verdiend.

 

Eind jaren twintig stapten honderden uit Rusland gevluchte Mennonieten af in een stationnetje aan de rand van de Chaco in Paraguay. Foto’s tonen houten spannen getrokken door ossen. Matrassen liggen opgestapeld. Tonnen met water klotsen. Pollepels, potten en pannen bengelen. Mannen in kostuum hakken met machetes een weg door de groene hel. Het is een geschiedenis van tentenleven, knorrende magen en kindersterfte. Agathe loopt snel verder, alsof ze zich in een teletijdmachine naar een beter tijdperk flitst. We zien een vader die in kostuum met zijn ossenkar een veld ploegt, gevolgd door de vrouw die zaait. Tenten zijn nu hutten. Er staat een eerste koe voor en een paar kippen scharrelen. Vandaag, een halve eeuw later, zijn het mooie huizen op grote ranches die duizenden runderen herbergen. De kolonie Fernheim bezit een coöperatieve die uitgegroeid is tot een miljoenenbusiness. De coöperatieve zorgt voor een groot deel van alle melkproducten die verkocht worden in Paraguay. De fabriek alleen stelt 1600 arbeiders te werk. Het is een bewonderenswaardige geschiedenis van doorzettingsvermogen en ondernemerschap.P1000748

Het is een herhaling van de mythe die Europese missionarissen en kolonialen zichzelf al eeuwen hebben voorgehouden. Dat er voor hun komst geen cultuur of beschaving was, enkel brave en “nobele” wilden die beschaving en cultuur moeten bijgebracht worden.

Maar wie afwezig blijft in dit museum zijn de bewoners die hier leefden vooraleer de Mennonieten aankwamen. Het waren en zijn indianen, die deels nomadisch leefden en geen grootschalige akkerbouw of veeteelt kenden. Er is één plakkaatje over de “Ureinwohner” van de Chaco. Primitief gereedschap ligt in vitrinekasten zonder verdere uitleg. De bezoeker blijft in het ongewisse over cultuur, geloof of samenlevingswijzen van de Indianen. Ze zijn figuranten in het decor van hun eigen thuis. Eén van de weinige foto’s met Indianen op is er één geposeerd met de eerste Mennonieten. De indianen zijn halfnaakt, met hoge jukbeenderen en tot schouderhoogte uitgerekte oorlellen. Sommigen kijken schichtig in de les, anderen ongegeneerd afwezig, één ervan poseert met gespannen boog. Een inheemse vrouw bedekt haar borsten. Het is een herhaling van de mythe die Europese missionarissen en kolonialen zichzelf al eeuwen hebben voorgehouden. Dat er voor hun komst geen cultuur of beschaving was, enkel brave en “nobele” wilden die beschaving en cultuur moeten bijgebracht worden.

%d bloggers liken dit: