Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Berichten uit de “Onbekend, onbemind” categorie

De genocide in Rwanda: het onverteerbare is nog lang niet verteerd

Geplaatst op februari 1, 2015

“Het lijden van de genocide, je zal dat doorgeven aan jouw kinderen. Het lijden zal niet snel verdwijnen. Je zal het meenemen van generatie naar generatie”. Het is een citaat van een medewerker van Simon Wiesenthal op een eerste conferentie over de genocide in Kigali in 1995 . Als ik bijna 20 jaar na die conferentie – februari 2014 – voor het werk voor de allereerste maal in Rwanda ben, kan ik dat alleen maar bevestigen. Geen dag gaat voorbij of je hoort wel een verwijzing naar deze gruwelijke gebeurtenis.

 

Het begint met de verplaatsing die ik maak vanuit Kigali naar een school. Bij het uitrijden van Rwanda’s hoofdstad passeren we een uitgestrekte vallei met moerassen. De chauffeur vertelt hoe mensen in de begindagen van de genocide naar deze moerassen gevlucht waren. Het waren de ouderen, de zwakkeren, de zieken, de ouders met kinderen: diegenen die niet konden ontsnappen in verderaf gelegen bossen en wouden. Zij kozen om zich te verschuilen tussen de lange stengels papyrus en in het water en de modder. Tijdens de razzia’s hielden ze zich onder water, met een rietje om te ademen. Kinderen moesten tot hun kin in de modder staan, verscholen tussen de bossen papyrus. Wie een kik zag de machetes flitsen, of dat nu baby’s, kinderen, moeders of bejaarden waren. Achteraf zie ik een filmpje op Youtube met het verhaal van één van de overlevenden van de moerassen: Angélique Mukamanzi. Ik word onpasselijk van de details van het moerasleven en de onmenselijkheid, de methodische moordmachine van de doders.

 

In Kibuye aan het Kivumeer – vandaag vredig, rustig, mooi – vertelt een man mij over de “Kibuye massacres”: de slachting van 20.000 mensen op een paar dagen tijd. Ik zie de Sint Jans kerk waar duizenden vluchtelingen dachten bescherming te vinden. Het mocht niet baten. Met goedkeuring van de lokale autoriteiten omsingelde een meute de Kerk. Nog een laatste gebed. Daarna werden alle vluchtelingen – naar verluidt op één na – door interahamwe milities, politie en gewapende burgers in het “huis van God” afgemaakt, met geweren, granaten, machetes en speren. Een slachting van ongewapende burgers, omdat ze tot een andere etnie behoorden, of omdat ze “heulden” met de andere etnie.

CIMG0164

Slachtoffertjes van de genocide. Rechts Antoine met zijn fiets.

Een Belgische vertelt mij hoe haar Rwandese vriendin vandaag nog steeds geen water uit een kraan kan horen lopen. Het doet haar denken aan het vruchtwater dat spoot uit opengesneden zwangere buiken van vrouwen. Een kennis van mij vertelt hoe zijn vrouw dagenlang rondzwierf op blote voeten, angstvallig wegen vermijdend, nadat ze haar eigen broer heeft zien afslachten met machetes. Mijn gids David vertelt in het Nyungwe woud spontaan dat tientallen mensen in penibele omstandigheden samen hebben geleefd met de vleermuizen in de donkere, vochtige grotten en spelonken van dit oerwoud. In Hôtel des Milles Collines krijg ik te horen dat dit het fameuze “Hotel Rwanda” is, waarover in 2004 ook een film gemaakt is. Hotel Rwanda vertelt het verhaal van Paul Rusesabagina, een Hutu, getrouwd met een Tutsi, en hotel manager die 1.268 Tutsi’s zou beschermd hebben tegen de razernij.

CIMG0161

De gorialla belt naar de wereld om die wereld aan de genocide te herinneren

Na al die anekdotes en kortverhalen besluit ik om mijn verblijf in Rwanda af te sluiten met een bezoek aan het Genocide Memoriaal in Kigali. Het initiatief komt van de Britse organisatie Aegis Trust, die zich toelegt op de bewustmaking en educatie rond genocides op wereldvlak. Het memoriaal is verrezen op deze plek, waar 250.000 genocideslachtoffers hun laatste rustplek hebben gevonden.

De genocide is niet één moord op mensen, het zijn honderdduizenden individuele moorden op evenveel individuen

De tuin rond het museum straalt sereniteit uit. Duizenden ongeïdentificeerde lijken liggen samen. De namen van diegenen die bekend zijn staan op muren gegrift. Er zijn tuintjes, die bol staan van symboliek. Heel mooi vind ik het standbeeldje van een gorilla met een GSM aan het oor. Hij belt naar de wereld, om die wereld te herinneren aan de gruwelen van de genocide. Even mooi vind ik de rozentuin, met rozen die alle individuele zielen symboliseren. De genocide is niet één moord op mensen, het zijn honderdduizenden individuele moorden op evenveel individuen, zoals elders in het museum te lezen staat. Iedere individuele moord geeft aanleiding tot onuitputbaar verdriet bij nabestaanden, familie, vrienden. Dat is ontegensprekelijk de sterkte van dit museum: de genocide krijgt vele individuele gezichten door middel van duizenden grote en kleine foto’s van slachtoffers, van families, van baby’s, kinderen, tieners, ouders, ouderen. Loop je al hoofdschuddend langs alle foto’s met afgebrande huizen, verminkte lijken en stapels schedels en beenderen, dan grijpt de “kinderkamer” pas echt naar de keel. Deze sectie van de tentoonstelling heet toepasselijk “Tomorrow lost” (de verloren toekomst). Ik slik, moet even vechten tegen tranen, mompel in mezelf: hoe is het in ’s godsnaam mogelijk? De gruwel krijgt het gezicht van lieve, vrolijke baby’s en kinderen. Levensgrote foto’s hangen van hen op, met een plakkaatje dat toelichting geeft bij hun veel te vroeg onderbroken leven.

 

Antoine bijvoorbeeld:
Leeftijd: zes
Lievelingsspeelgoed: zijn fiets
Lievelingsdrankje: Fanta;
Beste vriend: zijn zusje;
Doodsoorzaak: afgeslacht met de machete.

 

Over baby Uwase:
Leeftijd: twee
Lievelingsspeelgoed: pop;
Favoriete voedsel: frietjes en rijst;
Beste vriend: papa;
Doodsoorzaak: tegen een muur te pletter geslagen.

 

Met de keel dichtgeknepen passeer je zo van kind tot kind, je kruist hun ogen, je ziet hun lach. Die paar woorden op de plakkaatjes, in combinatie met de foto, zijn mokerslagen op het menselijk geweten en de gevoelens. Het zegt zoveel meer als die droge statistieken: van een half miljoen tot 1 miljoen doden op een paar maanden tijd: ongelofelijk erg, maar het zijn cijfers, waarmee we iedere dag via televisie, kranten en sociale media om de oren geslagen worden. Maar de ogen van Antoine en Uwase verbrijzelen statistiekjes en politieke discours. 6 en 2 waren ze. Kinderlijke onschuld, kleine, weke rietstengeltjes die priemden naar de zon. Plots stonden ze in de schaduw, ze zijn afgerukt, afgehouwen, verwelkt, verdwenen. Nooit hebben ze geweten wat hun beulen dreef. Mijn haar op mijn armen staat recht, een koudegolf trekt over mijn ruggengraat, ik word kwaad, maar er is niemand om tegen uit te vallen. Het museum herinnert aan de vele andere genocides van de 20ste eeuw: the killing fields in Cambodia, de holocaust tijdens Wereldoorlog II… En het ergste is dat de mensheid niet leert. Zullen onze achterkleinkinderen ooit hoofdschuddend door een sectie “genocides van de 21ste eeuw” lopen?

Kibuye aan de Kivu

Geplaatst op januari 25, 2015

Chillen in Rwiza lodge

 

Vroeger leerden we dat de hemel boven ons ligt, en de hel onder ons. Maar in realiteit is de hemel vaak ook een hel, en de hel soms hemel. Het Kivumeer en omgeving is zo’n plek. Aan Congolese kant is het al jaren – tot op de dag van vandaag – een hel. Maar in Rwiza Village Guest House aan Rwandese kant lijkt de Kivu terug het paradijs op aarde. Ik lig in mijn bed in een van de 9 kleine hutjes om 6 uur ‘s ochtends. Zonnestralen strelen zacht mijn hoofd. Ik takel mijn oogleden open, hijs mijn hoofd uit het donzige kussen en zie hoe het meer baadt in duizenden glinsteringen onder de ochtendzon. Gezang weergalmt over het rimpelloze water. De dappere vissers peddelen na een lange nacht arbeid met hun vangst terug naar de oever. De boten bestaan uit drie kano’s die aan elkaar geklonken zijn met houten staven en waartussen men netten heeft gespannen. Motoren gebruiken de vissers van het Kivumeer niet. Ik kruip uit mijn bed en plof in mijn ligstoel op het terrasje. Na een vermoeiende missie van twee weken word ik weer meester van mijn tijd. Ik word niet langer geleefd van uur tot uur door mijn agenda. Ik ben alleen, het ruimtegevoel is overweldigend, de stilte oorverdovend. Wat verschilt mijn leven toch van die van de vissers: de open ruimte is hun thuis, stilte hun metgezel, agenda’s onbestaande. De vissers hebben geen agenda nodig: de zon en het licht gidsen hen in wat ze doen. Bij zonsopgang varen ze naar de oever om vis te verkopen. Bij zonsondergang varen ze uit om vis te vangen. Een kleurrijke menigte dorpsbewoners met emmertjes verzamelt zich op de oevers. Een grenadierwever landt op mijn balkon. Ik zeg hallo aan dit feloranje vogeltje met zwarte borst. ’s Avonds, wanneer ik op mijn dooie eentje een reusachtige vleesbrochette verorber op het panoramische terras van Rwiza Village Guest House, verlaten de vissers de steigers opnieuw, de geel rode zonsondergang tegemoet. Ik ben zen als een monnik in een klooster.

 

John is de buitengewoon sympathieke receptionist van Rwiza Village Guest House. Hij vraagt of ik reclame kan maken via Facebook. Want de mensen komen niet uit schrik voor de genocide en de slechte berichtgeving rond het Kivumeer: oorlog, rebellen, kindsoldaten, verkrachtingen, “etnische” conflicten. Hij schudt het hoofd en zegt: “De genocide is 20 jaar geleden en sedertdien is het hier kalm en vredig”. Dat kan ik alleen maar bevestigen. Op een avond wandel ik over de weg van het centrum van Kibuye naar het enige kilometers verderop gelegen Guesthouse. De weg is een perfect onderhouden biljartvlak. De scholen zijn net uit. Joelende kinderen lopen achter me aan. Na een minuut of vijf ben ik verzwolgen in een enorme zwerm schoolkinderen. “Mzungu, mzungu” (blanke, blanke)! Ik lijk wel Sinterklaas, omstuwd door giechelende en gillende jongens en meisjes. Mama’s kijken geamuseerd. Eentje ervan zegt in het Frans: “Je maakt hen aan het lachen”. Ze knikt vriendelijk. John staat langs de kant van de weg, hij kijkt met een mengeling van verbazing en amusement wanneer hij mij te midden van een stoet naar het Guesthouse ziet trekken.

 

De omgeving van Kibuye: waar Rwanda niet zo nieuw is

 

Tijdens mijn anderhalve werkweek in Kigali sjeesde ik over asfaltwegen in kraakwitte terreinwagens van bureau naar bureau en van modelschool naar modelschool. Ik logeerde in een hotel met een suite dat dubbel zo groot is als mijn appartement thuis. Ik at steak met drie soorten roomsaus, Koninginnehapje met frietjes, Pizza Hawai en Dame Blanche in restaurant “The New Cactus” met spectaculair zicht over de stad. Ik dronk in het weekend Campari Orange in Hôtel des Mille Collines. Ik wandelde met gerust hart door residentiële straten met perfecte voetpaden en vol met bloemen en bomen, geen plastiekzak of papiertje op de grond. Een paar jaar geleden is Kigali nog uitgeroepen tot properste stad van het Afrikaanse continent. Ik vergaderde in een net onderhouden tuin naast het zwembad in de sportclub van Kigali, waar mensen onder palmbomen op hun IPads of GSM tokkelen. Grote panelen in het straatbeeld maken duidelijk dat corruptie niet getolereerd wordt en schadelijk is voor de gemeenschap. Wolkenkrabbers steken in de lucht, gevuld met banken en winkels. Kigali: de blitse hoofdstad van het Singapore van Afrika.

 

Hoe anders is het Rwanda dat zich nu rondom mij uitstrekt. Ik zit achter op een motoconcho in de rurale omgeving rond Kibuye. Urenlang hotsen we over onverharde wegen, putten en stenen geselen mijn zitvlak, een helm waggelt pro forma op mijn kruin. Dit is het Rwanda van de theeplukkers. Van boerinnen die, met baby op de rug en onder een loden zon, ganser dagen onverdroten thee plukken voor de fabriek van Gisakura Tea Estate. In de fabriek zelf laden arbeiders de zakken met verse theeblaadjes uit. Andere arbeiders gooien houtblokken in de ovens die de thee moeten branden. Een kwaliteitsverzorgster controleert blaadjes op ongeregeldheden. Een vrouw slurpt thee en spuwt weer uit.

 

Een dag later spring ik op de bus van Kibuye naar het Nyungwe Woud in het Oosten van Rwanda. Geen moderne bus zoals in Kigali, maar een aftands en afgedankt exemplaar geschonken door “het volk van Korea”. Juten zakken liggen opgestapeld in een kooi achteraan. Het vulsel van de banken puilt uit scheuren. Ongevraagd komt er een jeep aangereden die me mee wil nemen. Gefronste blikken zijn mijn deel wanneer ik weiger de jeep in te stappen. Een vrouw lacht en schudt het hoofd: “Vous ne voulez vraiment pas prendre la voiture? ». En ik : « non, je veux voyager comme vous ». De vrouwen giechelen. Wat volgt is een ononderbroken busrit van zeven uur. Maar de beloning voor de benieuwde reiziger is navenant. De bus slingert rond talloze baaien en strandjes van het Kivumeer. Dit is het Rwanda van de stoffige onverharde wegen, van het harde labeur op het veld, van scholen zonder materiaal, van mensen die Engels noch Frans spreken, van mensen die geen “mzungu” zien, van dorpen zonder riolering en waterleidingen. Hoewel de Chinezen hier danig in de weer zijn met het aanleggen van asfaltwegen, kanalen en afvoersystemen. Met een strooien hoedje op het hoofd sturen zij om de zoveel kilometer een team van Rwandezen aan. Dit is het Rwanda waar mensen via de open ramen in en uit de bus springen omdat de deuren gebarricadeerd zijn, van geïsoleerde dorpen die op deze bus wachten voor hun voedselvoorziening, van honderden kinderen die samentroepen rond de bus om de mzungu te zien, van de student informatica die mij vraagt hoe hij België kan binnengeraken omdat er geen enkele toekomst is voor hem in Rwanda. Het andere Rwanda: het gezicht van het platteland, vooralsnog in schril contract met het Rwanda van het economische mirakel.

 

Schoolkinderen op de weg tussen Rwiza Village Guest House en het centrum van Kibuye

Schoolkinderen op de weg tussen Rwiza Village Guest House en het centrum van Kibuye

Achteraan de motoconcho, langs de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Achteraan de motoconcho, langs de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Theeplukster met kind, op de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Theeplukster met kind, op de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Zonsondergang, Kivumeer

Zonsondergang, Kivumeer

Grenadierwever

Grenadierwever

Het stoffige, kleine, charmante centrum van Kibuye

Het stoffige, kleine, charmante centrum van Kibuye

De vissers varen de zonsondergang tegemoet op het Kivumeer

De vissers varen de zonsondergang tegemoet op het Kivumeer

Een ontnuchterende rondreis langs landbouwscholen in Bas-Congo

Geplaatst op augustus 18, 2014

“Adressez-vous d’abord au secretariat” lees ik boven het raampje. Ik ben zonet het directoraat binnengestapt van de technische landbouwschool Nzolo in Kimpese. Een lessenaar staat onder het raam, de vier poten in een hoop bij elkaar geharkte bladeren. Naast de lessenaar staat een antieke fiets. Geen spoor van een secretariaat. We zeggen goedendag tegen de pedagogische begeleider. Hij zit in een rommelig hok met papieren en tekeningen aan de muren. Kalenders prijzen Princess Claire schoonheidsproducten aan, en diensten en producten van de Indische telecommunicatiegigant Airtel en de multinational Beltexco. Er hangt wat rudimentair pedagogisch materiaal, zoals een kaart van Congo gemaakt met steun van het Waals Gewest en een tekening van het spijsverteringsstelsel. In het bureau van de directeur liggen stapels hopeloos verouderd leermateriaal en curricula. Er staan twee typemachines waarvoor men op de antiekmarkt van de Brusselse Marollen geld zou geven.

 

De bureaus van directeur en pedagogisch begeleider doen het ergste vermoeden voor de klaslokalen. De directeur leidt ons rond. Zelfs elementaire zaken als elektriciteit en water liggen niet voor de hand. De directeur legt uit dat een generator regelmatig moet inspringen wanneer de elektriciteit uitvalt. Er is trouwens ook geen water op de school. Leerlingen scheppen water in een rivier verderop. De lokalen mankeren vaak ramen en deuren, zodat tropische regens naar binnen kunnen kletsen. Een golfplaten afdak tovert in combinatie met de loden zon de “stalletjes” in sauna’s om. In sommige klaslokalen zijn de zwarte borden in scherven gebroken. Muren zijn mismeesterd met graffiti en slogans. Het schoolreglement staat met stift op de muur van een klaslokaal gekrabbeld. De witte hemden van de leerlingen steken af tegen de vuile muren. De school beschikt over geen enkele computer. Toch moet het vak ICT gegeven worden. Dat gebeurt dan met de persoonlijke computer van de ICT-leraar. Eén computer voor bijna 200 leerlingen.

 

Meisjes en jongens zitten samen in klassen, maar vrouwen zijn in de minderheid. Op 190 leerlingen zijn er 134 jongens, op 22 leraars 2 vrouwen. En dan stuurt men nog eens zwangere meisjes de laan uit. Tienerzwangerschappen zijn taboe, net als seks. Illustratief daarvoor zijn de knullige potloodtekeningen in het bureau van de pedagogisch begeleider die het leven van man en vrouw uitbeelden, van verloving tot kinderen baren. Een eerste tekening laat een man zien, die een meter naast een vrouw staat met zijn hand op haar rug: de verloving. Op de tweede tekening ligt zijn hand om haar hals, hoewel hij nog steeds onnatuurlijk een meter van haar af staat: de definitieve verbintenis. Het huwelijk wordt uitgebeeld door de derde tekening. De man staat – eindelijk – tegen de vrouw. En de vierde tekening verbeeldt al direct de verloskamer: de geboorte. Wat er gebeurt tussen het huwelijk en de geboorte is taboe: ooievaar, bloemkolen? Nochtans krijgt de directeur op zijn school geregeld te maken met meisjes die zich in fase 4 bevinden, zonder fase 3 doorlopen te hebben. Resultaat: exit van de school en soms ook exit thuis.

In sommige klaslokalen zijn de zwarte borden in scherven gebroken. Muren zijn mismeesterd met graffiti en slogans. Het schoolreglement staat met stift op de muur van een klaslokaal gekrabbeld

Niet veel beter is het in Bolingo, een andere technische landbouwschool rond Kimpese. Elektriciteit? Soms wel, soms niet. Pedagogisch materiaal: veel te weinig. Computers? Geen enkele. Een telefoon? Neen. Maar naast infrastructuur en materiaal is een ander groot probleem het onderwijsniveau van de leraars zelf: 12 van de 21 leraars heeft geen enkele pedagogische opleiding genoten in Bolingo. Vrouwen in het lerarenkorps? Twee. In Nzolo heeft de helft van de leraars nooit een pedagogische opleiding gehad. In de iets beter geëquipeerde technische landbouwschool in de Botanische Tuin in Kisantu: 18 leraars waarvan er 10 geen enkele opleiding hebben genoten. Er is één vrouw. In de landbouwrichting zitten slechts 10% meisjes. Dat is behoorlijk gek als je weet dat 80% van de mensen die actief zijn in de landbouw vrouwen zijn. Vrouwen zijn goed om de ongekwalificeerde handenarbeid te verrichten. Opleidingen die leiden naar kwalificaties en dus meer status en loon zijn mannenterrein.

 

Deze drie landbouwscholen reflecteren de lamentabele situatie van het technisch onderwijs. 90% van de technische scholen beschikt over onvoldoende pedagogisch materiaal om goed les te kunnen geven. Slechts 40% van de leraars in technisch onderwijs heeft een pedagogische opleiding gekregen. De infrastructuur is ondermaats. De verhoudingen tussen meisjes en jongens flink scheefgetrokken. Het onderwijs is ook weinig praktijkgericht en relevant. Laat ons het voorbeeld van ondernemerschap nemen. Dat is net als ICT in mooie curricula gegoten, maar leeft niet in praktijk. In de school in Kisantu maak ik voor de eerste maal kennis met een productie eenheid. Landbouwscholen hebben wat grond, de één meer dan de ander, waarop leerlingen groenten en fruit leren telen. In Kisantu leren leerlingen rijst, maniok en ajuinen verbouwen en fruitbomen planten, in Bolingo appelsienbomen, mangobomen, acacia’s, bananen, avocado en ajuin. De leerlingen verkopen de opbrengsten op de lokale markt, zodat ze het schoolgeld kunnen betalen. Scholen financieren zo zichzelf, geen luxe als je weet dat scholen maximum 50 dollar aan werkingskosten krijgen. En even vaak komt dat geld nooit aan. Het gekke is dat men er niet opkomt om de productie eenheden te gebruiken om ondernemerschap aan te leren. Zo geven die productie eenheden overlevingslandbouw door. Leerlingen leren er niks meer dan wat ze van hun ouders leren: rijst en maniok telen en verkopen op de markt en zo overleven. Het gevolg is dat de productie eenheden ook niet winstgevend zijn.

90% van de technische scholen beschikt over onvoldoende pedagogisch materiaal om goed les te kunnen geven. Slechts 40% van de leraars in technisch onderwijs heeft een pedagogische opleiding gekregen

Het technisch onderwijs staat zo lichtjaren af van de sociaal-economische behoeften van Congo. Het land is virtueel in staat om met zijn landbouw zichzelf en andere Afrikaanse landen te voeden. Maar vandaag moet Congo eten importeren. Wat moet er gebeuren? De productie verhogen door verbeterde teelttechnieken en beter zaaigoed bijvoorbeeld. Meer aandacht besteden aan industriële landbouw en ondernemerschap ook. En daarin speelt ook onderwijs een rol. Maar dan moet ondernemerschap echt gaan leven in de geesten van ambtenaren van het ministerie van onderwijs, van schooldirecteurs, van leraars en uiteraard de leerlingen zelf. En betrek als school diegenen die ondernemerschap het beste kennen: de ondernemers. Pater Charles, directeur en initiatiefnemer van CIVAK bijvoorbeeld, het “Centre d’ Information et de Vulgarisation Agroalimentaire de Kimpese”. Het hoofddoel van dit centrum is om de oogst aan de hand van nieuwe en betere technieken te verwerken tot kwalitatief meer hoogstaande producten. Of Madame Gratitude, directeur van CETRAPAL, een bedrijfje dat landbouwproducten verwerkt en transformeert. Pater Charles en Madame Gratitude hebben wat veel andere Congolezen vooralsnog niet hebben: een ondernemerschapsgeest. Ze denken: we moeten iets meer doen dan alleen maar maniok, of rijst, of groenten planten, oogsten, naar de locale markt versjouwen en verkopen om opnieuw te beginnen. Waarom geen bier maken, of Kambucha thee, fruitsap, confituur, of gedroogde gember? Waarom niet zoeken naar een meerwaarde voor producten? Je kan dan meer verdienen en je bedrijfje laten groeien. Meer werkgelegenheid, meer inkomsten voor de lokale gemeenschappen, meer kansen voor vrouwen. Dus: waar wacht het onderwijs op? De kwaliteit van infrastructuur moet naar omhoog, leraars gevormd, materiaal ter beschikking gesteld. Het landbouwonderwijs moet meer meisjes aantrekken (Madame Gratitude is een landbouwkundige bijvoorbeeld). En aan het onderwijs om ondernemerschap mee te ondersteunen en de fundamenten te leggen van Congo als “graanschuur van Afrika”. Mijn organisatie VVOB werkt daaraan graag mee, maar daarover schrijf ik eens een apart blogartikel.

Technische landbouwschool van Nzolo in de provincie Bas-Congo

Technische landbouwschool van Nzolo in de provincie Bas-Congo

Landbouwschool van Nzolo: zelfs elementaire materiaal als schoolborden is niet evident

Landbouwschool van Nzolo: zelfs elementaire materiaal als schoolborden is niet evident

Adressez-vous d'abord au secretariat...

Adressez-vous d’abord au secretariat…

Madame Gratitude in haar “bedrijfsomgeving”

DSC00105

Leerlingen veeartsenij in de landbouwschool van Bolingo, provincie Bas-Congo

Paasweekend in Bas-Congo

Geplaatst op augustus 10, 2014

Van Kinshasa naar Kisantu

 

Volgens Cathy, een oud-collega van mij, wenen buitenlanders tweemaal als ze naar Kinshasa komen. Eén keer als ze aankomen en één keer als ze vertrekken. Dat laatste kan kloppen want mijn ogen tranen van een forse verkoudheid nu we miljoenenstad Kinshasa uit rijden. We passeren aan het marmeren paleis waar Laurent-Désiré Kabila als president door het hoofd geschoten is door één van zijn kindsoldaten. Een halfuur later baden de buitenwijken van Kinshasa in een apocalyptische sfeer: een donkergrijze hemel, bliksemschichten, stortregen. Overbevolkte marktjes staan in poelen van slijk. Een jongetje zeept zich in en neemt een openluchtdouche. Bulderende camions met metershoge stapels zakken en bananen tuffen in slakkengang voort. Ze braken dieseldampen uit. Hoofden, armen en benen puilen uit de overvolle, geblutste en roestige busjes. De donder roffelt lang en onheilspellend.

 

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig.
Enerzijds zie je troosteloze huisjes, stapels vuilnis, wolken roetpartikels, massa’s mensen die leven van de opbrengt van hun schrale oogst. Anderzijds zie je winkels met weelderig versierde en blinkende doodskisten, poepchique dames in kleurrijke gewaden, mannen in glimmend kostuum en schoenen in krokodillenleer, schreeuwerige reclamepanelen van multinationals, muren beschilderd met reclame voor GSM’s, Coca-Cola en bier. In het dorpje Kasangulu zijn er vluchtheuvels op de weg. Politiemannen hangen rechts ervan onderuitgezakt in blauwe stoelen met het geelrode logo van Primus op. Handig om chauffeurs enige dollars af te luizen en het armtierig loon aan te vullen. In Kinshasa loopt er een experiment met robots die het verkeer regelen. Die vragen geen fooien, zijn niet corrupt en dwingen naar het schijnt zelfs nog respect af ook. Nog een halfuur later rijden we door een groen en heuvelachtig landschap met palmbomen, bamboe en af en toe een machtige Baobab. Au revoir, Kin, avec des larmes dans mes yeux. Hoest. Proest.

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig

We komen ’s avonds in Kisantu aan. Schimmen schrijden door de nacht. Hier en daar ontbloot het schijnsel van een olielamp of een kaars de identiteit van een schim. Het opzwepende soukous ritme schalt uit boksen. Ik stap de jeep uit voor een hotel met spuuglelijke lichtbak aan de gevel. Een uitgemergelde hond passeert. Zou deze vlooienbak Cerberus zijn, de waakhond uit de Griekse mythologie die aan de poort van de onderwereld wacht houdt? Ik schrijd door de poort, val over een verhoog. Regen druppelt uit de goot in mijn nek. De gezichten van mijn reisgezellen verraden een “neen, dit is echt te erg”. Schimmel bouwt een feestje op de vochtige muren van deze muffe holen. We keren terug. We rijden door de duisternis en slaan dan af. Plots hotsen we tussen een dubbele rij straatverlichting, terwijl de wegen elders stikdonker zijn. De weg naar Mbuela lodge. Was het luizenhotelletje de hel, dan is dit het aards paradijs. Een standbeeld van de Maagd Maria verwelkomt ons. Symbolischer kan het niet: op een kwartier tijd van hel naar hemel, van Cerberus tot Maagd Maria. Onder platanen met rode en blauwe lampionnen spelen we de volgende morgen minigolf. Wat verder staat een levensgroot schaakbord in de tuin. Een zwembad. De kamers zijn proper en luxueus op zijn Congolees: een flatscreen TV die niet werkt, een IPod dock zonder Ipod. Een douche zonder warm water. Een frigo zonder iets. In de inkomhal hangt een tiental portretten omhoog van de eigenaar van Mbuela Lodge die handen schudt met Joseph Kabila. De man is ambassadeur voor Congo in Angola. Het is zoals reisgezel Steven opmerkt wat wrang om vast te stellen dat een zeldzame blijk van toeristisch ondernemerschap komt van een invloedrijk man met geld en connecties. Jan met de pet geraakt in het verziekte zakelijke klimaat niet aan vergunningen, eigendomsaktes en registraties voor het starten van een onderneming. Daarom geven de meeste kleinschalige ondernemers er de voorkeur aan informeel te blijven werken waardoor hun groeipotentieel beperkt blijft.

 

Van Kisantu over Mbanza-Ngungu naar Kimpese

 

De volgende dag bezoeken we in Kisantu de Botanische tuin, een domein met 12 kilometer wandelpaden. De Belgische jezuïet Gillet richtte de tuin op in 1901. In het park ligt er een vijver met een hoogbejaarde krokodil waarvan de leeftijd, al naargelang wie je spreekt, varieert van 70 tot 200 jaar. Eerstvolgend stadje na Kistantu is Mbanza-Ngungu, gebouwd door de Belgen eind 19de eeuw. Het groeide en bloeide dankzij de eerste spoorlijn in Congo. Een titanenwerk waaraan negen jaar gewerkt is, en waaraan tweeduizend mensen zich letterlijk doodgewerkt hebben. We zien de roestige treinstellen en oude koloniale woningen. Op de markt springen lege rekken in het oog. Vlees is er nauwelijks te ratten. Een gevilde koeienkop kijkt schaapachtig van op een houten tafel. Wel aanwezig is zwart gerookte vis. In de modder tussen vuilhopen staan advocaten in smetteloze zwarte toga en zwarte lakschoenen die schitteren als de poolster op een heldere avond in de Sahara.

 

Na Mbanza-Ngungu volgt Kimpese. Dit stadje herbergt een groot hospitaal en Angolese vluchtelingenkampen. We gooien onze bagage af in een centrum van de Protestantse kerk, CRAFOD. Nog diezelfde dag marcheren we naar de watervallen van Vampa, die te vinden zijn in een stuk smaragdgroen woud. We passeren langs de “Cimenterie de Lukala”, die 80% van de Congolese cementproductie verzorgt. De zon perst liters zweet uit mijn poriën. Metershoge gewassen prikken in mijn blote armen en gezicht. Mijn hoofd duizelt. De verkoudheid speelt mij parten. Na een uur staan we aan een brug, of beter gezegd: ijzeren draden waarop takken zijn gelegd. Helaas zijn veel van die takken verdwenen. Om die stukken te overbruggen behelpen we ons met de draden: één onder om met de voeten over te schuifelen en één boven om met de handen vast te houden. Hier moeten dus iedere dag mensen over. Ik sukkel heelhuids aan de overkant. Een man vraagt 1000 Congolese dollar: “Il faut payer, vous êtes touriste et vous êtes au Congo”. Ik start een vruchteloze discussie op. “Al veel toeristen gezien hier?”, vraag ik. Hij aarzelt en schudt dan het hoofd. “Wil je dat hier veel toeristen komen?”, hij knikt. “Denk je dat er veel toeristen komen als jij zo opduikt om geld te vragen?”. Sullige blik. “De bedoeling, cher papa, is dat je iets aanbiedt, in ruil daarvoor betalen toeristen dan geld”. Hij vraagt nu 500 Congolese dollar. Steven neemt over: “Papa, il faut réparer le pont avant que vous demandiez de l’argent, n’est-ce pas?”. De man bindt in. Een tiental minuten later lopen we door een sprookjesbos van mangosteen bomen. We bereiken de eerste waterval. Door de invallende duisternis beslissen we om het hierbij te houden. Bij de terugkeer over de brug maak ik een beginnersfout: teveel naar de voeten kijken. Bij het opkijken tikt mijn bril tegen de bovenste ijzerdraad. Het kostelijke kleinood springt van mijn hoofd. De bruinige rivier voert hem mee. Bestemming onbekend. Ik ben even mentaal ontredderd, hang als een slappe schotelvod op die draad, maar Eva roept en zet mijn zinnen weer op scherp. ’s Avonds lopen we door pikkedonkere dorpjes. Zonder bril zie ik niks scherp: een duister schimmenspel, onderbroken door het licht van gele lokken vuur en witte rijen tandjes en pretoogjes van de kindjes. Steven achtervolgt hen. Ze stormen als een kudde schapen uit elkaar. Tiens, een camion uit Sint-Niklaas. Achter ons sluit een rood-oranje horizon als een kleurrijk theaterdoek de dag af.

 

DSC_5512 DSC_5499 DSC00052 DSC00022

Parque Nacional Cerro Cora: één van Paraguay’s natuurschatten

Geplaatst op juni 24, 2014

We overnachten in een pousada in Ponta Porã in Brazilië. Het is gescheiden door een straat – Avenida Internacional – van het stadje Pedro Juan Caballero in Paraguay. Een rare plek. We haalden geld af in Paraguay om een minuut later in Brazilië een pizza met tonijn te bestellen. Vanuit het consulaat van Paraguay in Brazilië kan men Paraguay zien. Brazilianen stouwen hun winkelkarren propvol in het mega shopping centrum in Pedro Juan Caballero, gezien de prijzen er veel lager zijn dan in de shopping centra honderd meter verder in Brazilië. Deze grens is dus ook een dankbaar oord voor smokkelactiviteiten en drugshandel. Die nabijheid zorgt bovendien voor een geregeld kat-en-muis-spelletje tussen criminelen en politie, gezien die eersten gewoon even de straat moeten oversteken om in veiligheid te zijn. Ik zei het al meermaals: Paraguay heeft iets surrealistisch.

 

We overbruggen met de bus de 45 km tussen Pedro Juan Caballero en de ingang van het Nationaal Park Cerro Cora in Paraguay. Een charlatan steekt een betoog af tegen medicatie en de farmaceutische industrie. In zijn hand houdt hij een alternatief vast: een potje met een viezige geelachtige blubber. Een paardenmiddel dat volgens deze dokter Vogel goed is tegen liefdesverdriet, armoede, depressie, opstopping en diarree. Katrien en ik zijn dan ook blij dat we van de bus kunnen, om onze tocht te beginnen in het grootste natuurpark in Paraguay. De Lonely Planet spreekt over zeldzame vogels, schildpadden, gordeldieren, apen en zelfs een jaguar. Toeristen ziet het park zelden. Het bestaat deels uit ontoegankelijk droog tropisch woud en deels uit uitgestrekte savanne. De staat beschermt het park al enige decennia, als één van de zeldzame vrijhavens voor de natuur in een land waar ontbossing dramatische vormen heeft aangenomen. Een half uur later wandelen we moederziel alleen over oranjegekleurde paadjes, die fel afsteken tegen de felgroene omgeving. Hier en daar rijst een heuvel op uit de savanne. Gele kiskadees fladderen rond. Op de grond is er veel te zien: een gordeldier en een harige vogelspin genieten onbeweeglijk van de zon, parasolmieren waggelen met stukjes blad op de rug het nest in, een reuzenduizendpoot contracteert zich de weg over, twee blinkend zwarte kogelmieren kijken toe, een wandelende tak voert een dansje op, vuurwantsen zitten rond een boom.

P1010190

Het park is ook een historische site. Hier eindigde één van de meest bloedige oorlogen die Latijns-Amerika heeft gekend: “La Guerra de la Triple Allianza”, verwijzend naar de oorlog van Paraguay tegen een monsterverbond van Brazilië, Argentinië en Uruguay in de jaren 1880. Het is een plek van naargeestige nationalistische symboliek. De toenmalige president van Paraguay, Francisco López, liet in dit decor het leven, vechtend tegen een Braziliaans garnizoen. Het park ademt nationalistische nostalgie uit. Een pijl wijst in de richting van een paadje dwars door het dichte groen. Een trapje leidt naar beneden, waarna je in het wezen van López kijkt, of althans in dat van zijn standbeeld. Dit zou volgens de nationalistische overlevering de plaats zijn waar hij “heroïsch” is gesneuveld. Met een speer in de buik en een lans in de heup bleef hij zwaaien met zijn sabel, om uiteindelijk de geest te geven, met een Hollywoodiaanse “ik sterf voor Paraguay” op de lippen. Of was het “ik sterf met Paraguay”? Daar bakkeleien mensen met slechte smaak en teveel tijd vandaag in Paraguay nog altijd over. Maar sterven met Paraguay heeft López alvast niet gedaan, want het land is nog steeds alive and kicking terwijl Lópes beenderen al anderhalve eeuw in een kist in het felwitte Pantheon in Asuncion liggen.

We lopen door desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. De paden door de stukken bos zijn zodanig overwoekerd dat ik met een stok een doorgang moet banen. Onder onze voeten liggen wellicht nog veel beenderen van slachtoffers van de Guerra de la Triple Allianza

 

Tussen het groen steekt ook een herdenkingsplaat: “Mama Lynch, la abnegada compañera dio aqui cristiana sepultura a los restos del mariscal Francisco Solano Lopez y de su hijo el coronel Panchito Lopez en el 1er de marzo 1870…”. Hier groef de vrouw van de maarschalk met haar eigen handen een graf uit voor haar man en zoon. Nationalistische pathetiek ten top. Honderdduizenden zijn de dood ingejaagd in een zinloze oorlog, honderdduizenden moeders waren de vrucht van hun leven kwijt. En toch is er maar één moeder/vrouw die een gedenkplaat krijgt, juist diegene wiens man die honderdduizenden de dood heeft ingejaagd. Niet dat iedereen vandaag de mening deelt dat die oorlog zinloos was. Voor nationalisten is López geen maffe dictator met hectoliters bloed aan zijn handen, neen, voor hen is hij een nationale held. Hij is de man van een kleine natie die grote imperialistische machten de wacht durft aan te zeggen. En de slachtoffers van die oorlog zijn geen slachtoffers, het zijn helden die gevallen zijn voor het vaderland. Waar hebben we dat soort idiote retoriek nog gehoord? Ik denk dan altijd aan de nabestaanden en wat die ervan vonden: “Leuk, mijn zonen en/of mijn man zijn gestorven voor het vaderland, I feel happy”. “De helft van de bevolking de dood in gejaagd: troost u allen, het was voor het vaderland, I feel happy!”. Er zijn altijd malloten die juichen als een familielid omkomt voor de “hogere zaak”, maar dat zijn uitzonderingen. Toch vind ik het ongemakkelijk om vast te stellen dat die positieve beeldvorming rond López nog altijd leeft in Paraguay. Zo komen politici hier jaarlijks op 1 maart López herdenken, 1 maart dat trouwens nog altijd een vrije dag is.

 

Het standbeeld van López en die herdenkingsplaat geeft het prachtige natuurpark een ietwat luguber kantje. Wat verder lopen we langs een pad met een galerij met standbeelden van andere “helden”. Lege levenloze ogen van witte standbeelden kijken jou aan in deze godvergeten uithoek in een tropisch woud waar geen kat komt. Er is zelfs straatverlichting, daar waar je dit in Paraguay maar zelden tegenkomt langs de wegen. We lijken figuranten in the Blair Witch Project. We lopen door desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. De paden door de stukken bos zijn zodanig overwoekerd dat ik met een stok een doorgang moet banen. Onder onze voeten liggen wellicht nog veel beenderen van slachtoffers van de Guerra de la Triple Allianza. Toch maar een opluchting wanneer we uit die brousse komen en opnieuw het uitgestrekte landschap van Cerro Cora voor ons zien liggen.

 

P1010166

Parque Cerro Cora

P1010203

Parque Cerro Cora

P1010155c

Parque Cerro Cora

P1010198

Parque Cerro Cora

Pilar: de authentieke parel van het Zuiden

Geplaatst op juni 15, 2014

“Auténtica Perla del Sur” en “Capital de la Cordialidad Paraguaya”. Zulke namen geven goesting om Pilar te bezoeken, een stadje in het Zuidwesten van Paraguay. De straten zijn er omzoomd met netjes geschoren buxussen, ficussen, bloemen en mangobomen. Schilderingen van lokale fauna en flora, van de schepping van de wereld en episodes van Paraguay’s ongenadige oorlogen sieren muren. Standbeelden van schildpadden, papegaaien en reigers fleuren pleinen op. Veel huizen zijn versleten, verf bladdert af, maar ze zijn kleurrijk en hebben stijl. Oude gebouwen als het museum, de bank en de basiliek zouden gerust toeristische trekpleisters kunnen zijn. Zoals in Concepcion is er een sympathieke strandcultuur aanwezig. Het stadje ligt aan het knooppunt van de rivieren “Paraguay” en “Paraná”. Een wirwar van vele kleine stroompjes, riviertjes en beken ontvouwt zich aan het oog van Katrien en mij. We lopen langs het moeras van Neembucu, de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-de-Maagd-van-Pilar weerspiegelt zich in het water. Inwoners varen in kleine houten schuitjes en vissen. Witte reigers doen hetzelfde maar dan efficiënter. Een mooie granieten promenade van anderhalve kilometer lang – la costanera de Pilar – is in opbouw, met sierlijk meubilair in hout en metaal. Hier komt ook een strand van een halve kilometer met wit zand. Jaarlijks op 2 januari vindt het fiesta Hawaiana plaats, een gigantische strandfuif langs de Neembucu, waar 30.000 Paraguayanen, Brazilianen, Argentijnen en zelfs Uruguayanen uit de bol gaan.

P1000883

Op de heetste momenten tijdens de namiddag gaan Pilar en zijn sympathieke inwoners slapen. De zon jaagt alle leven de schaduw in. Later komen mensen weer naar buiten: ze zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, ze wisselen terere uit, ze lezen de krant, oma’s met krulspelden in het haar keuvelen. Auto’s zijn eerder zeldzaam. In de straten snorren vooral brommers rond, en er rinkelen fietsen, en af en toe kraakt een paardenkar voorbij. ’s Avonds zit de jeugd op een bankje, al dan niet met een pintje, te doen wat de jeugd doorgaans doet: drinken, roken, kijken naar anderen, luisteren naar muziek, flirten, kussen, niksen, vervelen. Ik zit met Katrien en haar vriendin Liz op een bankje aan de hoofdweg. Liz wuift naar alle vrienden en kennissen van haar die passeren. Een liedje – cirkels – van Herman Van Veen spookt door mijn hoofd:

 

“en de tijd verslijt de dagen,
met de wijzers van de klok,
die de uren traag vermalen,
heel geruisloos, zonder schok”.

 

Thuis raadpleeg ik Facebook, Twitter, Tumblr, mijn blog, mijn hotmail, mijn 50 e-mails per dag op het werk en tussendoor bekijk ik mijn sms’en. En, o ja, ik moet nog bellen naar de mensen die een boodschap inspraken op mijn antwoordapparaat. Een ander liedje van Herman Van Veen maalt door mijn bovenkamer:

 

“Opzij, opzij, opzij,
Maak plaats, maak plaats, maak plaats,
Ik heb een ongelofelijke haast,
Opzij, opzij, opzij,
Want ik ben haast te laat,
Ik heb maar een paar minuten de tijd,
Ik moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan,
Ik kan nu niet blijven, ik kan nu niet langer blijven staan”.

 

En hier, op dit pleintje in Pilar blijf ik wel, ik blijf te zitten, mijn benen luisteren naar mijn hersenen als een hond naar zijn baas: “zitten”, “liggen”. Alleen het vooruitzicht op een gegrilde verse surubi, corvina of pacu weet mijn hersenen te overtuigen om mijn benen te laten bewegen. ’s Avonds grillen Liz haar ouders twee enorme vissen met tanden waartussen ik mijn handen niet zou willen steken. Als bijgerecht komt de calorieatoombom Sopa Paraguaya op tafel. Dat is geen soep, maar een soufflé met varkensvet, kaas, ajuin, eieren en maïsmeel. Overgoten met rode wijn valt een mens dan weer half in slaap. De tijd verslijt de dagen.

 

Pilar, het Aards Paradijs waar de gebraden duiven in de mond vliegen? Dat nu ook weer niet. In ons hotel – Apart Hotel Liza – zie ik een zwart-wit foto van een boot, met op de achtergrond een wrak van een andere boot. Op het onderschrift staat: “Boot Jannette waarmee honderd Belgen naar Pilar gekomen zijn”. Het herinnert aan een minder fraai kantje van Paraguay: onder dictator Stroessner was het land een vrijhaven voor nazi collaborateurs. Deze honderd Belgen waren op de vlucht voor hun processen voor de oorlogsraden. Zij vestigden zich in de buurt van Encarnacion, een andere stad in het Zuiden van Paraguay. Ze kwamen in de Jannette (what’s in a name voor Nazi collaborateurs) de Atlantische Oceaan over, voeren de Rio de la Plata op en kwamen tenslotte op de Rio Paraguay uit en in Pilar. Vandaar ging het met paard en kar naar het Zuiden van Asuncion, in de regio Capitan Miranda, waar hun afstammelingen vandaag nog steeds leven.

 

Op een hete namiddag zitten we bij Sonja. Zij werkt in de milieusector en ziet de zaken wat somber in. Het gaat over de moeilijke balans tussen economische ontwikkeling en de bescherming van de biodiversiteit. Pilar leeft al lang van kleine veeteelt en landbouw. Maar nu vindt de grootschalige landbouw ook zijn weg naar het Zuiden van Paraguay, zoals grote sojaplantages. Veel van de oorspronkelijke begroeiing verdwijnt. Tegenwoordig is er ook een discussies over de mogelijke grootschalige exploitatie van rijst, zegt Sonja. De teelt is zeer vervuilend voor het milieu: pesticiden komen in het water terecht en de teelt ervan trekt veel water uit de esteros – Spaans voor kreken. De voorstanders verwachten dat rijst een antwoord is op voedseltekorten en werkgelegenheid zal bieden. Sonja verwijst naar vervuiling en het feit dat deze teelten zodanig gemechaniseerd zijn dat er van plaatselijke werkgelegenheid geen bal in huis zal komen. En dan spreken we nog niet over de effecten op de volksgezondheid. Naast landbouw en veeteelt is de katoenfabriek van Pilar de grootse werkgever. De fabriek is gesticht in de jaren dertig door een Italiaan, Paolo Federico Alberzoni en groeide uit tot de zogenaamde “long van het departement van Neembucu”. 10% van de inwoners van Pilar zou in “la Fabrica” werken. Braziliaanse concurrentie laat zich ook hier voelen: het kleuren van de stoffen gebeurt veel goedkoper in Brazilië, waardoor de fabriek moet afslanken en de jobzekerheid van mensen in het gedrang komt. Ik duim dat het niet zo ver moet komen, want Pilar en haar inwoners hebben een sympathieke indruk op mij nagelaten.

P1000881 P1000869 P1000884

Kerstdagen in Asuncion

Geplaatst op juni 10, 2014

Het is 23 december 2009. Maar koud heb ik het niet. In de busterminal van Asuncion valt de hitte als een baksteen op mijn hoofd. Mijn haar voelt aan als een bosje verschroeid gras in de Sahara. Een hoogbejaard wrak tuft traag in mijn richting. Uit het raampje floept het hoofd te voorschijn van een gerimpelde bompa. “Hotel Preciado”, probeer ik. De krasse knar steekt zijn duim in de hoogte en lacht zijn twee gele tanden bloot. Ik plof in de veerloze voorzetel. Bij het vertrek braakt de taxi een gitzwarte roetwolk uit. Dit euthanasie rijpe wrak rammelt aan alle kanten, maar één of andere onzichtbare kracht houdt alle onderdelen bij elkaar. Bompa informeert van waar ik ben. “Belgica”, antwoord ik met een flauwe glimlach. Zijn oogjes lichten op. Bompa beeldt met zijn vinger en duim een pistool uit en begint “boem, boem, boem” te roepen. Tussen de verschillende salvo’s door roept hij “FN Herstal”. Onze nationale “trots” levert dus ook wapens aan Paraguay. Symbolisch om zo Asuncion in te rijden. Wapengekletter en bloedvergieten heeft men in Paraguay zeker niet geschuwd in het verleden. Het landje is bekend als geboorteplek van een aantal megalomane, realiteitszinarme dictators. Nummer 1: Francisco Solano López. Die kwam in de 19de eeuw in een oorlog terecht met Argentinië, Brazilië en Uruguay tegelijk, de “guerra contra la triple allianza”. Eerder onbekend in het Westen, maar één van de bloedigste en barbaarse in de woelige geschiedenis van Latijns-Amerika. Op vijf jaar tijd verloor Paraguay de helft van zijn bevolking, gestorven voor het vaderland, zoals zinloze nationalistische ondernemingen dan genoemd worden. López was een gek die zelfs zijn eigen broers liet vermoorden en vrouw liet martelen. Het eigenaardige is dat oorlogsmisdadigers in de ogen van sommigen vaak helden zijn in de ogen van anderen. Nationalisten zien in hem nog altijd een held van een kleine natie die opstaat tegen grote imperialistische machten als Brazilië en Argentinië.

 

Op het centraal plein van Asuncion – Plaza de los Héroes – staat een stralend wit gebouw, het nationaal pantheon voor de helden van Paraguay. Het is gebouwd door Francisco Solano López, en hij ligt er ook begraven, gedrapeerd onder een Paraguayaanse vlag, samen met andere dictators wiens voornaamste bijdrage aan de geschiedenis oorlog maken is. López heeft ondanks alles ook nog steeds zijn eigen nationale feestdag in Paraguay: 1 maart, dag van de helden, dag van López, die beter omgedoopt zou worden in “herinneringen aan de zinloze gewelddaden van een stomme, megalomane kloot”.

P1000402

Het Pantheon steekt in al zijn stralende witheid sterk af tegen de andere gebouwen van Asuncion. Het lijkt symbolisch voor een verheerlijkt verleden om de aandacht van het heden af te wenden. Troosteloze gebinten van onafgewerkte woonblokken staan her en der verspreid, koloniale huizen liggen in verval. Kantoorgebouwen zijn zo grijs als het weer op een druilerige herfstdag in België. En toch heeft Asuncion zijn charmes. Je bent vrij om te doen wat je wil. Er zijn geen Lonely Planet’s of Rough Guides die je zeggen wat je moet gezien hebben, geen brochures met hoogtepunten, geen plattegronden. Er is geen toeristische dienst. In Asuncion krijgt een mens de gelegenheid echt kennis te maken met het dagelijkse en gewone leven in een stad, omdat hij nu eenmaal niet van de ene attractie naar de andere wordt gezogen. Van andere steden weet je al wat er te zien en te beleven is. Her en der staat nog wat koloniale architectuur recht, en er zijn ook een paar gezellige groene plazas. De keuken is opvallend multicultureel in Asuncion: eenvoudig lokaal Paraguayaans, Koreaans, Chinees, Italiaans en Libanees. Voor een snelle, goedkope hap kan men terecht bij kraampjes met pancho’s (hot dogs). ’s Middags eet ik een soepje in een onooglijk Koreaans hokje met één tafel in de keuken. ‘s Avonds schuif ik de benen onder de tafel bij Oscar, een Paraguayaans parilla restaurant, met een barbecue aan de straatkant. Paraguay: dat is vleescultuur. Het land staat in het Guinness Record Book voor het maken van de grootste worst in de menselijke geschiedenis: 203,8 meter lang en 270 kilogram zwaar. Asuncion heeft ook up market eetgelegenheden. Een aanrader is Confiteria Bolsi, een van de jaren zestig daterend Paraguayaans restaurant. Een topper op de kaart is de surubi casa nostra, een katvis met smakelijk stevig vlees.

 

Het is nu 24 december in de namiddag. De zon staat hoog aan de hemel. Ik slenter rond in het centrum van Asuncion. Op Plaza Constitucion gaat er een feestje door van en voor de kinderen uit de sloppenwijken. Meisjes voeren er een traditionele dans uit, de danza de la botella of de “dans van de fles”.

P1000402c

Ze huppelen in traditionele kledij rond met een fles op hun hoofd. En zowaar, de flessen blijven kaarsrecht staan. Vanuit de kathedraal van Asuncion weerklinkt klassieke muziek. De deur van de kathedraal staat op een kier, ik glip geruisloos naar binnen. Een koor zingt het Requiem van Mozart. Een dodenmis op het feest van de geboorte van Christus. Surrealistisch Paraguay. Maar daarna gaat iedereen in familiale kring Kerst gaan vieren. De kindertjes keren terug naar de sloppenwijk. Asuncion lijkt plots een spookstad. Ik dool rond in een schilderij van Paul Magritte. De maan staat hoog aan de kraakblauwe hemel. Er zijn meer kunstkerstbomen en kerststallen op de straat dan mensen. Aan lantaarnpalen hangt de dik ingeduffelde Kerstman met zijn arrenslee, vliegende rendieren en sneeuwvlokjes te roosteren onder de zon. Een eenzaamheidsgevoel overmeestert mij. Niet één restaurant opent haar deuren. En erger, ook de winkels zijn zonder één uitzondering gesloten. Onder een kerstboom staat een hotdogkraampje met een ouwe knar met kerstmuts. Ik bedissel een zak sandwiches. Worsten heeft hij niet langer in de aanbieding. Het is duidelijk dat ook niemand op deze man wacht thuis. Daarna sjok ik naar Hotel Preciado. Ik spreid de sandwiches, de pot aardbeienconfituur, een fles cola en mijn Zwitsers zakmes op mijn bed. En ik kijk op het feest van de geboorte van Christus naar Solaris, een film over een groep astronauten die de uitdovende zon moet reactiveren met een atoombom. Best surrealistisch, Paraguay.

Concepcion

Geplaatst op mei 20, 2014

Boodschap aan alle zenuwpezen: kom even afkicken van de stress in een Paraguayaans dorp of stadje, zoals Concepcion. Op de heetste momenten tijdens de namiddag is het siësta. Mensen zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, terere uitwisselend, krantje lezen, oma met krulspelden in het haar. Er rijden nauwelijks auto’s, brommers snorren voorbij, fietsen klingelen en paardenkarren rammelen. Een schriel paard lummelt op zijn dooie akkertje door de straten, kippen scharrelen in het rond en twee flikken liggen te soezen voor de ingang van de plaatselijke bank. In Heladeria Amistad eten locals een ijsje, kwestie van de lichaamstemperatuur een paar graden naar beneden in deze bakoven. Heel af en toe doorbreekt een pick up de rust met de typische Cumbia muziek richting strand. Want ja, er is nog een gezellig strandje aan de Rio Paraguay. Niet bepaald Copacabana beach of Blankenberge plage. Geen bimbo’s of David Hasselhoff lookalikes hier. Vrouwen staan met al hun kleren aan in het water, terere in de ene hand en spartelende jonge ukkies in de andere. Een man leurt met chipas, een calorieatoombom samengesteld uit maïs, maniokbloem, kaas, eieren en varkensvet, een combinatie voor fans van verzadigde vetzuren. Een compilatie van de plaatselijke knuffelrock schalt uit een eigenhandig gebricoleerde disco. Wat een leuk en ontspannen familiesfeertje. Ja, Concepcion is misschien zonder grote toeristische attracties, maar het heeft een authenticiteit dat ik zelden heb ervaren.

P1010106 P1010107c P1010116a P1010116b P1010125 P1010107a

Verhalen uit de Chaco: taguas, leeuwen en ratelslangen

Geplaatst op april 6, 2014

Dat de Paraguayaanse Chaco heel lang een godvergeten gat is geweest, bewijst de geschiedenis van de tagua. Tot 1970 ging men ervan uit dat het beest tienduizenden jaren geleden de pijp aan maarten had gegeven. Tijdens een zoektocht naar fossielen halverwege de jaren zeventig keken verbaasde wetenschappers plots een echte tagua in de ogen. De tagua is zo één van de weinige grote zoogdieren die pas “ontdekt” zijn geworden in de 20ste eeuw. De tagua is een everzwijn met een grijs-bruine pels en een witte collier om de hals en belachelijk smalle pootjes in verhouding tot het lichaam. Grappig zijn de haren van gemiddeld 20 cm die rechtstaan in de nek. De tagua komt alleen voor in de Chaco. Grootschalige veeteelt, stroperij en een gebrek aan overheidsbeleid brachten de soort aan de rand van totale uitroeiing. Mennonieten, die mee aan de basis liggen de grootschalige veeteelt, lieten ook hun goed hart zien en hebben na de ontdekking van de tagua een reservaat voor die beesten opgezet, met fondsen van de San Diego zoo in California. Katrien en ik staan in dit reservaat te kijken naar drie taguas die in een halve cirkel naast elkaar afgrijselijke stinkscheten in de atmosfeer blazen. Het is hun natuurlijk verdedigingsmiddel tegen vijanden en homo sapiens is daarbij vijand nummer 1.

P1000857

De zoektocht naar de tagua bracht ons eerder ook naar de vermeende zoo van Filadelfia. Vermeend, want die zoo bestond niet meer. “Verhuisd” wist Marylin ons te zeggen, naar de “wijde omgeving” rond Loma Plata, een ander Mennonietenstadje. Halfweg tussen Filadelfia en Lomo Plata vroeg ze de weg aan een eenzame fietser, een Paraguayaan met een T-shirt “I like New-York but now I want to go home”. Zo kwamen we aan een hotel terecht, waarvan de tuin de zoo herbergde. “Neen, geen dieren meer”, schudt de wat verbaasde hoteleigenaar het hoofd, “enkel nog vier leeuwen”. De andere dieren waren “weggespoeld” na hevige regens. Leeuwen in Paraguay? Weggespoelde dieren? Rare plek hier. Maar er stonden nog dierenhokken, overwoekerd door struikgewas en onkruid. Tussen de hokken hingen de beddenlakens van het hotel te drogen “Typisch Paraguayaans”, fluistert Marylin. “Ze dragen zorg voor niks”. Maar waarom zouden verarmde Paraguayanen geld steken in een zoo die twee toeristen per jaar ziet? Beesten die ze zelf in de natuur zien lopen? Helemaal achteraan stond het hok van de “leeuwen”, die poema’s blijken te zijn, die wel degelijk voorkomen in Paraguay. Twee volwassen exemplaren en twee pasgeboren exemplaren van een maand oud. Met helderblauwe oogjes en zwarte vlekjes over de pels. Over de vloer ligt een afgeknauwd schouderblad en een bloederig dijbeen.

P1000778

Een kennismaking met een beest dat tot voor kort voor de wetenschap als een prehistorisch fossiel te boek stond, een weggespoelde zoo met vier overlevende poema’s in de tuin van een hotel. Ja, in die Chaco valt een en ander te beleven. Opvallend is dat we veel meer met acuut uitsterven bedreigde taguas hebben gezien dan toeristen. Als er al eens een toerist komt, is het familie van Mennonieten of avontuurlijk ingestelde ornithologen. De Lonely Planets en Rough Guides van deze wereld hebben Paraguay nog niet ontdekt, laat staan het wildste en meest ontoegankelijke stuk ervan. We hadden contact gehad met ene Walter Ratzlaff, maar eenmaal in Filadelfia bleek die onvindbaar. En zo kwamen we via de museumconservator in Filadelfia terecht bij zijn zus, Marylin. Zelf waren wij de eerste toeristen die ze dieper in de Chaco zou rondrijden. Met de GPS aldus, lacht ze. Een nog groter avontuur voor haar dan voor ons. We begonnen met een ontspannen rondritje op haar ranch. Op een uurtje tijd zagen we twee uilen, drie struisvogels, bonte parkieten, grote aalscholvers, ibissen met een geel hoofd, een reiger met een blauw hoofd en een rode snavel en een specht. Achteraan haar ranch ligt er in een bosje een poel waar regelmatig tapirs op bezoek kwamen. “A ja, is dat interessant?”, vroeg ze verwonderd. Ik vertelde haar dat gidsen er zich voor meer dan 100 US dollar per dag in het Amazonewoud en de Braziliaanse Pantanal een punthoofd naar zoeken.

Een kennismaking met een beest dat tot voor kort voor de wetenschap als een prehistorisch fossiel te boek stond, een weggespoelde zoo met vier overlevende poema’s in de tuin van een hotel. Ja, in die Chaco valt een en ander te beleven

Dat ontoeristisch kantje aan Paraguay is heel aantrekkelijk. In 2007 hadden we het Parque Cerro Corra bezocht, een mengeling van ontoegankelijk droog tropisch woud en savanne. Paadjes moet je zelf uitzoeken en brengen de wat benauwde toerist op desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. Hier en daar rijst een spuuglelijke monument op uit het landschap, waaronder de herdenkingsplaats voor één van de grootste locos uit de Paraguayaanse politiek: Francisco Solano Lopez. Desondanks was de omgeving van het park mooi en vol van leven. We zagen 24 uur mieren, een grappige wandelende tak en een vunzige duizendpoot, een schuw gordeldiertje en een harige vogelspin en vogels om een dozijn ornithologen in delirium te brengen. Maar terug naar de Chaco.

 

Op de middag zaten we in een houten uitkijktoren te kijken naar de meren en bossen om ons heen. Marylin was met ons het Campo Maria Private Reserve in gereden, een gebied met zoute en zoete meren, waarvan de Mennonietencoöperatie Chortitzer eigenaar is. Tientallen zwanen dobberen rustig rond over het kalme water. Een groep witte reigers zit in een boom. Plevieren en eenden zwemmen rond. 50 Chileense flamingo’s staan pal in het ondiepe water. Zoutafzettingen kleuren de oevers wit. Wolken weerspiegelen zich in het rimpelloze meer. Ontelbare pootafdrukken getuigden van de aanwezigheid van tapirs, herten en een wilde kat. In het zand lagen twee slangenskeletten te roosteren in de felle zon. Dit reservaat is toeristisch potentieel, maar nu zijn er geen toeristen. ’s avonds reed Marylin bijna een ratelslang plat, een levend exemplaar en niet gediend met onze aanwezigheid en onze koplampen in haar ogen. Ze draait zich in een bolletje en trekt de kop achteruit, klaar om een paar milliliter verlammend gif in onze aders te spuiten. Daarna kruipt ze in het kreupelhout. Een waardige afsluiter van een verblijf dat nog echt “off the beaten track” geheten mag worden.

 

P1000842 P1000813 P1000802 P1000811
%d bloggers liken dit: