Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Berichten uit de “Democratische Republiek Congo” categorie

Een ontnuchterende rondreis langs landbouwscholen in Bas-Congo

Geplaatst op augustus 18, 2014

“Adressez-vous d’abord au secretariat” lees ik boven het raampje. Ik ben zonet het directoraat binnengestapt van de technische landbouwschool Nzolo in Kimpese. Een lessenaar staat onder het raam, de vier poten in een hoop bij elkaar geharkte bladeren. Naast de lessenaar staat een antieke fiets. Geen spoor van een secretariaat. We zeggen goedendag tegen de pedagogische begeleider. Hij zit in een rommelig hok met papieren en tekeningen aan de muren. Kalenders prijzen Princess Claire schoonheidsproducten aan, en diensten en producten van de Indische telecommunicatiegigant Airtel en de multinational Beltexco. Er hangt wat rudimentair pedagogisch materiaal, zoals een kaart van Congo gemaakt met steun van het Waals Gewest en een tekening van het spijsverteringsstelsel. In het bureau van de directeur liggen stapels hopeloos verouderd leermateriaal en curricula. Er staan twee typemachines waarvoor men op de antiekmarkt van de Brusselse Marollen geld zou geven.

 

De bureaus van directeur en pedagogisch begeleider doen het ergste vermoeden voor de klaslokalen. De directeur leidt ons rond. Zelfs elementaire zaken als elektriciteit en water liggen niet voor de hand. De directeur legt uit dat een generator regelmatig moet inspringen wanneer de elektriciteit uitvalt. Er is trouwens ook geen water op de school. Leerlingen scheppen water in een rivier verderop. De lokalen mankeren vaak ramen en deuren, zodat tropische regens naar binnen kunnen kletsen. Een golfplaten afdak tovert in combinatie met de loden zon de “stalletjes” in sauna’s om. In sommige klaslokalen zijn de zwarte borden in scherven gebroken. Muren zijn mismeesterd met graffiti en slogans. Het schoolreglement staat met stift op de muur van een klaslokaal gekrabbeld. De witte hemden van de leerlingen steken af tegen de vuile muren. De school beschikt over geen enkele computer. Toch moet het vak ICT gegeven worden. Dat gebeurt dan met de persoonlijke computer van de ICT-leraar. Eén computer voor bijna 200 leerlingen.

 

Meisjes en jongens zitten samen in klassen, maar vrouwen zijn in de minderheid. Op 190 leerlingen zijn er 134 jongens, op 22 leraars 2 vrouwen. En dan stuurt men nog eens zwangere meisjes de laan uit. Tienerzwangerschappen zijn taboe, net als seks. Illustratief daarvoor zijn de knullige potloodtekeningen in het bureau van de pedagogisch begeleider die het leven van man en vrouw uitbeelden, van verloving tot kinderen baren. Een eerste tekening laat een man zien, die een meter naast een vrouw staat met zijn hand op haar rug: de verloving. Op de tweede tekening ligt zijn hand om haar hals, hoewel hij nog steeds onnatuurlijk een meter van haar af staat: de definitieve verbintenis. Het huwelijk wordt uitgebeeld door de derde tekening. De man staat – eindelijk – tegen de vrouw. En de vierde tekening verbeeldt al direct de verloskamer: de geboorte. Wat er gebeurt tussen het huwelijk en de geboorte is taboe: ooievaar, bloemkolen? Nochtans krijgt de directeur op zijn school geregeld te maken met meisjes die zich in fase 4 bevinden, zonder fase 3 doorlopen te hebben. Resultaat: exit van de school en soms ook exit thuis.

In sommige klaslokalen zijn de zwarte borden in scherven gebroken. Muren zijn mismeesterd met graffiti en slogans. Het schoolreglement staat met stift op de muur van een klaslokaal gekrabbeld

Niet veel beter is het in Bolingo, een andere technische landbouwschool rond Kimpese. Elektriciteit? Soms wel, soms niet. Pedagogisch materiaal: veel te weinig. Computers? Geen enkele. Een telefoon? Neen. Maar naast infrastructuur en materiaal is een ander groot probleem het onderwijsniveau van de leraars zelf: 12 van de 21 leraars heeft geen enkele pedagogische opleiding genoten in Bolingo. Vrouwen in het lerarenkorps? Twee. In Nzolo heeft de helft van de leraars nooit een pedagogische opleiding gehad. In de iets beter geëquipeerde technische landbouwschool in de Botanische Tuin in Kisantu: 18 leraars waarvan er 10 geen enkele opleiding hebben genoten. Er is één vrouw. In de landbouwrichting zitten slechts 10% meisjes. Dat is behoorlijk gek als je weet dat 80% van de mensen die actief zijn in de landbouw vrouwen zijn. Vrouwen zijn goed om de ongekwalificeerde handenarbeid te verrichten. Opleidingen die leiden naar kwalificaties en dus meer status en loon zijn mannenterrein.

 

Deze drie landbouwscholen reflecteren de lamentabele situatie van het technisch onderwijs. 90% van de technische scholen beschikt over onvoldoende pedagogisch materiaal om goed les te kunnen geven. Slechts 40% van de leraars in technisch onderwijs heeft een pedagogische opleiding gekregen. De infrastructuur is ondermaats. De verhoudingen tussen meisjes en jongens flink scheefgetrokken. Het onderwijs is ook weinig praktijkgericht en relevant. Laat ons het voorbeeld van ondernemerschap nemen. Dat is net als ICT in mooie curricula gegoten, maar leeft niet in praktijk. In de school in Kisantu maak ik voor de eerste maal kennis met een productie eenheid. Landbouwscholen hebben wat grond, de één meer dan de ander, waarop leerlingen groenten en fruit leren telen. In Kisantu leren leerlingen rijst, maniok en ajuinen verbouwen en fruitbomen planten, in Bolingo appelsienbomen, mangobomen, acacia’s, bananen, avocado en ajuin. De leerlingen verkopen de opbrengsten op de lokale markt, zodat ze het schoolgeld kunnen betalen. Scholen financieren zo zichzelf, geen luxe als je weet dat scholen maximum 50 dollar aan werkingskosten krijgen. En even vaak komt dat geld nooit aan. Het gekke is dat men er niet opkomt om de productie eenheden te gebruiken om ondernemerschap aan te leren. Zo geven die productie eenheden overlevingslandbouw door. Leerlingen leren er niks meer dan wat ze van hun ouders leren: rijst en maniok telen en verkopen op de markt en zo overleven. Het gevolg is dat de productie eenheden ook niet winstgevend zijn.

90% van de technische scholen beschikt over onvoldoende pedagogisch materiaal om goed les te kunnen geven. Slechts 40% van de leraars in technisch onderwijs heeft een pedagogische opleiding gekregen

Het technisch onderwijs staat zo lichtjaren af van de sociaal-economische behoeften van Congo. Het land is virtueel in staat om met zijn landbouw zichzelf en andere Afrikaanse landen te voeden. Maar vandaag moet Congo eten importeren. Wat moet er gebeuren? De productie verhogen door verbeterde teelttechnieken en beter zaaigoed bijvoorbeeld. Meer aandacht besteden aan industriële landbouw en ondernemerschap ook. En daarin speelt ook onderwijs een rol. Maar dan moet ondernemerschap echt gaan leven in de geesten van ambtenaren van het ministerie van onderwijs, van schooldirecteurs, van leraars en uiteraard de leerlingen zelf. En betrek als school diegenen die ondernemerschap het beste kennen: de ondernemers. Pater Charles, directeur en initiatiefnemer van CIVAK bijvoorbeeld, het “Centre d’ Information et de Vulgarisation Agroalimentaire de Kimpese”. Het hoofddoel van dit centrum is om de oogst aan de hand van nieuwe en betere technieken te verwerken tot kwalitatief meer hoogstaande producten. Of Madame Gratitude, directeur van CETRAPAL, een bedrijfje dat landbouwproducten verwerkt en transformeert. Pater Charles en Madame Gratitude hebben wat veel andere Congolezen vooralsnog niet hebben: een ondernemerschapsgeest. Ze denken: we moeten iets meer doen dan alleen maar maniok, of rijst, of groenten planten, oogsten, naar de locale markt versjouwen en verkopen om opnieuw te beginnen. Waarom geen bier maken, of Kambucha thee, fruitsap, confituur, of gedroogde gember? Waarom niet zoeken naar een meerwaarde voor producten? Je kan dan meer verdienen en je bedrijfje laten groeien. Meer werkgelegenheid, meer inkomsten voor de lokale gemeenschappen, meer kansen voor vrouwen. Dus: waar wacht het onderwijs op? De kwaliteit van infrastructuur moet naar omhoog, leraars gevormd, materiaal ter beschikking gesteld. Het landbouwonderwijs moet meer meisjes aantrekken (Madame Gratitude is een landbouwkundige bijvoorbeeld). En aan het onderwijs om ondernemerschap mee te ondersteunen en de fundamenten te leggen van Congo als “graanschuur van Afrika”. Mijn organisatie VVOB werkt daaraan graag mee, maar daarover schrijf ik eens een apart blogartikel.

Technische landbouwschool van Nzolo in de provincie Bas-Congo

Technische landbouwschool van Nzolo in de provincie Bas-Congo

Landbouwschool van Nzolo: zelfs elementaire materiaal als schoolborden is niet evident

Landbouwschool van Nzolo: zelfs elementaire materiaal als schoolborden is niet evident

Adressez-vous d'abord au secretariat...

Adressez-vous d’abord au secretariat…

Madame Gratitude in haar “bedrijfsomgeving”

DSC00105

Leerlingen veeartsenij in de landbouwschool van Bolingo, provincie Bas-Congo

Paasweekend in Bas-Congo

Geplaatst op augustus 10, 2014

Van Kinshasa naar Kisantu

 

Volgens Cathy, een oud-collega van mij, wenen buitenlanders tweemaal als ze naar Kinshasa komen. Eén keer als ze aankomen en één keer als ze vertrekken. Dat laatste kan kloppen want mijn ogen tranen van een forse verkoudheid nu we miljoenenstad Kinshasa uit rijden. We passeren aan het marmeren paleis waar Laurent-Désiré Kabila als president door het hoofd geschoten is door één van zijn kindsoldaten. Een halfuur later baden de buitenwijken van Kinshasa in een apocalyptische sfeer: een donkergrijze hemel, bliksemschichten, stortregen. Overbevolkte marktjes staan in poelen van slijk. Een jongetje zeept zich in en neemt een openluchtdouche. Bulderende camions met metershoge stapels zakken en bananen tuffen in slakkengang voort. Ze braken dieseldampen uit. Hoofden, armen en benen puilen uit de overvolle, geblutste en roestige busjes. De donder roffelt lang en onheilspellend.

 

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig.
Enerzijds zie je troosteloze huisjes, stapels vuilnis, wolken roetpartikels, massa’s mensen die leven van de opbrengt van hun schrale oogst. Anderzijds zie je winkels met weelderig versierde en blinkende doodskisten, poepchique dames in kleurrijke gewaden, mannen in glimmend kostuum en schoenen in krokodillenleer, schreeuwerige reclamepanelen van multinationals, muren beschilderd met reclame voor GSM’s, Coca-Cola en bier. In het dorpje Kasangulu zijn er vluchtheuvels op de weg. Politiemannen hangen rechts ervan onderuitgezakt in blauwe stoelen met het geelrode logo van Primus op. Handig om chauffeurs enige dollars af te luizen en het armtierig loon aan te vullen. In Kinshasa loopt er een experiment met robots die het verkeer regelen. Die vragen geen fooien, zijn niet corrupt en dwingen naar het schijnt zelfs nog respect af ook. Nog een halfuur later rijden we door een groen en heuvelachtig landschap met palmbomen, bamboe en af en toe een machtige Baobab. Au revoir, Kin, avec des larmes dans mes yeux. Hoest. Proest.

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig

We komen ’s avonds in Kisantu aan. Schimmen schrijden door de nacht. Hier en daar ontbloot het schijnsel van een olielamp of een kaars de identiteit van een schim. Het opzwepende soukous ritme schalt uit boksen. Ik stap de jeep uit voor een hotel met spuuglelijke lichtbak aan de gevel. Een uitgemergelde hond passeert. Zou deze vlooienbak Cerberus zijn, de waakhond uit de Griekse mythologie die aan de poort van de onderwereld wacht houdt? Ik schrijd door de poort, val over een verhoog. Regen druppelt uit de goot in mijn nek. De gezichten van mijn reisgezellen verraden een “neen, dit is echt te erg”. Schimmel bouwt een feestje op de vochtige muren van deze muffe holen. We keren terug. We rijden door de duisternis en slaan dan af. Plots hotsen we tussen een dubbele rij straatverlichting, terwijl de wegen elders stikdonker zijn. De weg naar Mbuela lodge. Was het luizenhotelletje de hel, dan is dit het aards paradijs. Een standbeeld van de Maagd Maria verwelkomt ons. Symbolischer kan het niet: op een kwartier tijd van hel naar hemel, van Cerberus tot Maagd Maria. Onder platanen met rode en blauwe lampionnen spelen we de volgende morgen minigolf. Wat verder staat een levensgroot schaakbord in de tuin. Een zwembad. De kamers zijn proper en luxueus op zijn Congolees: een flatscreen TV die niet werkt, een IPod dock zonder Ipod. Een douche zonder warm water. Een frigo zonder iets. In de inkomhal hangt een tiental portretten omhoog van de eigenaar van Mbuela Lodge die handen schudt met Joseph Kabila. De man is ambassadeur voor Congo in Angola. Het is zoals reisgezel Steven opmerkt wat wrang om vast te stellen dat een zeldzame blijk van toeristisch ondernemerschap komt van een invloedrijk man met geld en connecties. Jan met de pet geraakt in het verziekte zakelijke klimaat niet aan vergunningen, eigendomsaktes en registraties voor het starten van een onderneming. Daarom geven de meeste kleinschalige ondernemers er de voorkeur aan informeel te blijven werken waardoor hun groeipotentieel beperkt blijft.

 

Van Kisantu over Mbanza-Ngungu naar Kimpese

 

De volgende dag bezoeken we in Kisantu de Botanische tuin, een domein met 12 kilometer wandelpaden. De Belgische jezuïet Gillet richtte de tuin op in 1901. In het park ligt er een vijver met een hoogbejaarde krokodil waarvan de leeftijd, al naargelang wie je spreekt, varieert van 70 tot 200 jaar. Eerstvolgend stadje na Kistantu is Mbanza-Ngungu, gebouwd door de Belgen eind 19de eeuw. Het groeide en bloeide dankzij de eerste spoorlijn in Congo. Een titanenwerk waaraan negen jaar gewerkt is, en waaraan tweeduizend mensen zich letterlijk doodgewerkt hebben. We zien de roestige treinstellen en oude koloniale woningen. Op de markt springen lege rekken in het oog. Vlees is er nauwelijks te ratten. Een gevilde koeienkop kijkt schaapachtig van op een houten tafel. Wel aanwezig is zwart gerookte vis. In de modder tussen vuilhopen staan advocaten in smetteloze zwarte toga en zwarte lakschoenen die schitteren als de poolster op een heldere avond in de Sahara.

 

Na Mbanza-Ngungu volgt Kimpese. Dit stadje herbergt een groot hospitaal en Angolese vluchtelingenkampen. We gooien onze bagage af in een centrum van de Protestantse kerk, CRAFOD. Nog diezelfde dag marcheren we naar de watervallen van Vampa, die te vinden zijn in een stuk smaragdgroen woud. We passeren langs de “Cimenterie de Lukala”, die 80% van de Congolese cementproductie verzorgt. De zon perst liters zweet uit mijn poriën. Metershoge gewassen prikken in mijn blote armen en gezicht. Mijn hoofd duizelt. De verkoudheid speelt mij parten. Na een uur staan we aan een brug, of beter gezegd: ijzeren draden waarop takken zijn gelegd. Helaas zijn veel van die takken verdwenen. Om die stukken te overbruggen behelpen we ons met de draden: één onder om met de voeten over te schuifelen en één boven om met de handen vast te houden. Hier moeten dus iedere dag mensen over. Ik sukkel heelhuids aan de overkant. Een man vraagt 1000 Congolese dollar: “Il faut payer, vous êtes touriste et vous êtes au Congo”. Ik start een vruchteloze discussie op. “Al veel toeristen gezien hier?”, vraag ik. Hij aarzelt en schudt dan het hoofd. “Wil je dat hier veel toeristen komen?”, hij knikt. “Denk je dat er veel toeristen komen als jij zo opduikt om geld te vragen?”. Sullige blik. “De bedoeling, cher papa, is dat je iets aanbiedt, in ruil daarvoor betalen toeristen dan geld”. Hij vraagt nu 500 Congolese dollar. Steven neemt over: “Papa, il faut réparer le pont avant que vous demandiez de l’argent, n’est-ce pas?”. De man bindt in. Een tiental minuten later lopen we door een sprookjesbos van mangosteen bomen. We bereiken de eerste waterval. Door de invallende duisternis beslissen we om het hierbij te houden. Bij de terugkeer over de brug maak ik een beginnersfout: teveel naar de voeten kijken. Bij het opkijken tikt mijn bril tegen de bovenste ijzerdraad. Het kostelijke kleinood springt van mijn hoofd. De bruinige rivier voert hem mee. Bestemming onbekend. Ik ben even mentaal ontredderd, hang als een slappe schotelvod op die draad, maar Eva roept en zet mijn zinnen weer op scherp. ’s Avonds lopen we door pikkedonkere dorpjes. Zonder bril zie ik niks scherp: een duister schimmenspel, onderbroken door het licht van gele lokken vuur en witte rijen tandjes en pretoogjes van de kindjes. Steven achtervolgt hen. Ze stormen als een kudde schapen uit elkaar. Tiens, een camion uit Sint-Niklaas. Achter ons sluit een rood-oranje horizon als een kleurrijk theaterdoek de dag af.

 

DSC_5512 DSC_5499 DSC00052 DSC00022

Madame Gratitude

Geplaatst op mei 5, 2014

hoge-res versie

Her name is Gratitude and she lives and works in Bas-Congo, a neighbouring province of Kinshasa in DR Congo. Six years ago she started her own microenterprise CETRAPAL – Centre for the Transformation of Local Food Products – on the basis of a very simple idea: turning unharvested fruit like mango, oranges and passion fruit into quality juices, while using honey as a sweetener and using maize in beer. So she creates an added-value to the raw materials of the fertile Congolese soils. As such she transcends a life of subsistance farming that consists of sowing and producing manioc, rice and vegetables for survival and selling small amounts on the local market.

 

This enthusiastic woman studied food processing technology at the Kongo University campus in Kisantu. She actually employs a score of women to clean, cut, bottle and sterilize the fruit. She wants to stimulate the start-up of small transformation companies in other villages of Bas-Congo as well. For the moment she caters for the city of Kisantu, but her ambition is to produce and reach the market of Kinshasa, and why not, the world-wide market outside Congo. The sky is the limit.  Gratitude is a kind of person that Congo really needs: an educated female entrepreneur with a long-term vision, with innovative but very simple and realistic ideas. Gratitude believes in the power of education too: she opens her company for internships for students of neighbouring technical agricultural schools and acts as a role model in these schools. As such we may hope with her that new enthusiastic female entrepreneurs will follow in her pioneering footsteps. And yes, the products of the “terroir de Kisantu” taste delicious, like the Kombucha juice that I personaly qualify “best of the world”. Resignation becomes hope in this small company in a remote corner of the Congolese countryside. Thumbs and heads up.

%d bloggers liken dit: