Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Posts from the “Reisthema’s” Category

Lake Manyara Nationaal Park: het koninkrijk van de tseetsee vlieg

Posted on februari 4, 2016

Reisbrochures springen gretig op de quote van Ernest Hemingway om het Lake Manyara Nationaal park te omschrijven: “The loveliest I had seen in Africa”. De filosofie van het park luidt: “Voeding voor de ziel, troost voor het hart, inspiratie voor de geest”. Touroperators beloven meer dan 400 vogelsoorten, boombeklimmende leeuwen, unieke vergezichten en een microkosmos van alle leven op de savanne. Met dat plaatje voor ogen verschijn ik met jeep, ijdele chauffeur in bloemetjeshemd en een koppel vijftigers voor de ingang van het park.

 

Rangers spuiten de jeep tjokvol met liters stinkende insecticide. Dat wijst erop dat we niet persé alle elementen van die microkosmos willen tegenkomen. We hobbelen over de onverharde weg. Boombeklimmende leeuwen vinden we niet direct, maar wel tseetsee vliegen, nijver op zoek naar een voorraadje bloed. Een aantal van die creaturen zweeft – ondanks de walm insecticide – de jeep in. De vrouw van het koppel vijftigers in de jeep zegt met paniekerige stem: “ze brengen slaapziekte over”. Tja, op de savanne heeft alles zijn voor- en nadelen. Als je het bekijkt vanuit het standpunt van de natuur heeft een tseetseevlieg met slaapziekte ook een functie, net zoals malariamuggen. Ze houden homo sapiens uit de buurt, en alle vervelende bijwerkingen van de aanwezigheid van die naakte aap, als daar zijn: houden van koeien, schapen en geiten, kappen van bossen, platbranden van de savanne… De vrouw mept wild in het rond. Haar elleboog belandt zo per ongeluk tegen het linkerkaakbeen van haar echtgenoot. De hitte en de vochtigheid persen water uit ons lichaam. Kledij zuigt zich aan ons vol.

Lake_Manyara_north

cc Fanny Schertzer. Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5.

Maar zweetdruppels worden zweetbeken wanneer een kudde olifanten onze jeep omsingelt. Een aantal van die loggerds staat over de weg jonge boompjes te knakken en in hun waffel te zwieren, en dikke klonters stront te lozen. Eten, schijten en 200 liter water slurpen. Dan heb je de voornaamste dagbezigheden van een olifant gezien. De olifant is na de mens het dier met de grootste impact op de natuuromgeving. Maar ze vernietigen niet alleen maar. Bomen die neergehaald zijn, bieden weer eten voor andere planteneters. Zaden en noten glijden meestal intact van mond uit anus, zodat bavianen uit de stronthopen van olifanten hun maaltijdje uitpikken. Mestkevers rollen er ballen van waarin eitjes worden gelegd. Door het veelvuldige gereis met die ballen zien planten en bomen de kans om hun zaden verder te verspreiden. Ik keek heel diep in het linkeroog van een olifant. Onze gids houdt zijn wijsvinger voor de mond. Een ogenblik stilte is een moeilijke combinatie met de vrouw en de tseetseevliegen in de jeep. In de man zijn ogen lees ik de vraag waarom hij een smak geld van zijn bankrekening heeft gehaald voor deze safari. Je verheugt jezelf op de safari van jouw leven, en eindigt met gevechten tegen tseetseevliegen, een echtelijke ruzie in een hammam zonder koelbad, onderbroken door de schrik van jouw leven wanneer je in de pupillen kijkt van een knorrige olifant.

 

Naast olifanten en tseetseevliegen is er nog veel anders boeiends te vinden in Lake Manyara Nationaal Park. Bavianen bijvoorbeeld. Die vind ik leuk om te “spotten”, net als mensen, omwille van hun complexe sociale interacties. Bavianen zijn zoals homo sapiens aangewezen op elkaar om te overleven in de savanne. Het alfamannetje tuurt alle richtingen uit. Hij is de patron van een dominante elite aan (jongere) mannetjes binnen de groep, die her en der verspreid zitten in de machtige baobab en vooral op de grond errond. Ik dacht dat apen vooral in bomen zaten, maar bavianen verblijven meer op de grond. Wijfjes zitten met het nageslacht in de armen, andere pikken ongedierte uit de pels van collega’s, een strategie om vriendjes te maken. Nog andere spelen fruit en zaden naar binnen. Een mannetje presenteert zijn messcherpe voortanden. Mannelijke familieleden die op volwassen leeftijd komen worden uit de groep gestoten, en leven als vrijgezellen bij elkaar tot ze de kans zien om hun eigen oligarchie op te zetten. De wereldberoemende bioloog Desmond Morris ziet in die oligarchie een effectief beschermingsmechanisme tegen roofdieren en rivaliserende mannetjes (D. Morris, Waarom hebben zebra’s strepen?).

662px-Impalas_Manyara

cc Fanny Schertzer. Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5.

Onze gids pulkt in zijn neus en kijkt voor zich uit. Hij is een “gids” zoals je die wel meer tegenkomt, veel meer chauffeur dan gids. Voor enige informatie over wat je ziet, ben je aan het verkeerde adres. Veel gidsen komen niet verder dan het beschrijven wat een kleuter al weet nadat het de Lion King gezien heeft. Toeristen vragen daar ook niet naar. Het enige waarvoor “homo safaricus” in de savanne neerstrijkt is de “big five”, met koning leeuw bovenaan de “bucket list”. In het struikgewas staat een gracieuze impala in onze richting te turen. De gids bestudeert nu de inhoud van zijn neus. Hij werpt af en toe een verstrooide blik op de bomen, op zoek naar wat homo safaricus wil zien: boomklimmende leeuwen en luipaarden. Toeristen liggen niet wakker van antilopen. Thuis is er weinig over op te scheppen. De natuur heeft de impala een mooi verflaagje gegeven. Een verticale zwarte streep loopt van de staart tot over het achterste, en het topje van hun oren en de neus is zwart. Zijn onderbuik is snoezig wit en de rug rood-bruin. In tegenstelling tot die slappe schotelvodden van leeuwen – zeker gemaande koning leeuw zelf – zijn impala’s de kwieke snelheidsduivels van de savanne. Voor 80 kilometer per uur draaien ze hun poot niet om. Die snelheid is een evolutionaire aanpassing die antilopen ondergingen toen het tropisch woud in Oost-Afrika afnam ten voordele van grasland. Door hun snelheid konden ze in open grasland uit de grijpgrage klauwen blijven van vleeseters.

 

Lake Manyara Park is ook het park van de giraf. We zien tientallen giraffen in een landschap met door een recente orkaan geknakte bomen en een sodameer met flamingo’s. Twee giraffen slaan met hun nek tegen elkaar. Zeggen ze even sympathiek goeiedag? Een familie wrattenzwijnen trippelt voorbij. Hier leer ik dan toch iets van de gids. Necking is een gevecht om vrouwtjes. Dat is niet onschuldig: nekwervels en onderkaken sneuvelen. De gids rijdt intussen wat nerveuzer in het rond, tevergeefs. We rijden bijna een Kirk’s Dik Dik plat. Een erg snoezig antiloopje, het kleinste van de savanne. Het koppel vijftigers begint ontmoedigd te geraken. De zon zakt. De kleuren worden warmer. De terugtocht wordt ingezet. “Niks gezien”, zucht de vrouw. Lees: geen leeuwen of luipaarden, of minstens iets anders met scherpe tanden en vlees op het menu. Ook de gids kijkt sip. Minder kans op fooi straks. En ik denk: we zagen honderd bavianen in actie, twee giraffen vechten om een wijfje, een groep impala’s dartelen, keken olifanten diep in de pupillen en een gevecht tussen homo sapiens en nijdige tseevliegen met een meer en flamingo’s op de achtergrond. Moet het nog meer zijn?

Een technische school in Santo Domingo de las Tsachilas

Posted on september 13, 2015

Evelien daalt met vaste hand de weg van Quito af, eerst over brede wegen met zicht op Ecuadors vulkanen, dan door een nevelwoud en tenslotte door de provincie Santo Domingo de la Tsáchilas, niet ver van de kust. Onze bestemming voor vandaag is een technische school. Rode harten van motels lichten op tussen bananenplantages. President Rafaël Correa lacht zijn tanden bloot op grote panelen, in het gezelschap van Valeria, het plaatselijke politieke vriendinnetje van Ecuadors machtige nummer 1. Onder één van de panelen draait een onfortuinlijk varken met glazige ogen aan het spit.

 

De technische school schuilt net als de motels tussen monocultuur bananenplantages. De directeur loodst ons zijn bureautje binnen. Het is een kleine technische school zonder enige franje. De bel rinkelt. Jongeren verdringen zich rond een pingpongtafel in open lucht. Anderen zitten, kijken voor zich uit, bijten op hun nagels, giechelen, peuteren in hun neus. Weinig kans dat hun motivatiepeil in dit oord hoge toppen scheert of zal scheren. Handel en boekhouding (“commercia y administracion”) zijn hun lot, iets anders is er niet in de aanbieding. Een blik op een studie die mijn VVOB-collega’s in Ecuador lieten uitvoeren leert dat zoiets niet abnormaal is: 67% van alle leerlingen loopt school in slechts 4 richtingen, waarvan drie kantoorgericht, zoals op deze school. En op Evelien’s vraag of ze niet naar een verder gelegen school kunnen gaan, antwoordt de plezantste van de klas: “Hoe dan wel? Met de ezel?” (“con burro”). Schoolvervoer is afwezig, en kleinschalige familieboeren of arbeiders op bananenplantages tuffen zelden met auto’s rond.

 

P1010968P1010970

 

In jargon heet het dan “dat onderwijs niet is afgestemd op de arbeidsmarkt”. Santo Domingo de las Tsáchilas is een kustprovincie, een geliefkoosde tijdelijke habitat voor de homo turisticus. En veel homo turisticus betekent meer kans op werk en inkomen. Daarnaast is Santo Domingo de las Tsáchilas ook de thuis van een grote zeehaven en één van de grootste olieraffinaderijen van Ecuador. En er is uiteraard landbouwproductie. Maar die laatste levert vooral primaire grondstoffen af, terwijl Ecuador meer afgewerkte producten wil gaan exporteren. Toerisme, logistieke havenactiviteiten, petroleum, landbouwproductie. Het economisch potentieel is er, nu ook nog even technisch geschoolde mensen en ondernemers aan de slag krijgen. En knelt daar dan dat stomme schoentje. Want hier studeren tussen de bananenplantages, motels en aan het spit draaiende varkens jaarlijks tientallen kantoorbedienden af die zich naar eigen zeggen met ezels moeten verplaatsen.

 

Toch zijn er contacten met bedrijven. De leerlingen lopen er stages, althans de directeur. Op de vraag hoeveel hoort de wat bedeesde man het in Keulen donderen. Niks beters om het vertrouwen te winnen van een werkgever, dan door een tijdje in haar of zijn bedrijf meegedraaid te hebben. Maar nogmaals: ieder jaar tussen een paar duizend bananenplanten een paar dozijnen kantoorbedienden loslaten, wat levert dat in ’s hemelsnaam op? Zeker als je al weet dan ook de meeste andere scholen opleiden tot kantoorjobs? Daar waar een stage een smeermiddel is op weg naar echt werk, is het hier vaak bezigheidstherapie. De directeur geeft schoorvoetend toe: ze kunnen stage volgen, maar daarna is er geen werk.

 

Kan de school geen diverser aanbod organiseren, al dan niet in overleg met andere technische scholen? Wat houdt onze minzame directeur eigenlijk tegen? Hij wil wel, pruttelt hij tegen, maar het kan niet, “dolares” weet je wel. “Het ministerie”. Richtingen die leiden tot kantoorjobs vragen minder investeringen vergeleken met “hardere” technische en beroepsopleidingen. Je koopt een stuk of wat tweedehandscomputers, boort een aantal stopcontacten in de muur en betaalt een internetverbinding indien mogelijk. Klaar is kees en de portemonnee zal er zeker geen magerzucht aan overhouden. Automechanica of de bouw, om maar iets te noemen, zijn al andere koek. Een praktijklokaal is een minimumvereiste, met de nodige uitrusting, zoals machinerie en grondstoffen om mee te werken. In een technische school in Suriname zag ik ooit hoe 20 leerlingen bouw hun plan trokken met 50 bakstenen en een emmertje mortel om een muur te metselen. Drie leerlingen kletsten kwakken mortel tussen de stenen, terwijl de 17 anderen de meisjes uit het naburige naaiatelier het hof maakten. Of de automechanica, waar men het “vak” leerde op een audi 50 die 40 jaar geleden van de band is gerold. De vakleerkracht verzekerde mij dat hij die persoonlijk van een oudijzer stort naar de school had gesleept. Een wrak uit het zwartste steenkooltijdperk, toen begrippen als energiezuinigheid, duurzame planeet en smeltende ijskappen nog uit de koker van wetenschappers moesten vallen.

 

Maar een onaangepast onderwijsaanbod, infrastructuur en uitrusting zijn niet de enige problemen. Voortstuderen in hoger onderwijs zit ingebakken in harten en geesten van ouders, leerlingen en de overheid. We vragen in één van de klassen “commercio” wie naar de universiteit wil trekken. Een paar leerlingen overwinnen hun schroom en punten hun wijsvinger richting plafond, een fractie van een seconde later kijken we op een bos aan wijsvingers. Onnodig te tellen, het is iedereen. En wie wil er na zijn studie handel en administratie verder gaan in handel en administratie? Het bos is nu aan een kaalslag onderhevig. En van waar hun motivatie dan voor handel en administratie, vraagt Evelien? “Er is niks anders te studeren”, luidt het laconieke antwoord van schokschouderende tieners. Die arme ziel van een leraar zakt door de grond, en hij stond al wat weggestoken in zijn hoekje. De directeur blijft in zijn rol, glimlachend. Andere klas, zelfde vragen, zelfde antwoorden. “The only way is up” en “up” staat gelijk aan universiteit. “Droooomen zijn bedrog”, zingt Borsato in mijn bovenkamer. Als ze al niet naar een naburige secundaire school geraken, hoe zouden ze dat al doen voor een universiteit, waar ze bovendien al niet op voorbereid zijn? Als ik aan de directeur vraag waar zijn leerlingen terechtkomen zegt hij: in het familiebedrijfje, bij papa en mama aldus. De kantoorbediende mag de rest van zijn leven de grond omspitten of de werkloosheidsstatistieken de hoogte injagen. Geen wonder dat leerlingen ook al eens naar de grote stad lonken.

 

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

 

Maar zaniken alleen lost het probleem nog niet op natuurlijk. Zouden de ambtenaren van het ministerie niet wat meer een uitnodigingsbrief in de bus van de bedrijfswereld droppen? Een uitnodiging om een koffie te drinken en de hersenen samen te verhitten rond de vragen: welke zijn de economische kansen in het land waar Charles Darwin tot zijn evolutietheorie is gekomen? Welke beroepen zijn (zullen) van belang (worden)? Hoe kan onderwijs leerlingen opleiden tot die beroepen? Welke curricula zijn nodig? En hoe kunnen we bedrijven, scholen en hoger onderwijsinstellingen aansporen om samen het technisch onderwijs te verbeteren?

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

Mijn sympathieke collega’s van VVOB in Ecuador ondersteunen verschillende projecten in die richting. Curricula worden met onze steun door het ministerie van onderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven gemaakt. Maar we dalen ook uit de hoge toren van het ministerie af in de provincies, om samenwerking te stimuleren tussen ministerie, scholen en bedrijven. Leerkrachten uit het technisch landbouwonderwijs verruimen bijvoorbeeld hun horizonten in het landbouwbedrijf Tecnoban. Dit is een bedrijf dat zich bezighoudt met het kweken en oogsten van organische bananen, in de provincie van Santo Domingo de las Tsáchilas overigens. Zo leren de leerkrachten succesvolle technieken om ziektes en pest van de gewassen te voorkomen, wat zij dan weer overbrengen op de jongelui die zich al dan niet enthousiast in de cacao zullen storten. Zo leren die leraars en dus hun leerlingen nog eens iets praktisch, want theorie hangt deze jongeren al snel de keel uit. In een ander project leren leerkrachten en leerlingen van de lasopleiding hoe ze aan TIG-MIG-MAG lassen doen, en ze kunnen daarbij de moderne apparatuur gebruiken van het bedrijf Indura. Geen flauw idee wat dat TIG-MIG-MAG lassen mag betekenen, maar het mag duidelijk zijn dat de school zoiets op eigen houtje niet kan inrichten. Zo komen we tot een win-win. Leerkrachten en leerlingen winnen want ze breken uit hun comfortzone en leren de nieuwste technieken, en kunnen daarvoor met moderne apparatuur aan de slag. De bedrijven winnen, want zij krijgen op termijn mensen die opgeleid zijn volgens hun wensen. Het ministerie wint: leuk voor die ambtenaren en politiekers om op TV en in de gazet mee uit te pakken. VVOB wint: we voelen ons goed en nuttig.

P1010966

Wie wil graag verder studeren in administratie en handel? Niemand…

Zoeken naar een kleuterschool in Kinshasa

Posted on augustus 27, 2015

Ik trippel met mijn glimmende zwarte schoenen van Giorgio door de modder en de plassen tot aan de 2de kleuterklas van mijn stiefdochtertje Choupette. Mira en ik kregen zonet een uitleg van Madame la Directrice. Een gezette en uitbundige mama in haar kleurrijke pagne, de kleuterlerares, lijkt ons aan de borst te willen drukken. Mira en ik slaken een zucht van verlichting. We hebben een kleuterschool gevonden die geen gat brandt in de portemonnee, en de mensen zijn op de koop toe nog eens vriendelijk en enthousiast.

 

Waarom die zucht van verlichting? Wel, omdat een goede en betaalbare kleuterschool vinden vergelijkbaar is met het zoeken van een naald in een hooiberg in Congo’s metropool. Choupette rondde vorig jaar de kaap van vier jaar, en dus zochten Mira en ik een kleuterschool. Het eerste probleem dat opdoemde: waar vinden we een kleuterschool? Alvast niet in de buurt waar Mira woonde, nochtans in het hart van Kinshasa. Dus speurden we in de richting van Gombe, niet toevallig de gemeente waar de ambassades en expatgemeenschappen hun stek hebben. Ik dacht spontaan aan de Belgische school, maar verslik mij in mijn coca cola bij het inschrijvingsgeld: 3000 €. Bij ons in den Belgique is kleuteronderwijs gewoon gratis. 3000 €, dat is ook drie keer het jaarsalaris van een benoemd leraar in Congo. De cola blijft een tijdje in mijn maag gisten, wanneer ik de prijzen van andere internationale scholen (uit nieuwsgierigheid) bekijk. De Amerikaanse school spant de kroon: 10.000 dollar inschrijvingsgeld voor een jaar kleuteronderwijs. Bij de Britten en Fransen en anderen is het geen haar beter. En mochten we dat bedrag al van de spaarrekening halen, dan zou er nog geen plaats zijn.

Alleen al aan het aan- en afrijden van die glimmende bakken aan de schoolpoort zie je dat kleuteronderwijs een pure elitebezigheid is. Slechts 4% van de kleuters in Congo volgen onderwijs

Maar geen nood: de boulevard 30 juin en omgeving in Kinshasa huist ook voldoende “Congolese” privé-kleuterscholen. Daar zakken de prijzen van peperduur naar duur. We stappen het secretariaat binnen van een eerste kleuterschool. Een man wijst naar een beduimeld blad papier aan de muur: 1000 dollar inschrijvingsgeld. Een eerste blik in de klassen maakt duidelijk dat mensen met claustrofobie hier niet hun thuis gaan vinden. Wanneer we de tweede kleuterklas bezoeken openen de hemelsluizen zich. De bewaker aan de deur houdt een grote parasol van het naburig terras boven het hoofd van een lokale popster die haar kinderen komt afleveren, netjes met de dikke 4×4. Alleen al aan het aan- en afrijden van die glimmende bakken aan de schoolpoort zie je dat kleuteronderwijs een pure elitebezigheid is. Slechts 4% van de kleuters in Congo volgen onderwijs. En dat is dan in privé kleuterscholen, of de kleuterscholen van de religieuze strekkingen. De staat moeit zich niet met kleuteronderwijs, uitgezonderd een tax die ze heft op de privé-scholen.

 

Met aangeslagen bril piep ik de kleuterklas van het tweede jaar binnen. Ik tel 60 leerlingen en één lerares met het enthousiasme van de gemiddelde beroepsleerling in de les geschiedenis. Ze staart voor zich uit, haar oogleden wegen, maar de krakende donderslagen hoeden de oogleden voor definitieve sluiting. De kleuters zitten in een veel te klein lokaal zonder verse lucht en een hels kabaal. De leerlingen trekken aan elkaars oren, roepen, wenen, lachen, trekken, duwen, slapen. Materiaal is schaars. Tijdens het halfuur dat ik aan de klasdeur sta te schuilen voor de tropische wolkbreuk lijkt de vrouw een stilleven tegen de achtergrond van een kakafonie. Pedagogisch project? Dag Jan. 1000 dollar? Non, merci bien.

 

En na nog enkele bijzonder gelijkaardige avonturen, belanden we ten langen leste in Bienheureuse Anuarite, nabij de Belgische en Franse scholen. Een gezond varken zou met graagte rollebollen in het modderbad, speelplaats genoemd. Maar de directrice lacht vriendelijk. Ze neemt uitgebreid de tijd om Mira en mezelf te woord te staan. Wat later leidt de directrice ons het kleuterklasje binnen. En de Afrikaanse mama steelt onze harten. “Bonjour papa”, zegt ze wanneer ik wat bedeesd mijn hoofd door het gat steek dat toegang verschaft aan een klein maar kleurrijk en gezellig klasje. De kinderen staan recht en heten me ook welkom. “Bonjour papa”, piept het uit de scherpe kinderkeeltjes. 40 leerlingen in een sardienendoosje, met een kleine opening raam genoemd. Zweet gutst uit mijn poriën, mijn ademhaling is zwaar, Mira leunt tegen een muur en blaast. De infrastructuur is rudimentair, materiaal schaars. Maar de dame gesticuleert, babbelt, vraagt, daagt uit. De kinderen zijn enthousiast en aandachtig. Mijn hoed af voor deze bijzondere vrouw.

 

De juffrouw met een paar van haar kleuters in de kleine klas

De juffrouw met een paar van haar kleuters in de kleine klas

 

We schrijven Choupette in. Alles gebeurt met de hand. Geen rekenmachines, laat staan computers. Het inschrijvingsgeld is 325 dollar, cash op de wankele houten tafel te leggen. Met het geld van de ouders betaalt de school het onderwijzend personeel. Maar het inschrijvingsgeld blijkt niet alles. Er zijn “frais de l’état” (10 dollar). Waarvoor? Joost mag het weten, en ook de school weet het niet. En Mira en ik krijgen een lange lijst van schoolmateriaal onder de neus. Dat moeten we bijeen gaan scharrelen in een speciaalzaak in de wijk Marché. Want “Chinese brol” komt er niet in. De “echte” stylo’s, schriften, mappen, potloden stuwen onze rekening naar 200 dollar. Tenslotte komt er nog 25 dollar bij voor administratieve kosten voor de inschrijving. We hoesten aldus 550 dollar op, meer dan vijf keer het maandloon van de vrolijke, immer enthousiaste lerares vooraan de klas.

 

De uitbundige lerares van Choupette helemaal links. De vriendelijke directrice rechts, met Choupette voor haar (in bolletjeskleed)

De uitbundige lerares van Choupette helemaal links. De vriendelijke directrice rechts, met Choupette voor haar (in bolletjeskleed)

 

Privé onderwijs is voor de elite in Kinshasa, en trouwens haast alleen maar in Kinshasa te vinden. Dus om tot de 4% te horen ben je best bemiddeld, en woon je best in de hoofdstad. Dat is het meteen het probleem met privé onderwijs: hoge kosten en vooral in de stad. Zo krijg je alleen de stedelijke elite in de scholen.

 

Maar naast het hoge inschrijvingsgeld staat ook bereikbaarheid van de kleuterscholen een probleem. Ook zo voor onze Choupette. Deze betaalbare school met zijn enthousiast personeel is niet bij de deur. Om tegen 8:00 op school te staan moet onze flinke kleuter uit de veren om 6:00. Na een ijskoude douche (als er water is) en het eten van een sandwich, wandelt ze met haar oudere nicht van thuis naar Kintambo Magasin, het meest chaotische plein op onze aardkluit. Dat neemt een kwartier. Aan de tankstations van Kintambo Magasin starten de collectieve taxi’s die dagelijks tientallen keren de centrale verkeersader van Kinshasa – Boulevard 30 juin – op en afrijden. Daarna volgt een kwartier gewriemel en geduw om een collectieve taxi in te komen. In Congo heerst de wet van de jungle. Schaars zijn de beleefde mensen die prioriteit verlenen aan kleine kinderen of zwangere vrouwen. Wie niet mee wringt, staat met Sint Juttemis nog miljoenen roetpartikels in de longen te zuigen. Daarna volgt een half uur of een uur in de eeuwigdurende ochtendfiles op de nochtans 8 rijbanen rijke Boulevard 30 juin. En helemaal aan het einde is het nog eens een half uur stappen naar school. ’s middags, als het geschel van de schoolbel uitsterft en die eeuwige gele brandbal zijn UV-stralen afschiet op onze dappere kleuter, wandelt ze een half uur terug naar Boulevard 30 juin, om daar in een ellenlage rij te wachten op een taxi. Ze doet het zonder morren, ze klaagt zelfs niet over school. Het is een welgekomen afwisseling voor een kleuter die anders toch maar thuis zit, te staren naar de gedubte versies van Spaanse telenovelas. Ze heeft een klein kartondoosje speelgoed, er zijn geen parken, een paar speeltuinen wel, maar die zijn alweer grof betalend. Chapeau pour ma Choupette.

 

Andere alternatieven zijn er niet: schoolvervoer is onbestaande. Fietsen zijn schaars in Kin, en je zou al rijp zijn voor een gekkenhuis als je met jouw fiets door deze oorlogszone pedaleert. Een individuele taxi is, niet verwonderlijk, peperduur. Het openbaar vervoer bestaat voornamelijk uit de gevreesde Esprits de la mort, de bestelbusjes die met haken en ogen aan elkaar hangen, vaak lichten ontberen en waar mensen vaak aan de buitenkant hangen, zich vastklampend aan deurhendels en raamkozijnen. Dan toch maar de collectieve taxi. Bij navraag op Choupette’s school, blijken alle kinderen aan school afgezet te worden door hun ouders, die behoren tot de weinigen die zich dat kunnen veroorloven. Geen wonder dat 95% van de Congolese kleuters niet in het kleuteronderwijs zit.

 

De school werpt vruchten af: op een paar maanden tijd gaat Choupette haar Frans er met rasse schreden op vooruit. Daar waar het lingala mij een punthoofd bezorgde, kan ik nu met haar in het Frans converseren. Ze begint ook te tellen. Ze maakt vriendjes. Ik hoop ze nu in België klaar te stomen in het 3de jaar kleuteronderwijs voor het lager (inschrijvingsgeld = 0 euro). Laat ons – Belgen / Vlamingen / Franstaligen – bezinnen hoe blij we mogen zijn met ons kosteloos en dichtbijzijnd onderwijs!

DSC01243

Mijn Congolees huwelijk deel 3: het avondfeest

Posted on augustus 20, 2015

De setting is perfect: in open lucht, met mooi gedecoreerde tafels in roze en wit. Palmbomen geven een exotisch gevoel. Vanop de dansvloer kijken we uit op de heuvels van Kin. Een toplocatie. Naar links ligt het huisje met onze “bruidskamer”, inbegrepen in de prijs van de locatie. De bruidskamer, tja, die bleek zonder stromend water te zitten. Bovendien sloot de conciërge ons daar (gewild of ongewild?) op, zonder sleutel, samen met een legertje kakkerlakken.

 

De locatie is perfect!

De locatie is perfect!

 

Maar terug naar het begin. Een avondfeest is bijzonder in Congo, in verschillende opzichten verschillend van wat ik in België gewoon ben. Ten eerste nodigt iedereen zichzelf uit op de trouw. Familieleden van het zevende knoopsgat die Mira “oncle, oncle, oncle” (nonkel van nonkel van nonkel) noemt, of de mensen uit de buurt, ook al kennen die de bruid of bruidegom van haar noch pluimen. Gezien een genodigdenlijst nog steeds tot oneindige discussies leiden, is de oplossing in afschrikking en repressie te vinden. Je plukt een stel politieagenten van de straat met een pistool uit de tijd van Stanley aan de nek en stopt ze 15 dollar toe. Peanuts voor ons, maar zij steken toch maar mooi een kwart van hun maandloon op één avond in hun zakken. Daarvoor willen ze zich wel even een avond heruitvinden als privébewakers.

 

Ten tweede is het huwelijksprotocol tamelijk soepel. We komen vier uur te laat op het feest aan. Even daarvoor viel het licht nog uit in de buurt, waardoor Mira en zus Vicky hun fijne en precieze schminkwerk met behulp van het licht van hun GSM moesten doen. Om 23:00 ’s avonds stappen we de auto uit. We schrijden als een prinsenpaar voort, gevolgd door een wanordelijke stoet joelende vrouwen. Dansen moeten we, direct. De verkoopster van mijn geiten (zie: mariage coutumier), met een indrukwekkend hoofddeksel, trekt ons in elkaars armen. We draaien wat toertjes, het enthousiasme van de vrouwen stijgt naar zenit. We zijn nog niet gaan zitten of Mira’s broer schudt al een aantal rare, maar originele moves uit zijn benen. Een orkestje tovert melodietjes uit de Kasai de avond in. Mira en haar familie zijn van oorsprong van de provincie Kasai. Danseresjes in strooien rokjes drijven de temperatuur op, voor zover dat in Congo nodig is. Want aan de tafels geven sommige mensen al flink van katoen. Al gauw staat er een menigte op de dansvloer. Mira, ik en mijn ma worden de dansvloer opgesleurd. Een rare snuiter met een luipaardenvel en horens op zijn hoofd, de ceremoniemeester naar Kasaiaanse traditie, danst voor mij en Mira. De zanger bromt intussen: “Jan-Mira, Jan-Mira, Jan-Mira”. Volgens de traditie moeten we de man wat Congolese franken op zijn voorhoofd plakken. En vergeet intussen de speeches maar, geen blabla maar boemboem. Het is een hels karwei om de wildste exemplaren weer van de dansvloer te halen voor onze openingsdans. We kiezen voor de bachataversie van Stand By Me, een nogal rustig liedje vergeleken met de uitbundige Ndombolo. Applaus volgt en de DJ steekt weer van wal. Enkel het buffet en een reuzentaart krijgen de Congolezen tijdelijk van de dansvloer.

 

De blijde intrede

De blijde intrede

Danseressen in strooien rokjes dansen op de deuntjes van de Kasai

Danseressen in strooien rokjes dansen op de deuntjes van de Kasai

Gekostumeerde heren schudden dansjes uit de benen

Gekostumeerde heren schudden dansjes uit de benen

Openingsdans: Stand by Me, bachataversie van Prince Royce

Openingsdans: Stand by Me, bachataversie van Prince Royce

Oeps. Geen licht plots, dus schminken met behulp van het licht van de GSM

Oeps. Geen licht plots, dus schminken met behulp van het licht van de GSM

Buffet

Buffet

IMG_0416
De ceremoniemeester volgens Kasaiaanse traditie

De ceremoniemeester volgens Kasaiaanse traditie

 

Ten derde is ook de overhandiging van de trouwcadeaus een aparte belevenis, vergeleken met die van onze contreien. Genodigden komen naar voren, kussen de bruid en geven mij drie kopstoten, een geplogenheid onder Congolese mannen. Dan geven ze hun cadeaus, wat vaak een spectaculair schouwspel is. Bij een eerder huwelijk van Mira’s neef sleurden mensen hele inboedels mee richting het bruidspaar: een televisie, een volledige slaapkamer (met kussens en matrassen op hun hoofd), staande lampen, muurdecoratie en zelfs de lege dozen van al die spullen… Gezien onze toekomst ligt in het Belgenlandje, vroegen we om decoratie en meubilair zo te laten. Een bed of meubilair is nu eenmaal moeilijk om op het vliegtuig te zetten. De kwaliteit van de cadeaus is erg verschillend: een mooi gepersonaliseerd schilderij van mij en mijn nieuwe familie in Kinshasa, maar evengoed een zichtbaar gebruikte koffiekop uit de eigen keukenkast of een enveloppe met ocharme 5 dollar. Ook al iets wat “not done” is bij ons. De laatste kussen zijn nog niet uitgedeeld en de cadeaus niet van het podium, of de eerste billen draaien alweer rond. Ook mijn mooie stiefdochtertje van vier geeft volle gas in haar mooie witte kleedje, heupwiegend en in het ritme alsof ze al sweet sixteen is. We zijn alweer een ervaring rijker in dit leven.

Mijn Congolees huwelijk deel 2: de burgerlijke ceremonie

Posted on augustus 6, 2015

Didier heet de ambtenaar die onze huwelijksadministratie in goede banen moet leiden. Hij zit in zijn kleine hokje met vijf andere ambtenaren. Gaten zitten in het plafond boven Didier. Ik krijg een stoel toegeschoven waarvan de poten los zitten en de rugleuning verdwenen is. Didier is een sympathieke kerel met engelengeduld. Met veel zorg stelt hij ons “projet de mariage” op, de basis van de huwelijksakte. De Belgische ambassade zegt mij een dag later dat de projet de mariage niet volgens de gebruikelijke regels is opgesteld. Mijn volledige naam – incluis alle voornamen – moet vermeld worden. En de eerste letter is een hoofdletter, de rest kleine. De volgende morgen staan we weer bij Didier. Hij herbegint, hij schudt het hoofd en zegt: “pas facile les Belges”, hij lacht, ik lach. Hij schrijft duidelijk, maar in een tempo waar alleen een slak zich goed bij voelt. Halverwege schrijft hij een fout. Hij gaat tipex zoeken op de centrale dienst van de gemeente. In de bureaus is er geen bureaumateriaal omdat het gestolen wordt. Na een kwartier komt hij met het witte potje terug, en verdwijnt daarna nog eens een kwartier om het terug te brengen.

 

Ik krijg ook letterlijk onder de tafel een briefje toegestopt. Ik zie bovenaan “facture” staan. Die blijkt van de burgemeester: een fles whiskey, cola en twee plastieken stoelen “voor de gemeente”. Zo geraakt een gemeente zonder inkomsten aan zijn meubilair in Congo. Daarna volgt een discussie over de prijs voor de ceremonie. Er is de keuze tussen een individueel huwelijk en een collectief. Collectief is veel goedkoper. De burgemeester zegent dan tien koppels tegelijk in. Wij kiezen voor een romantischer individueel huwelijk. Daarna blijkt een individueel huwelijk tussen verschillende nationaliteiten weer duurder dan een “zuiver” Congolees huwelijk. Didier krijgt de toorn van Mira over zich heen en na een halfuurtje over-en-weer gediscussieer zakt de prijs. Congo: het land van de eeuwige onderhandeling.

 

De dag van de ceremonie begeleidt een goed geluimde Didier ons naar een bureautje voor de registratie. Een minder goed geluimd ambtenaar start de discussie op over de factuur voor de burgemeester. Kwartiertje bakkeleien alweer. Ik geef uiteindelijk 20 dollar en één plastiekstoel. We registreren ons. Daarna verplaatsen we ons naar de wachtzaal. Twee vrouwen – de “dienst protocol” – zitten aan een tafeltje. Ook deze dames willen uiteraard hun graantje meepikken. Een laakbare en (voor een Belg als ik) vermoeiende gewoonte maar niet onbegrijpelijk. De mensen worden nauwelijks of niet betaald en moeten ook overleven, incluis hun familie en kinderen. In de zaal zelf wachten we een uurtje omdat de burgemeester aan het lunchen is. Intussen is de oudste broer van Mira in een hoogoplopende discussie verzeild met Didier over de fles whiskey voor de burgemeester. Grappig, vooral als ik zelf niet in de arena sta.

 

In gesprek met Didier

In gesprek met Didier

DSC_4733

 

De burgemeester – in grijs pak met het lint rond de schouder – komt binnen. Iedereen staat recht en we zingen het Congolese volkslied: « Debout Congolais, Unis par le sort, Unis dans l’effort pour l’indépendance, Dressons nos fronts, longtemps courbés Et pour de bon prenons le plus bel élan, dans la paix, O peuple ardent, par le labeur, nous bâtirons un pays plus beau qu’avant, dans la paix.”.

 

Een mooi volkslied, veel mooier, muzikaler en zachter dan de Vlaamse Leeuw of de Brabançonne. De burgemeester knipoogt in mijn richting. Een sympathieke gozer, stel ik met enige opluchting vast. Hij declameert hele paragrafen wetteksten uit zijn hoofd. Hoed af. Maar trop is teveel. Op een bepaald moment vallen mijn oogleden haast dicht, tot het moment hij in mijn ogen kijkt. Hij maant mij half streng half geamuseerd aan niet meer naar andere vrouwen te kijken (“monsieur Jan, vous n’avez plus le droit de regarder une autre femme”) en om mijn rol als gezinshoofd (“père de famille”) op te nemen. Mira van haar kant mag haar oog niet langer laten vallen op andere mannen. En ze is aan haar echtgenoot “eeuwige gehoorzaamheid” verschuldigd. Bij “eeuwige gehoorzaamheid” kijk ik licht geamuseerd vanuit mijn ooghoeken naar Mira. Ze blijft onbewogen, haar blinkende zwarte kijkers gericht op mijnheer de burgervader. “Kinderen baren” is haar laatste echtelijke plicht. Mijn mama vindt de burgemeester streng, of althans strenger “dan bij ons”.

 

Ik houd de gouden ringen in mijn licht bibberende handen. De burgemeester nodigt ons uit voor hem te komen staan en elkaars handen vast te houden. We spreken het magische ja woord uit en schuiven de ringen over elkaars vingers. Ik kus Mira’s volle en prachtige lippen. We omhelzen elkaar onder het portret van de wat stijve Joseph Kabila. Papieren zakdoekjes wapperen, mijn lippen blijken zo rood als die van mijn kersverse vouw. Ik glimlach, krijg een speciaal gevoel van binnen. 41 en dan toch nog getrouwd, ik ben een gelukkig man. We verlaten het pand onder scherp gefluit, luid getoeter, kledders schuim, wolken gouden glittertjes en gejoel. De dienst protocol loodst ons toch nog met een slinks maneuver een bureautje in. Daar zit de burgemeester achter zijn bureau. Of we niks te drinken hebben voor hem? Een fles whiskey bijvoorbeeld? Ik kijk hulpeloos naar mijn vrouw. Mira onderhandelt, hij stelt zich tevreden met een limonade. We nemen afscheid, een belevenis rijker.

 

Allen rond de burgemeester

Allen rond de burgemeester

Tekenen van de huwelijksakte

Tekenen van de huwelijksakte

De kus

De kus

 

We gaan nog op de foto met familie en getuigen voor het fel gekleurde oud-koloniale gemeentehuis van Ngaliema. De bruidsfoto’s nemen we recht tegenover de kazerne van het Congolees leger. Ngaliema is de thuisbasis van het ministerie van landsverdediging en het leger. Mobutu en Kabila “le père” verbleven hier in hun paleis. Ngaliema heeft een geschiedenis van plunderingen en vechten. Vandaag niets van dat alles. Maar de soldaten zijn er wel, soldaten met wapens versus twee geliefden met gouden ringen. Symbool van geweld versus symbool van liefde. Ik word lyrisch.

 

DSC_4813
Familiekiekje

Familiekiekje

DSC_4817 DSC_4819
Met zus Vicky

Met zus Vicky

Met dochtertje Choupette

Met dochtertje Choupette

DSC_4832

Mijn Congolees huwelijk deel 1: mariage coutumier

Posted on juli 30, 2015

In Congo is de eerste stap in het huwelijksproces de “mariage coutumier”, het “gewoontehuwelijk”. Dat is een eeuwenoud en nog steeds populair gebruik in landen ten Zuiden van de Sahara. Een mariage coutumier is een ontmoeting van de families van bruid en bruidegom. De familie van de toekomstige bruidegom vraagt de hand aan de familie van de bruid en overhandigt daarvoor een bruidschat. Hoewel er misbruiken zijn (mensen die er een commerciële transactie van maken en hoge bedragen vragen), gaat het doorgaans om een symbolisch moment waarop de families elkaar beter leren kennen. Wij in België kennen zo’n moment niet. Meestal komen we met ons lief thuis: “voilà, ma of pa, mijn nieuw lief”. Laat staan dat ons ma en pa en een bruidschat gaan betalen. En de band tussen de schoonfamilies is bij ons doorgaans nogal los.

 

De familie van Mira ziet het ritueel ook als een ontmoeting van de twee families. De bruidschat is eerder symbolisch. Een paar weken voor de trouw ontvang ik “de factuur”: twee geiten, een machette, een zak zout, een kookpot, een kostuum, een pagne, 20 liter Congolees bier en 20 liter Congolese wijn, en een enveloppe van een paar honderden dollars. Als de bruid er op eigen initiatief van door gaat, krijg ik dat allemaal terug. Een week voor de mariage coutumier zit ik in de auto met de gigantische kookpot op mijn schoot, waardoor het voor de Congolezen duidelijk is dat ik ga trouwen. “Beauf, beauf” (beau frère, schoonzoon), hoor ik ettelijke malen. Duimen gaan omhoog, tanden worden bloot gelachen. Ik ben nu één van hen.

2015-06-20 11.22.52

Met één van mijn geiten

IMG_0153

Jean en Mira onderhandelen over mijn kookpot

De avond zelf hotsen we met onze karavaan over niet-geasfalteerde en met diepe putten bezaaide wegen van Kinshasa. Ik met mijn ma en onze betrouwbare chauffeur Jean in de eerste jeep. Achter mij waggelt de jeep met mijn wijze zegsman Robert, gevolgd door een aftands wrak van een bus met mijn bruidsschat waaronder de twee geiten. Robert is een Congolese collega van mij die mijn familie vertegenwoordigt. Hij brengt twee vrienden mee die van dezelfde stam zijn als die van Mira. Een voordeel, want zijn kennen heel goed de gebruiken van de stam. Mijn rol is makkelijk: zwijgen. Mijn familie praat voor mij. Naar goede Congolese gewoonte zijn we een paar uur te laat, en vlak voor we arriveren valt de elektriciteit uit. Na een uurtje is dat gefikst en stap ik uit. Een paar tientallen joelende vrouwen staan in het deurgat en komen op me af. Ze gooien kleurrijke pagnes aan mijn voeten, ten teken dat ik welkom ben. Vrouwen dansen, roepen in het Lingala, ik begrijp niks maar ben onder de indruk.

 

Binnen verwelkomt de oudste broer van Mira ons, met aan zijn zijde de grootmoeder en de oudste zus. De broer valt met de deur in huis en vraagt met uitgestreken gezicht wat we in zijn huis komen doen. Robert legt eerst een bedankingsverklaring af en stelt dat hij voor mij de hand komt vragen van de dochter des huizes. Prompt paraderen een aantal schoonheden uit de familie aan mij voorbij. Daar ben ik al op voorbereid. Ik weiger ze één voor één, volgens de coutume. Mira is een ander paar mouwen, die woont zogezegd nog in de geboortestreek van de familie, Kasaï-Oriental. “We moeten haar met het vliegtuig gaan halen”. Dus een vliegticket is aangewezen, 1000 dollar. Of ik dat even op tafel kan leggen? Een bilateraal gesprek tussen Robert en de familie drukt de prijs naar 100 dollar. Ik geef uiteindelijk 25 dollar, het is een spel. Een tante van Mira steekt de 25 dollar in de lucht. Joelende vrouwen gaan op zoek naar de bruid in “Kasaï” en komen een minuut later met haar het huis binnen. We staan beiden licht gestresseerd te kijken. We overlopen nu de factuur. Even slaat mijn hart over wanneer de das wat te diep in een mouw zit en niet direct teruggevonden wordt. Als er iets ontbreekt op de factuur, kunnen de onderhandelingen namelijk van vooraf aan beginnen. Maar mijn aankopen zijn compleet. Mira geeft mij te drinken, ik geef haar te drinken. Een omhelzing, een kus, de zegen van broer, applaus, gejoel, en klaar is kees. We eten. Tantes, nichten en zussen hebben een buffet bij elkaar gekookt voor de families: makemba (bakbananen), pundu (maniok), complete vis, kip, fufu (maisbrij) en jawel, frieten. We zeggen iedereen gedag. Daarna rijden we de donkere nacht in. De dag erna wordt een zware dag.

DSC_4602

Grootmoeder van de familie rechts

Oudste broer als voorzitter van de vergadering geflankeerd door grootmoeder

Oudste broer als voorzitter van de vergadering geflankeerd door grootmoeder

IMG_0248

Congolees buffet!

IMG_0197

Mijn bruid en huidige vrouw Mira

DSC_4644

Overhandiging van de wijn als deel van de bruidschat

IMG_0178

Onderhandeling over het “vliegtuigticket”

IMG_0224 (2)

Hoe gaat het nog met jullie, Syrische vrienden?

Posted on mei 28, 2015

Het gezin op de citadel van Qala’at Mudiq


Het was Paasweekend in 1999. We reden achterop een brommertje het Qala’at Mudiq op. Een vriendelijke man nodigde ons een uurtje eerder in de Romeinse site van Apamea uit voor een etentje in zijn tuin, samen met zijn vrouw en kindjes en enkele kameraden. Syrische gastvrijheid. We passeerden de 13de eeuwse fortmuren van de Mamelukken, de beruchte Turkse soldaat slaven die de Mongolen overwonnen. Ezels, schapen en geiten fourageerden in de nauwe straatjes met ruwe kasseien. De zichten over de Orontes vallei snijden de adem af. Het was een mooi gezin. Ze toonden affectie, er waren aanrakingen, een arm om de schouder. Traditionele Syrische kost stond voor onze voeten: falafels, kekererwtenpasta, komkommer en tomaten, geitenkaas, groene olijven en plat brood. We aten met de familie uit één bord. Daarna zakten we in de kussens. Een glaasje muntthee, en gebakjes die de suikerspiegel het heelal indrijven. Het voelde wat ongemakkelijk, deze gastvrijheid. Ik vroeg me af of we niet plots geld moesten gaan ophoesten. Dat bleek volslagen onterecht. Nu is het 2015. Wie in Google “Qala’at Mudiq” in typt ziet filmpjes met explosies op en rond de citadel. Afbeeldingen van een dood kind. Jammerende ouders. Hoe is het met dit gezin, met de twee schattige kindjes? Staat hun huis er nog? Ik kijk naar de foto’s en ik denk aan deze mensen in het diepst van mijn gedachten.

img010 img009

 

De oude man van Hama


“De noria’s van Hama kleurden rood van bloed”, zei je. Je droeg een grijze jas, een muts op het hoofd, sjaaltje om de hals. Ik ontmoette jou in een cafeetje, mijn waarde vriend-voor-één-avond. Munttheetjes stonden op een plastieken tafeltje met een rood tafelkleedje. Spreken gebeurde op gedempte toon, af en toe onderbroken door het geklingel van het lepeltje in de theeglaasjes. Suiker danste rond en maakte de thee troebel, in tegenstelling tot jouw ogen die kwiek voor zich uit keken. Je vertelde over tanks die huizen aan flarden schoten, vliegtuigen die bommentapijten braakten, bulldozers die een stad tot een lege steenwoestijn transformeerden. 25.000 doden. Eén van jouw eigen kinderen droeg je ten grave. Dat was in 1982. Even keek je in het oneindige, alsof je jouw kleine jongetje zag rondhuppelen in het paradijs. Na al die jaren scheppen de raderen van de noria’s alweer bloed, arme opa. Is jouw bloed erbij? Of is jou een rustige natuurlijke dood gegund geweest, omringd door geliefden? Of leef je nog? Ik weet niet wat ik moet hopen. Hopelijk zwaaien jouw kinderen en kleinkinderen niet met een kalasjnikov aan het front. Hopelijk leven ze nog. Maar wat mag ik er verder over hopen?

img557

 

De kinderen van Jebel Qassioun


Ook deze foto dateert uit het niet-digitale tijdperk. Het is 1999. Hij is wat vaag omdat hij genomen is bij valavond en ik nu eenmaal geen professionele fotograaf ben. Deze baasjes spelen in de nauwe straatjes op Jebel Quassioun en achtervolgen ons tot op de top, dat een onvergetelijk panoramisch zicht geeft over Damascus. Ze lachen, ze amuseren zich, er is werkelijk niks kwaads te bespeuren in deze lieve jonge jongetjes. Geen gezaag om dollars of baksheesh. De schemer valt, de klagende gezangen van honderden muezzins vibreren boven Damascus bij valavond. Groene, blauwe en gele lichtjes kleuren weldra de duisternis. Onvergetelijk. Maar hoe zou het dit viertal vandaag vergaan, nu ze twintigers zijn? Zij die hun kindertijd doorbrachten op die berg waar Bashar al-Assad tegenwoordig zijn hoofdkwartier heeft?

img012

 

De mannen in de Ommayyaden moskee


Koel aan zitvlak en hoofd is het, daar onder de zuilengalerijen van de oude Ommayyadenmoskee in Damascus. Stilte voor de oren, schaduw voor de ogen. Rust te midden van de vibrerende souqs er rond. Plots vallen twee smalle schaduwen over mij. “Assalam alaikum” (vrede zij met u), zeggen twee vriendelijke heren. Ik antwoord “wa-alaikum assalam” (en met u de vrede). Het begroetingsritueel is een klein gebedje waarbij men God vraagt de andere te zegenen en vrede te schenken. We babbelen over ditjes en datjes. Ze nodigen ons uit voor een diner bij hen thuis. Ongedwongen Syrische gastvrijheid. Zou het vandaag nog altijd diezelfde oase van rust zijn? Zouden de mannen vandaag nog steeds “Vrede zij met u” zeggen? Of geloven ze daar al lang niet meer in? Toch van mijnentwege: “Assalam alaikum”, mijn beste Syrische vrienden.

imge010

 

Abdullah, de komiek van Riad Hotel


Wanneer je thee liet aanrukken in Riad Hotel stond er een theeglaasje teveel op het dienblad. “Altijd klaar staan voor het geval er een mooi meisje opduikt”, verklaarde je. De volgende dag schreed er een jonge Australische in strak rood kleed jouw lange en krakende trap op. “Welcome in Riad Hotel”, zei je met een grijns van Syrië tot Papoea Nieuw-Guinea. In een fractie van een seconde toverde je een dienblad met – wonder boven wonder – drie theeglaasjes op de toog. Met een knipoog in mijn richting mikte je van een meter hoog de thee de drie onooglijk kleine glaasjes in. Op jouw gezicht staat “zie je nu” te lezen. Je neuriede “Lady in red”. Je hield van theater spelen. Mijn mama die je zo graag jende, bijvoorbeeld wanneer ze geen WC-papier had op de kamer: “Gebruik dan maar de gordijnen, of de kussensloop”. Op een dood moment in een vroege avond vroeg je me jouw hotel over te nemen. Hilarisch was het, de verbaasde gezichtjes van vier Spaanse backpacksters aan wie ik mij presenteerde als Abdullah. Eén ervan checkte de Lonely Planet. Ik zie ze kijken: “jawel, de manager heet Abdullah”. En ik zie ze denken: “die gast ziet er nochtans niet uit alsof hij Abdullah heet”. Ik knipte met mijn vinger en jij kwam plechtig de thee binnenbrengen. Jouw ogen twinkelden, net als de mijne. Je hield ervan mensen voor de gek te houden. Hoe is het met jou, waarde vriend? Australische schoonheden zal je wellicht niet meer zien.

foto57

 

Mohammed, de sleutelbewaarder van Qasr Ibn Wardan


Hoe is het nog met jou, Mohammed? Jij, de sleutelbewaarder van het bizarre Qasr Ibn Wardan, 80 km buiten Hama. Volgens de Lonely Planet moesten we naar jou vragen in het dorp. Want jij alleen had de sleutel tot dit paleis of kasteel, met kerk. Byzantijns, naar verluidt, 1.500 jaar oud. Men heeft nog altijd geen idee wat keizer Justinianus vanuit Constantinopel bezielde om een chique paleis neer te poten in een lege steenwoestijn, ver weg van de bewoonde wereld. Er is nooit sprake geweest van een dorp hier. Ook vandaag in de hypergeavanceerde 21ste eeuw leven er bedoeïenen in hun bruine tenten. Ze hoeden schapen en geiten. We hoefden jou niet te zoeken. Je zat aan jouw tafeltje, muntthee pruttelde alweer een glaasje in. Naast het tafeltje stond een rode motor. Daarop scheurde je af en aan tussen Qasr Ibn Wardan en jouw huis, een stofwolk achterlatend in dit landschap van hardgebakken aarde. Ik zie jouw rode Arafatsjaal en witte kleed al wapperen in de wind. Een vriendelijke man was je. En waar ben jij nu, wat doe je? Zelfs de Byzantijnen die leefden in het Qasr Ibn Wardan en wel wat bloedgespetter gewoon waren, zouden duizelen van de honderdduizenden die de afgelopen jaren gesneuveld zijn in de Syrische hel.

foto31

 

De falafelmakers van Serjilla


Hoe zit het met jullie, jongens van de pittabar in het dorpje Serjilla? Geen pittakot in heel België dat kan tippen aan jullie falafels. De lekkerste ooit gegeten. Een rijtje vers gemaakte falafelballetjes, verse tomaten, een laagje verse koriander, een laagje verse munt. Geen vetbom waarbij een dikke saus de smaakpapillen verlamt, maar een falafelbroodje met een delicate en aromatische smaak, een pitta voor de fijnproevers. Maken jullie nog altijd de lekkerste falafel ter wereld? Ik zag de puinhopen en huilende mensen in jullie dorp op Youtube. Ik kende jullie allemaal maar oppervlakkig. Maar we hebben samen gelachen en gepraat. Genoeg om concrete gezichten te plakken op de horror van Syrië. Ik duim voor jullie, voor wat het waard is…

foto54

 

De kelners van het restaurant tegenover de Al-Nuri Moskee


Hoe is het nog met jullie, de nette en sympathieke jongens die met thee en waterpijp aan en af draafden in het chique restaurant tegenover de eeuwenoude waterraderen van Hama? De charmante mannen met das die gewillig op de foto wilden met mijn fiere mama? De An-Nuri moskee was gehuld in de gelige kleuren van de straatverlichting, het groene schijnsel van de toren weerspiegelde zich in het roerloze water. Rustig en stil was het toen. Vandaag blaffen de wapens, braken tanks en vliegen de kogels. Hopelijk zijn jullie gespaard.

foto56

De antieke stad Palmyra bedreigd

Posted on mei 21, 2015

IS bedreigt de oude stad Palmyra in Syrië. Als ze valt vreest men dat de extremisten – net zoals in Irak – ook deze unieke archeologische site zullen vernietigen. Het inspireerde me om nog eens in mijn archieven te duiken: 15 jaar geleden bezocht ik Palmyra, en ik geef wat historische lessen aan de beeldenstormers van de 21ste eeuw.

 

Geen geweergeschut toen, in 1999, je kon horen hoe windhoosjes zandkorrels in de broeierige lucht draaiden. Ik was de enige bezoeker, samen met mijn toenmalige vriendin. Stilte hing over de 2000 jaar oude ruïne. Duizenden jaren voor Christus draafden hier in dezelfde rust kamelen voorbij en hun menners, met hun handelswaren. Toen de Romeinen arriveerden, ging de stad de handel beheersen in de ganse Syrische woestijn.

 

Slaven, zout, kleding, parfum, prostituees, kruiden, ivoor, glas: alle “handelswaar” passeerde. De Palmyrenen vervaardigden fabricaten in fijne zijde, wol, katoen en linnen en smeedden goud en zilver (Sartre, p. 243). Ze bouwden een indrukwekkend handelsnetwerk uit, dat zich uitstrekte tot West Azië en de Middellandse Zee. De hele stad was het epicentrum van handelskaravanen. Het waren de rijkelui die privé investeerden in architectuur in Palmyra. Vandaag zien we nog altijd een straat van 1100 meter, tempels, theaters, graftomben (W. Ball, p. 76).

Het is vanuit het huidige risico op vernietiging in naam van de “zuivere” Islam door IS ook interessant om te zien dat de allereerste Islamdynastie, de Ommayaden, bij hun verovering de site niet domweg hebben vernietigd, maar gewoon een andere functie hebben gegeven

Maar wat kunnen we vandaag leren? En wat kunnen de bedreigers van de stad leren? Palmyra laat zien hoe een culturele en religieuze kruisbestuiving heeft plaatsgevonden. Geen geschiedenis van vernietiging in naam van de enige juiste waarheid, maar een eeuwenoude kruisbestuiving. Het karakter van Palmyra was Semitisch, Grieks en Romeins. De Palmyrenen aanbaden de god Bel. Die laatste zou teruggaan op één van de alleroudste religieuze tradities: de verering van Bel Marduk, oppergod uit het pantheon van Babylon. Sommige historici denken dat de Romeinse lange weg met kapitelen naar de tempel van Bel geïnspireerd is op de processiewegen die in het oude Babylon doorgingen ter ere van Marduk (Ball, p. 86). Bel was trouwens ook de inspiratie voor de latere Griekse goden Zeus en de Romeinse Jupiter.

img005

Het is vanuit het huidige risico op vernietiging in naam van de “zuivere” Islam door IS ook interessant om te zien dat de allereerste Islamdynastie, de Ommayaden, bij hun verovering de site niet domweg hebben vernietigd, maar gewoon een andere functie hebben gegeven. De Ommayaden vormden de grote Romeinse weg met zijn kapitelen om tot een souq met behoud van alle elementen (Sartre, p. 269). Ook toen de Arabieren honderden jaren later Palmyra alweer veroverden bleef dat met respect voor wat er stond: de tempel van Bel werd weliswaar een moskee, maar alle elementen van dit schitterend bouwwerk bleven op zijn minst behouden. Dus de Islam werkte voort op eeuwenoude tradities, ze vernietigde ze niet. Veel eerder fungeerde de tempel van Bel ook als een Kerk onder de Byzantijnen. Onwaarschijnlijk dat een groepje fanatiekelingen in de 21ste eeuw (!) en na 2000 jaar respect van alle strijdende partijen vandaag dreigen om deze site te vernietigen omdat ze denken de enige waarheid in pacht te hebben.

 

Bronnen:

 

Ball, W., Rome in the East. The transformation of an empire. London: Routledge, 2000.

 

Sartre, M., The Middle East under Rome, Cambridge, MA, London: Harvard University Press, 2005.

De gezondheidsperikelen van Santos en Choupette

Posted on mei 15, 2015

Het noodlot slaat toe voor twee energieke kleuters  

 

Maak kennis met Santos en Choupette. Santos is een 5-jarige knul die woont in Guatemala en net zoals half Latijns-Amerika gek van voetbal, met Messi en Maradona als voorbeeld. De 4-jarige Choupette speelt met haar poppen in het hart van het Afrikaanse continent, in de Democratische Republiek Congo. Een paar maanden geleden slaat voor beiden het noodlot toe.  

 

Tijdens een partijtje voetbal op een van de improvisoire voetbalvelden, komt Santos ten val op zijn linkerarmpje. Zijn ouders gaan met hem naar een lokale gezondheidspost. Het personeel bekijkt Santos amper en stuurt hem huiswaarts met een windeltje, zonder deftig onderzoek, zelfs geen röntgenfoto. Enkele dagen later is zijn armpje gespannen, gezwollen en knalrood. Choupette maakt 40 graden koorts. Mama Mira bezoekt zoals de mama van Santos een lokale gezondheidspost in Kinshasa. De diagnose luidt: malaria én buiktyfus. Onbehandeld kunnen beide ziektes een fatale afloop hebben, en de combinatie is problematisch. Choupette krijgt antibioticakuren voorgeschreven. Mira haalt de medicijnen af in de apotheek. Mira heeft direct gedaan wat ze moest en kon doen als mama: naar het ziekenhuis, medicijnen afhalen, zorg dragen, bezorgd zijn. Maar Mira en ik vinden die diagnose van tyfus raar, ze heeft immers geen problemen met de stoelgang. We kennen de horrorverhalen over de ziekenhuizen in Congo goed: onbetaald, ongeschoold en ongemotiveerd personeel en een schrijnend gebrek aan materiaal en laboratoria.  

 

De prijzige zoektocht naar een oplossing  

 

De situatie van Santos is zo slecht dat hij uiteindelijk terechtkomt op de spoedgevallendienst in Antigua, de grootste stad in de buurt van zijn dorp. Het is ook de plek waar Jolan stage loopt. De diagnose hier is: serieus gebroken. Door de ontsteking rond de breuk, zwellen ook de weke delen en snoeren deze een deel van de doorbloeding af. Spierweefsels en pezen beginnen af te sterven. Hij krijgt er een longontsteking bovenop. Hij moet beademd worden, maar er zijn niet genoeg beademingsmachines. Tot er eentje vrijkomt beademen stagiairs de kleine man manueel. Er zijn intussen twee oplossingen voor het armpje: (1) een gespecialiseerde machine om een wonde vacuüm te zuigen of (2) sessies in een hyperbare zuurstofkamer. Over die eerste machine beschikken ze niet in Guatemala, en die zou veel te prijzig zijn voor de straatarme ouders van Santos.

Het zijn medisch gezien totaal verschillende zaken, maar in de grond is de situatie voor Choupette dezelfde als die voor Santos: bij gebrek aan middelen om analyses te doen, diagnosticeert men oppervlakkig, eigenlijk giswerk.

De zuurstofkamer is enkel beschikbaar in de hoofdstad. Jolan en een aantal artsen leggen samen een pot voor een aantal sessies in die zuurstofkamer. Helaas is ook transport geen eenvoudige zaak. Naar het ziekenhuis in de hoofdstad gaat eenmaal per dag een ambulance om mensen te brengen die een consultatie ginds nodig hebben. Helaas kan Santos er met zijn zuurstoffles en extra ondersteuning niet meer bij! Na enkele weken is de kracht in zijn hand verdwenen en de bloeddoorstroming bijna afwezig. Enige oplossing nog: amputatie. Een gewoon kind van vijf jaar dat gevallen is tijdens het voetballen en door tekortkomingen in de gezondheidszorg zijn armpje heeft verloren. De trieste realiteit is dat het een zwaar leven zal worden voor hem. Een land zonder echte sociale zekerheid, zonder hulp voor protheses en orthesen.

 

11253879_888836374488626_1702610411_n

Santos verliest er zijn lach niet bij

Choupette woont wel in de hoofdstad, in Kinshasa, in tegenstelling tot Santos. Mira en ik beslissen om een grondig onderzoek te laten doen in een gereputeerd maar peperduur privé-ziekenhuis. Choupette krijgt nu een ernstig onderzoek, met laboratoriumtests. Neen, geen sprake van tyfus, zegt de dokter! De antibioticakuur wordt stopgezet. De dokter zegt dat ziekenhuizen in de Cité geen middelen hebben om aan onderzoek te doen, privé noch publiek. Ze diagnosticeren dus op basis van symptomen die ze vaststellen. Koorts? OK, dat kan wijzen op malaria, eventueel ook op tyfus of griep. Gaat ze vaak naar het toilet, madame? Ja, OK, buiktyfus dan. Hoofdpijn en koorts? Dan heeft ze misschien ook griep of malaria. Laat ons maar meteen antibioticakuren voorschrijven voor alle ziektes. Het zijn medisch gezien totaal verschillende zaken, maar in de grond is de situatie voor Choupette dezelfde als die voor Santos: bij gebrek aan middelen om analyses te doen, diagnosticeert men oppervlakkig, eigenlijk giswerk. Malaria wordt wel bevestigd. Maar de medicijnen die Choupette heeft gekregen in de andere kliniek blijken valse Chinese medicijnen. Ik richt mijn ogen naar de hemel. De dokter haalt zijn schouders op: “c’est toujours comme ça dans la Cité”. De valse medicijnen vliegen de vuilbak in. Ze krijgt een voorschrift voor betrouwbare maar peperdure Europese medicijnen.  

 

Slachtoffers van een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg  

 

Choupette en Santos zijn twee kleuters die het slachtoffer zijn van een gebrek aan toegang tot kwaliteitsvolle ziekenzorg. De buurtziekenhuizen waar ze terecht kwamen, gooiden er met hun pet naar. Choupette is fout gediagnosticeerd. Santos is gewoon niet gediagnosticeerd. De goede diagnose voor Choupette heeft het vijfvoud gekost van de twee slechte. De factuur zou een gat branden in iedere gemiddelde Belgische portemonnee, laat staan in het geldbeugeltje van de doorsnee Congolees: 500 dollar voor twee doktersvisites, een paar testen, antibiotica en medicijnen tegen malaria en verkoudheid en vitaminenpreparaten. En dat in een land waar het gemiddeld bruto jaarinkomen per hoofd ligt op 230 dollar per jaar. Voor Santos hebben dokters en Jolan samen gelegd. Maar greep op een eerste slechte diagnose en transport hebben ze niet.   Kortom, in ons land kunnen we makkelijk zeggen: geld maakt niet gelukkig, maar in landen als DRC en Guatemala beslist geld wel over leven of dood. Choupette is intussen weer gezond. 200 kinderen per dag (die overlijden aan malaria in DRC) hebben dat geluk niet in de Democratische Republiek Congo. En Santos heeft “half” geluk, hij leeft, maar is verminkt voor het leven. Wraakroepend.

DSC00844 DSC00831
%d bloggers liken dit: