Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Posts from the “Zuid-Amerika” Category

Een technische school in Santo Domingo de las Tsachilas

Posted on september 13, 2015

Evelien daalt met vaste hand de weg van Quito af, eerst over brede wegen met zicht op Ecuadors vulkanen, dan door een nevelwoud en tenslotte door de provincie Santo Domingo de la Tsáchilas, niet ver van de kust. Onze bestemming voor vandaag is een technische school. Rode harten van motels lichten op tussen bananenplantages. President Rafaël Correa lacht zijn tanden bloot op grote panelen, in het gezelschap van Valeria, het plaatselijke politieke vriendinnetje van Ecuadors machtige nummer 1. Onder één van de panelen draait een onfortuinlijk varken met glazige ogen aan het spit.

 

De technische school schuilt net als de motels tussen monocultuur bananenplantages. De directeur loodst ons zijn bureautje binnen. Het is een kleine technische school zonder enige franje. De bel rinkelt. Jongeren verdringen zich rond een pingpongtafel in open lucht. Anderen zitten, kijken voor zich uit, bijten op hun nagels, giechelen, peuteren in hun neus. Weinig kans dat hun motivatiepeil in dit oord hoge toppen scheert of zal scheren. Handel en boekhouding (“commercia y administracion”) zijn hun lot, iets anders is er niet in de aanbieding. Een blik op een studie die mijn VVOB-collega’s in Ecuador lieten uitvoeren leert dat zoiets niet abnormaal is: 67% van alle leerlingen loopt school in slechts 4 richtingen, waarvan drie kantoorgericht, zoals op deze school. En op Evelien’s vraag of ze niet naar een verder gelegen school kunnen gaan, antwoordt de plezantste van de klas: “Hoe dan wel? Met de ezel?” (“con burro”). Schoolvervoer is afwezig, en kleinschalige familieboeren of arbeiders op bananenplantages tuffen zelden met auto’s rond.

 

P1010968P1010970

 

In jargon heet het dan “dat onderwijs niet is afgestemd op de arbeidsmarkt”. Santo Domingo de las Tsáchilas is een kustprovincie, een geliefkoosde tijdelijke habitat voor de homo turisticus. En veel homo turisticus betekent meer kans op werk en inkomen. Daarnaast is Santo Domingo de las Tsáchilas ook de thuis van een grote zeehaven en één van de grootste olieraffinaderijen van Ecuador. En er is uiteraard landbouwproductie. Maar die laatste levert vooral primaire grondstoffen af, terwijl Ecuador meer afgewerkte producten wil gaan exporteren. Toerisme, logistieke havenactiviteiten, petroleum, landbouwproductie. Het economisch potentieel is er, nu ook nog even technisch geschoolde mensen en ondernemers aan de slag krijgen. En knelt daar dan dat stomme schoentje. Want hier studeren tussen de bananenplantages, motels en aan het spit draaiende varkens jaarlijks tientallen kantoorbedienden af die zich naar eigen zeggen met ezels moeten verplaatsen.

 

Toch zijn er contacten met bedrijven. De leerlingen lopen er stages, althans de directeur. Op de vraag hoeveel hoort de wat bedeesde man het in Keulen donderen. Niks beters om het vertrouwen te winnen van een werkgever, dan door een tijdje in haar of zijn bedrijf meegedraaid te hebben. Maar nogmaals: ieder jaar tussen een paar duizend bananenplanten een paar dozijnen kantoorbedienden loslaten, wat levert dat in ’s hemelsnaam op? Zeker als je al weet dan ook de meeste andere scholen opleiden tot kantoorjobs? Daar waar een stage een smeermiddel is op weg naar echt werk, is het hier vaak bezigheidstherapie. De directeur geeft schoorvoetend toe: ze kunnen stage volgen, maar daarna is er geen werk.

 

Kan de school geen diverser aanbod organiseren, al dan niet in overleg met andere technische scholen? Wat houdt onze minzame directeur eigenlijk tegen? Hij wil wel, pruttelt hij tegen, maar het kan niet, “dolares” weet je wel. “Het ministerie”. Richtingen die leiden tot kantoorjobs vragen minder investeringen vergeleken met “hardere” technische en beroepsopleidingen. Je koopt een stuk of wat tweedehandscomputers, boort een aantal stopcontacten in de muur en betaalt een internetverbinding indien mogelijk. Klaar is kees en de portemonnee zal er zeker geen magerzucht aan overhouden. Automechanica of de bouw, om maar iets te noemen, zijn al andere koek. Een praktijklokaal is een minimumvereiste, met de nodige uitrusting, zoals machinerie en grondstoffen om mee te werken. In een technische school in Suriname zag ik ooit hoe 20 leerlingen bouw hun plan trokken met 50 bakstenen en een emmertje mortel om een muur te metselen. Drie leerlingen kletsten kwakken mortel tussen de stenen, terwijl de 17 anderen de meisjes uit het naburige naaiatelier het hof maakten. Of de automechanica, waar men het “vak” leerde op een audi 50 die 40 jaar geleden van de band is gerold. De vakleerkracht verzekerde mij dat hij die persoonlijk van een oudijzer stort naar de school had gesleept. Een wrak uit het zwartste steenkooltijdperk, toen begrippen als energiezuinigheid, duurzame planeet en smeltende ijskappen nog uit de koker van wetenschappers moesten vallen.

 

Maar een onaangepast onderwijsaanbod, infrastructuur en uitrusting zijn niet de enige problemen. Voortstuderen in hoger onderwijs zit ingebakken in harten en geesten van ouders, leerlingen en de overheid. We vragen in één van de klassen “commercio” wie naar de universiteit wil trekken. Een paar leerlingen overwinnen hun schroom en punten hun wijsvinger richting plafond, een fractie van een seconde later kijken we op een bos aan wijsvingers. Onnodig te tellen, het is iedereen. En wie wil er na zijn studie handel en administratie verder gaan in handel en administratie? Het bos is nu aan een kaalslag onderhevig. En van waar hun motivatie dan voor handel en administratie, vraagt Evelien? “Er is niks anders te studeren”, luidt het laconieke antwoord van schokschouderende tieners. Die arme ziel van een leraar zakt door de grond, en hij stond al wat weggestoken in zijn hoekje. De directeur blijft in zijn rol, glimlachend. Andere klas, zelfde vragen, zelfde antwoorden. “The only way is up” en “up” staat gelijk aan universiteit. “Droooomen zijn bedrog”, zingt Borsato in mijn bovenkamer. Als ze al niet naar een naburige secundaire school geraken, hoe zouden ze dat al doen voor een universiteit, waar ze bovendien al niet op voorbereid zijn? Als ik aan de directeur vraag waar zijn leerlingen terechtkomen zegt hij: in het familiebedrijfje, bij papa en mama aldus. De kantoorbediende mag de rest van zijn leven de grond omspitten of de werkloosheidsstatistieken de hoogte injagen. Geen wonder dat leerlingen ook al eens naar de grote stad lonken.

 

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

 

Maar zaniken alleen lost het probleem nog niet op natuurlijk. Zouden de ambtenaren van het ministerie niet wat meer een uitnodigingsbrief in de bus van de bedrijfswereld droppen? Een uitnodiging om een koffie te drinken en de hersenen samen te verhitten rond de vragen: welke zijn de economische kansen in het land waar Charles Darwin tot zijn evolutietheorie is gekomen? Welke beroepen zijn (zullen) van belang (worden)? Hoe kan onderwijs leerlingen opleiden tot die beroepen? Welke curricula zijn nodig? En hoe kunnen we bedrijven, scholen en hoger onderwijsinstellingen aansporen om samen het technisch onderwijs te verbeteren?

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

Mijn sympathieke collega’s van VVOB in Ecuador ondersteunen verschillende projecten in die richting. Curricula worden met onze steun door het ministerie van onderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven gemaakt. Maar we dalen ook uit de hoge toren van het ministerie af in de provincies, om samenwerking te stimuleren tussen ministerie, scholen en bedrijven. Leerkrachten uit het technisch landbouwonderwijs verruimen bijvoorbeeld hun horizonten in het landbouwbedrijf Tecnoban. Dit is een bedrijf dat zich bezighoudt met het kweken en oogsten van organische bananen, in de provincie van Santo Domingo de las Tsáchilas overigens. Zo leren de leerkrachten succesvolle technieken om ziektes en pest van de gewassen te voorkomen, wat zij dan weer overbrengen op de jongelui die zich al dan niet enthousiast in de cacao zullen storten. Zo leren die leraars en dus hun leerlingen nog eens iets praktisch, want theorie hangt deze jongeren al snel de keel uit. In een ander project leren leerkrachten en leerlingen van de lasopleiding hoe ze aan TIG-MIG-MAG lassen doen, en ze kunnen daarbij de moderne apparatuur gebruiken van het bedrijf Indura. Geen flauw idee wat dat TIG-MIG-MAG lassen mag betekenen, maar het mag duidelijk zijn dat de school zoiets op eigen houtje niet kan inrichten. Zo komen we tot een win-win. Leerkrachten en leerlingen winnen want ze breken uit hun comfortzone en leren de nieuwste technieken, en kunnen daarvoor met moderne apparatuur aan de slag. De bedrijven winnen, want zij krijgen op termijn mensen die opgeleid zijn volgens hun wensen. Het ministerie wint: leuk voor die ambtenaren en politiekers om op TV en in de gazet mee uit te pakken. VVOB wint: we voelen ons goed en nuttig.

P1010966

Wie wil graag verder studeren in administratie en handel? Niemand…

Paraguay: onbekend maar (onterecht) onbemind

Posted on april 4, 2015

Paraguay kreeg onlangs wat ruchtbaarheid in Vlaanderen, toen Tom Waes er neerstreek voor zijn serie “Reizen Waes”, uitgezonden door de VRT. Ik kan alleen maar hopen dat meer reizigers kiezen voor dit land, en geef hierbij alvast mijn 10 favoriete tips, in woord en beeld.


1. Bezoek het Campo Maria Private Reserve

 

In een houten uitkijktoren turen naar de meren en bossen om je heen. Dit is het Campo Maria Private Reserve, een gebied met zoute en zoete meren, waarvan een Mennonietencoöperatie eigenaar is. Het ligt in de enorme woestenij van de Chaco in het onherbergzame en nauwelijks bewoonde Noorden van Paraguay. Tientallen zwanen dobberen rond over het kalme water. Een groep witte reigers zit in een boom. Plevieren en eenden zwemmen rond. 50 Chileense flamingo’s staan pal in het ondiepe water. Zoutafzettingen kleuren de oevers wit. Wolken weerspiegelen zich in het rimpelloze meer. We zien pootafdrukken van tapirs, herten en een wilde kat. In het zand liggen twee slangenskeletten te roosteren in de felle zon. ’s avonds slingert een levende ratelslag over de weg. Dit reservaat is toeristisch potentieel, maar nu zijn er geen toeristen. Voor wie dit uniek avontuur wil beleven: neem contact op met Estancia Iparoma en Marylin. Aanrader!

 

P1000835

Campo Maria Reserve vanuit een houten toren. Paraguay.

P1000813

Flamingo’s in Campo Maria Reserve. Paraguay.

Campo Maria Reserve. Paraguay

Campo Maria Reserve. Paraguay


2. Chillen in Concepcion

 

Op de heetste momenten tijdens de namiddag is het siësta in Concepcion. Mensen zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, terere uitwisselend, krantje lezen, oma met krulspelden in het haar. Er rijden nauwelijks auto’s, brommers snorren voorbij, fietsen klingelen en paardenkarren rammelen. Een schriel paard lummelt op zijn dooie akkertje door de straten, kippen scharrelen in het rond en twee flikken liggen te soezen voor de ingang van de bank. In Heladeria Amistad eten locals een ijsje. Heel af en toe doorbreekt een pick up de rust met de typische Cumbia muziek richting strand. Want ja, er is nog een gezellig strandje aan de Rio Paraguay. Vrouwen staan met al hun kleren aan in het water, terere in de ene hand en spartelende jonge ukkies in de andere. Een man leurt met chipas, een calorieatoombom samengesteld uit maïs, maniokbloem, kaas, eieren en varkensvet. Een compilatie van de plaatselijke knuffelrock schalt uit een eigenhandig gebricoleerde disco. Plaatseliijke Ronaldo’s trappen een balletje. Wat een leuk en ontspannen familiesfeertje.

 

P1010125

De kerk van Concepcion, vlak voor een tropische regenbui.

P1010116c

Straatbeeld in Concepcion. Paraguay.

P1010107c

Verkoper van chipa’s. Strandje van Concepcion. Paraguay.

P1010116a

Straatbeeld in Concepcion. Paraguay.

P1010106

Strandcultuur in Concepcion. Paraguay.


3. Verblijf in Estancia Iparoma

 

Marylin is de eigenaar van Estancia Iparoma, een ranch op een paar kilometer buiten de Mennonietenstad van Filadelfia. In de namiddag luieren we in de hangmat. We eten met haar man en nichtje. Wanneer het heetste van de dag voorbij is, voert ze ons met haar jeep rond over haar ranch. Ze heeft 1000 runderen op enorme lappen weiden. Haar ranch herbergt een diversiteit aan fauna en flora. Op een uurtje tijd zagen we twee uilen, drie struisvogels, bonte parkieten, grote aalscholvers, ibissen met een geel hoofd, een reiger met een blauw hoofd en een rode snavel en een specht. Achteraan haar ranch ligt er in een bosje een poel waar regelmatig tapirs op bezoek komen. “A ja, is dat interessant?”, vraagt ze verwonderd. Ik vertel haar dat gidsen er zich voor 100 dollar per dag in het Amazonewoud en de Braziliaanse Pantanal een punthoofd naar zoeken. Marylin kijkt verbaasd. Heerlijk ontoeristisch nog, Paraguay.

 

P1000759

Een uiltje op de ranch van Iparoma. Filadelfia. Paraguay.

P1000777

Een rhea kijkt op. Iparoma Ranch. Filadelfia. Paraguay.


5. Bezoek Filadelfia en omgeving

 

Na acht uur rijden rammelt onze bus Filadelfia binnen, één lange geasfalteerde laan, met vier rijstroken, en stoffige zandwegen die uitlopen op deze centrale laan, avenida Hindenburg geheten, naar de Duitse veldmaarschalk tijdens de eerste wereldoorlog. Centraal in Filadelfia is er een melkproductenfabriek van de plaatselijke Mennonieten kolonie Fernheim, hier en daar een huisje en een koloniaal aandoend gebouwtje met tuin er rond, wat achteraf het museum van de kolonie Fernheim blijkt. De onmiddellijke omgeving rond Filadelfia is de moeite. We verzeilen in een dierentuin in de tuin van een hotel, met hokken waartussen de wasdraden met witte was hingen te drogen. De dieren blijken na een storm verdronken, op uitzondering van 4 poema’s. We rijden over het erf van een Paraguayaans boerengezin en bezoeken één van de vele mennonietenranches. We hobbelen over zandwegen en aanschouwen de wonderen van de Chaco: vol met vogels, ruige natuur, bloeiende cactussen, meertjes, eindeloze savanne, blauwe einder en lange witte slierten wolken.

 

P1000800

Een tuiuiu in de omgeving van Filadelfia.

P1000778

Twee jonge poemaatjes in de “zoo” van Lomo Plata. Paraguay.

P1000867

Het Museum van Filadelfia. Paraguay.

P1000802


6. Chillen in Pilar

 

“Auténtica Perla del Sur” en “Capital de la Cordialidad Paraguaya”: dit is Pilar, een stadje in het Zuidwesten van Paraguay. De straten zijn er omzoomd met netjes geschoren buxussen, ficussen, bloemen en mangobomen. Schilderingen van lokale fauna en flora, van de schepping van de wereld en episodes van Paraguay’s ongenadige oorlogen sieren muren. Standbeelden van schildpadden, papegaaien en reigers fleuren pleinen op. Veel huizen zijn versleten, verf bladdert af, maar ze zijn kleurrijk en hebben stijl. Oude gebouwen als het museum, de bank en de basiliek zouden gerust toeristische trekpleisters kunnen zijn. Het stadje ligt aan het knooppunt van de rivieren “Paraguay” en “Paraná”. Een wirwar van vele kleine stroompjes, riviertjes en beken. We lopen langs het moeras van Neembucu, de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-de-Maagd-van-Pilar weerspiegelt zich in het water. Inwoners varen in kleine houten schuitjes en vissen. Witte reigers doen hetzelfde maar dan efficiënter. Een mooie granieten promenade van anderhalve kilometer lang is in opbouw, met sierlijk meubilair in hout en metaal. Op de heetste momenten tijdens de namiddag gaan Pilar en zijn sympathieke inwoners slapen. Later komen mensen weer naar buiten: ze zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, ze wisselen terere uit, ze lezen de krant, oma’s keuvelen. Auto’s zijn eerder zeldzaam. In de straten snorren vooral brommers rond, en er rinkelen fietsen, en af en toe kraakt een paardenkar voorbij. ’s Avonds zit de jeugd op een bankje te doen wat de jeugd doorgaans doet: drinken, roken, kijken naar anderen, luisteren naar muziek, flirten, kussen, niksen, vervelen.

 

P1000869

Kathedraal van Pilar. Paraguay.

P1000873

7. Taguas zien en ruiken

 

Dat de Paraguayaanse Chaco heel lang een godvergeten gat is geweest, bewijst de geschiedenis van de tagua. Tot 1970 ging men ervan uit dat het beest tienduizenden jaren geleden de pijp aan maarten had gegeven. Tijdens een zoektocht naar fossielen halverwege de jaren zeventig keken verbaasde wetenschappers plots een echte tagua in de ogen. De tagua is zo één van de weinige grote zoogdieren die pas “ontdekt” zijn geworden in de 20ste eeuw. De tagua is een everzwijn met een grijs-bruine pels en een witte collier om de hals en belachelijk smalle pootjes in verhouding tot het lichaam. Grappig zijn de haren van gemiddeld 20 cm die rechtstaan in de nek. De tagua komt alleen voor in de Chaco. Grootschalige veeteelt, stroperij en een gebrek aan overheidsbeleid brachten de soort aan de rand van totale uitroeiing. Mennonieten, die mee aan de basis liggen de grootschalige veeteelt, lieten ook hun goed hart zien en hebben na de ontdekking van de tagua een reservaat voor die beesten opgezet, met fondsen van de San Diego zoo in California. Ik sta in dit reservaat te kijken naar drie taguas die in een halve cirkel naast elkaar afgrijselijke stinkscheten in de atmosfeer blazen. Het is hun natuurlijk verdedigingsmiddel tegen vijanden en homo sapiens is daarbij vijand nummer 1.

 

P1000857

8. Wandelen in Parque Cerro Cora

 

Parque Cerro Corra is een mengeling van ontoegankelijk droog tropisch woud en savanne. De staat beschermt het park al enige decennia, als één van de zeldzame vrijhavens voor de natuur in een land waar ontbossing dramatische vormen heeft aangenomen. Paadjes moet je zelf uitzoeken en brengen de wat benauwde toerist op desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. Hier en daar rijst een monument op uit het landschap, waaronder de herdenkingsplaats voor één van de grootste gekken uit de Paraguayaanse politieke geschiedenis: Francisco Solano Lopez. Op het grondgebied van het huidige park eindigde één van de meest bloedige oorlogen die Latijns-Amerika heeft gekend: “La Guerra de la Triple Allianza”, verwijzend naar de oorlog van Paraguay tegen een monsterverbond van Brazilië, Argentinië en Uruguay in de jaren 1880. Desondanks was de omgeving van het park mooi en vol van leven. We zagen 24 uur mieren, hard werkende parasolmieren, een grappige wandelende tak, vuurwantsen en een vunzige duizendpoot, een schuw gordeldiertje en een harige vogelspin en vogels om een dozijn ornithologen in delirium te brengen. En dat alles in een heuvelachtig groen landschap met rode wegen!

 

Klein Gorderldier. Parque Cerro Cora. Paraguay.

Klein Gorderldier. Parque Cerro Cora. Paraguay.

P1010155c P1010190 P1010205c

9. Struinen in de hoofdstad Asuncion

 

Het Pantheon steekt in al zijn stralende witheid sterk af tegen de andere gebouwen van Asuncion. Het lijkt symbolisch voor een verheerlijkt verleden om de aandacht van het heden af te wenden. Troosteloze gebinten van onafgewerkte woonblokken staan her en der verspreid, koloniale huizen liggen in verval. Kantoorgebouwen zijn zo grijs als het weer op een druilerige herfstdag in België. En toch heeft Asuncion zijn charmes. Je bent vrij om te doen wat je wil. Er zijn geen Lonely Planet’s of Rough Guides die je zeggen wat je moet gezien hebben, geen brochures met hoogtepunten, geen plattegronden. In Asuncion krijgt een mens de gelegenheid echt kennis te maken met het dagelijkse en gewone leven in een stad, omdat hij nu eenmaal niet van de ene attractie naar de andere wordt gezogen. Van andere steden weet je al wat er te zien en te beleven is. Her en der staat nog wat koloniale architectuur recht, en er zijn ook een paar gezellige groene plazas. De keuken is opvallend multicultureel in Asuncion: eenvoudig lokaal Paraguayaans, Koreaans, Chinees, Italiaans en Libanees. Een aanrader is Confiteria Bolsi, een van de jaren zestig daterend Paraguayaans restaurant.

 

Asuncion tijdens de Kerstdagen

Asuncion tijdens de Kerstdagen

P1000402

10. Loop door de landerijen van Arroyos y Esteros

 

“Schorren en kreken” luidt de vertaling van Arroyos y Esteros. De streek is ook bekend als “de parel van de Cordilleras”, een allusie op feit dat regio heel groen is. Dit is een belangrijke agrarische regio: rijst, tabak en katoen. Maar hét sterproduct is biologische suiker. De Belgische NGO Oxfam Wereldwinkels haalt hier zijn biologische Fair Trade suiker vandaan. Arroyos y Esteros ligt op 66 km van Asuncion en heeft een bevolking van 20.000 zielen. Er zijn overal authentieke boerderijtjes en Arroyos zelf is een parel van een dorpje met een pittoresk pleintje, kleine kleurrijke huisjes en sympathieke mensen die tijdens de siesta nippen aan hun onafscheidelijke terere. Zoals in Pilar en Concepcion draait het leven in Arroyos nog op het ritme van paard en kar.

 

P1000190

Meer over Paraguay? Zie ook mijn andere blogartikels op Reizenginderachter.com:

 

– Parque Nacional Cerro Cora: één van Paraguay’s natuurschatten

 

– Pilar: de authentieke parel van het Zuiden

 

– Kerstdagen in Asuncion

 

– Concepcion

 

– Verhalen uit de Chaco: tagua’s, leeuwen en ratelslagen

Parque Nacional Cerro Cora: één van Paraguay’s natuurschatten

Posted on juni 24, 2014

We overnachten in een pousada in Ponta Porã in Brazilië. Het is gescheiden door een straat – Avenida Internacional – van het stadje Pedro Juan Caballero in Paraguay. Een rare plek. We haalden geld af in Paraguay om een minuut later in Brazilië een pizza met tonijn te bestellen. Vanuit het consulaat van Paraguay in Brazilië kan men Paraguay zien. Brazilianen stouwen hun winkelkarren propvol in het mega shopping centrum in Pedro Juan Caballero, gezien de prijzen er veel lager zijn dan in de shopping centra honderd meter verder in Brazilië. Deze grens is dus ook een dankbaar oord voor smokkelactiviteiten en drugshandel. Die nabijheid zorgt bovendien voor een geregeld kat-en-muis-spelletje tussen criminelen en politie, gezien die eersten gewoon even de straat moeten oversteken om in veiligheid te zijn. Ik zei het al meermaals: Paraguay heeft iets surrealistisch.

 

We overbruggen met de bus de 45 km tussen Pedro Juan Caballero en de ingang van het Nationaal Park Cerro Cora in Paraguay. Een charlatan steekt een betoog af tegen medicatie en de farmaceutische industrie. In zijn hand houdt hij een alternatief vast: een potje met een viezige geelachtige blubber. Een paardenmiddel dat volgens deze dokter Vogel goed is tegen liefdesverdriet, armoede, depressie, opstopping en diarree. Katrien en ik zijn dan ook blij dat we van de bus kunnen, om onze tocht te beginnen in het grootste natuurpark in Paraguay. De Lonely Planet spreekt over zeldzame vogels, schildpadden, gordeldieren, apen en zelfs een jaguar. Toeristen ziet het park zelden. Het bestaat deels uit ontoegankelijk droog tropisch woud en deels uit uitgestrekte savanne. De staat beschermt het park al enige decennia, als één van de zeldzame vrijhavens voor de natuur in een land waar ontbossing dramatische vormen heeft aangenomen. Een half uur later wandelen we moederziel alleen over oranjegekleurde paadjes, die fel afsteken tegen de felgroene omgeving. Hier en daar rijst een heuvel op uit de savanne. Gele kiskadees fladderen rond. Op de grond is er veel te zien: een gordeldier en een harige vogelspin genieten onbeweeglijk van de zon, parasolmieren waggelen met stukjes blad op de rug het nest in, een reuzenduizendpoot contracteert zich de weg over, twee blinkend zwarte kogelmieren kijken toe, een wandelende tak voert een dansje op, vuurwantsen zitten rond een boom.

P1010190

Het park is ook een historische site. Hier eindigde één van de meest bloedige oorlogen die Latijns-Amerika heeft gekend: “La Guerra de la Triple Allianza”, verwijzend naar de oorlog van Paraguay tegen een monsterverbond van Brazilië, Argentinië en Uruguay in de jaren 1880. Het is een plek van naargeestige nationalistische symboliek. De toenmalige president van Paraguay, Francisco López, liet in dit decor het leven, vechtend tegen een Braziliaans garnizoen. Het park ademt nationalistische nostalgie uit. Een pijl wijst in de richting van een paadje dwars door het dichte groen. Een trapje leidt naar beneden, waarna je in het wezen van López kijkt, of althans in dat van zijn standbeeld. Dit zou volgens de nationalistische overlevering de plaats zijn waar hij “heroïsch” is gesneuveld. Met een speer in de buik en een lans in de heup bleef hij zwaaien met zijn sabel, om uiteindelijk de geest te geven, met een Hollywoodiaanse “ik sterf voor Paraguay” op de lippen. Of was het “ik sterf met Paraguay”? Daar bakkeleien mensen met slechte smaak en teveel tijd vandaag in Paraguay nog altijd over. Maar sterven met Paraguay heeft López alvast niet gedaan, want het land is nog steeds alive and kicking terwijl Lópes beenderen al anderhalve eeuw in een kist in het felwitte Pantheon in Asuncion liggen.

We lopen door desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. De paden door de stukken bos zijn zodanig overwoekerd dat ik met een stok een doorgang moet banen. Onder onze voeten liggen wellicht nog veel beenderen van slachtoffers van de Guerra de la Triple Allianza

 

Tussen het groen steekt ook een herdenkingsplaat: “Mama Lynch, la abnegada compañera dio aqui cristiana sepultura a los restos del mariscal Francisco Solano Lopez y de su hijo el coronel Panchito Lopez en el 1er de marzo 1870…”. Hier groef de vrouw van de maarschalk met haar eigen handen een graf uit voor haar man en zoon. Nationalistische pathetiek ten top. Honderdduizenden zijn de dood ingejaagd in een zinloze oorlog, honderdduizenden moeders waren de vrucht van hun leven kwijt. En toch is er maar één moeder/vrouw die een gedenkplaat krijgt, juist diegene wiens man die honderdduizenden de dood heeft ingejaagd. Niet dat iedereen vandaag de mening deelt dat die oorlog zinloos was. Voor nationalisten is López geen maffe dictator met hectoliters bloed aan zijn handen, neen, voor hen is hij een nationale held. Hij is de man van een kleine natie die grote imperialistische machten de wacht durft aan te zeggen. En de slachtoffers van die oorlog zijn geen slachtoffers, het zijn helden die gevallen zijn voor het vaderland. Waar hebben we dat soort idiote retoriek nog gehoord? Ik denk dan altijd aan de nabestaanden en wat die ervan vonden: “Leuk, mijn zonen en/of mijn man zijn gestorven voor het vaderland, I feel happy”. “De helft van de bevolking de dood in gejaagd: troost u allen, het was voor het vaderland, I feel happy!”. Er zijn altijd malloten die juichen als een familielid omkomt voor de “hogere zaak”, maar dat zijn uitzonderingen. Toch vind ik het ongemakkelijk om vast te stellen dat die positieve beeldvorming rond López nog altijd leeft in Paraguay. Zo komen politici hier jaarlijks op 1 maart López herdenken, 1 maart dat trouwens nog altijd een vrije dag is.

 

Het standbeeld van López en die herdenkingsplaat geeft het prachtige natuurpark een ietwat luguber kantje. Wat verder lopen we langs een pad met een galerij met standbeelden van andere “helden”. Lege levenloze ogen van witte standbeelden kijken jou aan in deze godvergeten uithoek in een tropisch woud waar geen kat komt. Er is zelfs straatverlichting, daar waar je dit in Paraguay maar zelden tegenkomt langs de wegen. We lijken figuranten in the Blair Witch Project. We lopen door desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. De paden door de stukken bos zijn zodanig overwoekerd dat ik met een stok een doorgang moet banen. Onder onze voeten liggen wellicht nog veel beenderen van slachtoffers van de Guerra de la Triple Allianza. Toch maar een opluchting wanneer we uit die brousse komen en opnieuw het uitgestrekte landschap van Cerro Cora voor ons zien liggen.

 

P1010166

Parque Cerro Cora

P1010203

Parque Cerro Cora

P1010155c

Parque Cerro Cora

P1010198

Parque Cerro Cora

Pilar: de authentieke parel van het Zuiden

Posted on juni 15, 2014

“Auténtica Perla del Sur” en “Capital de la Cordialidad Paraguaya”. Zulke namen geven goesting om Pilar te bezoeken, een stadje in het Zuidwesten van Paraguay. De straten zijn er omzoomd met netjes geschoren buxussen, ficussen, bloemen en mangobomen. Schilderingen van lokale fauna en flora, van de schepping van de wereld en episodes van Paraguay’s ongenadige oorlogen sieren muren. Standbeelden van schildpadden, papegaaien en reigers fleuren pleinen op. Veel huizen zijn versleten, verf bladdert af, maar ze zijn kleurrijk en hebben stijl. Oude gebouwen als het museum, de bank en de basiliek zouden gerust toeristische trekpleisters kunnen zijn. Zoals in Concepcion is er een sympathieke strandcultuur aanwezig. Het stadje ligt aan het knooppunt van de rivieren “Paraguay” en “Paraná”. Een wirwar van vele kleine stroompjes, riviertjes en beken ontvouwt zich aan het oog van Katrien en mij. We lopen langs het moeras van Neembucu, de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-de-Maagd-van-Pilar weerspiegelt zich in het water. Inwoners varen in kleine houten schuitjes en vissen. Witte reigers doen hetzelfde maar dan efficiënter. Een mooie granieten promenade van anderhalve kilometer lang – la costanera de Pilar – is in opbouw, met sierlijk meubilair in hout en metaal. Hier komt ook een strand van een halve kilometer met wit zand. Jaarlijks op 2 januari vindt het fiesta Hawaiana plaats, een gigantische strandfuif langs de Neembucu, waar 30.000 Paraguayanen, Brazilianen, Argentijnen en zelfs Uruguayanen uit de bol gaan.

P1000883

Op de heetste momenten tijdens de namiddag gaan Pilar en zijn sympathieke inwoners slapen. De zon jaagt alle leven de schaduw in. Later komen mensen weer naar buiten: ze zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, ze wisselen terere uit, ze lezen de krant, oma’s met krulspelden in het haar keuvelen. Auto’s zijn eerder zeldzaam. In de straten snorren vooral brommers rond, en er rinkelen fietsen, en af en toe kraakt een paardenkar voorbij. ’s Avonds zit de jeugd op een bankje, al dan niet met een pintje, te doen wat de jeugd doorgaans doet: drinken, roken, kijken naar anderen, luisteren naar muziek, flirten, kussen, niksen, vervelen. Ik zit met Katrien en haar vriendin Liz op een bankje aan de hoofdweg. Liz wuift naar alle vrienden en kennissen van haar die passeren. Een liedje – cirkels – van Herman Van Veen spookt door mijn hoofd:

 

“en de tijd verslijt de dagen,
met de wijzers van de klok,
die de uren traag vermalen,
heel geruisloos, zonder schok”.

 

Thuis raadpleeg ik Facebook, Twitter, Tumblr, mijn blog, mijn hotmail, mijn 50 e-mails per dag op het werk en tussendoor bekijk ik mijn sms’en. En, o ja, ik moet nog bellen naar de mensen die een boodschap inspraken op mijn antwoordapparaat. Een ander liedje van Herman Van Veen maalt door mijn bovenkamer:

 

“Opzij, opzij, opzij,
Maak plaats, maak plaats, maak plaats,
Ik heb een ongelofelijke haast,
Opzij, opzij, opzij,
Want ik ben haast te laat,
Ik heb maar een paar minuten de tijd,
Ik moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan,
Ik kan nu niet blijven, ik kan nu niet langer blijven staan”.

 

En hier, op dit pleintje in Pilar blijf ik wel, ik blijf te zitten, mijn benen luisteren naar mijn hersenen als een hond naar zijn baas: “zitten”, “liggen”. Alleen het vooruitzicht op een gegrilde verse surubi, corvina of pacu weet mijn hersenen te overtuigen om mijn benen te laten bewegen. ’s Avonds grillen Liz haar ouders twee enorme vissen met tanden waartussen ik mijn handen niet zou willen steken. Als bijgerecht komt de calorieatoombom Sopa Paraguaya op tafel. Dat is geen soep, maar een soufflé met varkensvet, kaas, ajuin, eieren en maïsmeel. Overgoten met rode wijn valt een mens dan weer half in slaap. De tijd verslijt de dagen.

 

Pilar, het Aards Paradijs waar de gebraden duiven in de mond vliegen? Dat nu ook weer niet. In ons hotel – Apart Hotel Liza – zie ik een zwart-wit foto van een boot, met op de achtergrond een wrak van een andere boot. Op het onderschrift staat: “Boot Jannette waarmee honderd Belgen naar Pilar gekomen zijn”. Het herinnert aan een minder fraai kantje van Paraguay: onder dictator Stroessner was het land een vrijhaven voor nazi collaborateurs. Deze honderd Belgen waren op de vlucht voor hun processen voor de oorlogsraden. Zij vestigden zich in de buurt van Encarnacion, een andere stad in het Zuiden van Paraguay. Ze kwamen in de Jannette (what’s in a name voor Nazi collaborateurs) de Atlantische Oceaan over, voeren de Rio de la Plata op en kwamen tenslotte op de Rio Paraguay uit en in Pilar. Vandaar ging het met paard en kar naar het Zuiden van Asuncion, in de regio Capitan Miranda, waar hun afstammelingen vandaag nog steeds leven.

 

Op een hete namiddag zitten we bij Sonja. Zij werkt in de milieusector en ziet de zaken wat somber in. Het gaat over de moeilijke balans tussen economische ontwikkeling en de bescherming van de biodiversiteit. Pilar leeft al lang van kleine veeteelt en landbouw. Maar nu vindt de grootschalige landbouw ook zijn weg naar het Zuiden van Paraguay, zoals grote sojaplantages. Veel van de oorspronkelijke begroeiing verdwijnt. Tegenwoordig is er ook een discussies over de mogelijke grootschalige exploitatie van rijst, zegt Sonja. De teelt is zeer vervuilend voor het milieu: pesticiden komen in het water terecht en de teelt ervan trekt veel water uit de esteros – Spaans voor kreken. De voorstanders verwachten dat rijst een antwoord is op voedseltekorten en werkgelegenheid zal bieden. Sonja verwijst naar vervuiling en het feit dat deze teelten zodanig gemechaniseerd zijn dat er van plaatselijke werkgelegenheid geen bal in huis zal komen. En dan spreken we nog niet over de effecten op de volksgezondheid. Naast landbouw en veeteelt is de katoenfabriek van Pilar de grootse werkgever. De fabriek is gesticht in de jaren dertig door een Italiaan, Paolo Federico Alberzoni en groeide uit tot de zogenaamde “long van het departement van Neembucu”. 10% van de inwoners van Pilar zou in “la Fabrica” werken. Braziliaanse concurrentie laat zich ook hier voelen: het kleuren van de stoffen gebeurt veel goedkoper in Brazilië, waardoor de fabriek moet afslanken en de jobzekerheid van mensen in het gedrang komt. Ik duim dat het niet zo ver moet komen, want Pilar en haar inwoners hebben een sympathieke indruk op mij nagelaten.

P1000881 P1000869 P1000884

Kerstdagen in Asuncion

Posted on juni 10, 2014

Het is 23 december 2009. Maar koud heb ik het niet. In de busterminal van Asuncion valt de hitte als een baksteen op mijn hoofd. Mijn haar voelt aan als een bosje verschroeid gras in de Sahara. Een hoogbejaard wrak tuft traag in mijn richting. Uit het raampje floept het hoofd te voorschijn van een gerimpelde bompa. “Hotel Preciado”, probeer ik. De krasse knar steekt zijn duim in de hoogte en lacht zijn twee gele tanden bloot. Ik plof in de veerloze voorzetel. Bij het vertrek braakt de taxi een gitzwarte roetwolk uit. Dit euthanasie rijpe wrak rammelt aan alle kanten, maar één of andere onzichtbare kracht houdt alle onderdelen bij elkaar. Bompa informeert van waar ik ben. “Belgica”, antwoord ik met een flauwe glimlach. Zijn oogjes lichten op. Bompa beeldt met zijn vinger en duim een pistool uit en begint “boem, boem, boem” te roepen. Tussen de verschillende salvo’s door roept hij “FN Herstal”. Onze nationale “trots” levert dus ook wapens aan Paraguay. Symbolisch om zo Asuncion in te rijden. Wapengekletter en bloedvergieten heeft men in Paraguay zeker niet geschuwd in het verleden. Het landje is bekend als geboorteplek van een aantal megalomane, realiteitszinarme dictators. Nummer 1: Francisco Solano López. Die kwam in de 19de eeuw in een oorlog terecht met Argentinië, Brazilië en Uruguay tegelijk, de “guerra contra la triple allianza”. Eerder onbekend in het Westen, maar één van de bloedigste en barbaarse in de woelige geschiedenis van Latijns-Amerika. Op vijf jaar tijd verloor Paraguay de helft van zijn bevolking, gestorven voor het vaderland, zoals zinloze nationalistische ondernemingen dan genoemd worden. López was een gek die zelfs zijn eigen broers liet vermoorden en vrouw liet martelen. Het eigenaardige is dat oorlogsmisdadigers in de ogen van sommigen vaak helden zijn in de ogen van anderen. Nationalisten zien in hem nog altijd een held van een kleine natie die opstaat tegen grote imperialistische machten als Brazilië en Argentinië.

 

Op het centraal plein van Asuncion – Plaza de los Héroes – staat een stralend wit gebouw, het nationaal pantheon voor de helden van Paraguay. Het is gebouwd door Francisco Solano López, en hij ligt er ook begraven, gedrapeerd onder een Paraguayaanse vlag, samen met andere dictators wiens voornaamste bijdrage aan de geschiedenis oorlog maken is. López heeft ondanks alles ook nog steeds zijn eigen nationale feestdag in Paraguay: 1 maart, dag van de helden, dag van López, die beter omgedoopt zou worden in “herinneringen aan de zinloze gewelddaden van een stomme, megalomane kloot”.

P1000402

Het Pantheon steekt in al zijn stralende witheid sterk af tegen de andere gebouwen van Asuncion. Het lijkt symbolisch voor een verheerlijkt verleden om de aandacht van het heden af te wenden. Troosteloze gebinten van onafgewerkte woonblokken staan her en der verspreid, koloniale huizen liggen in verval. Kantoorgebouwen zijn zo grijs als het weer op een druilerige herfstdag in België. En toch heeft Asuncion zijn charmes. Je bent vrij om te doen wat je wil. Er zijn geen Lonely Planet’s of Rough Guides die je zeggen wat je moet gezien hebben, geen brochures met hoogtepunten, geen plattegronden. Er is geen toeristische dienst. In Asuncion krijgt een mens de gelegenheid echt kennis te maken met het dagelijkse en gewone leven in een stad, omdat hij nu eenmaal niet van de ene attractie naar de andere wordt gezogen. Van andere steden weet je al wat er te zien en te beleven is. Her en der staat nog wat koloniale architectuur recht, en er zijn ook een paar gezellige groene plazas. De keuken is opvallend multicultureel in Asuncion: eenvoudig lokaal Paraguayaans, Koreaans, Chinees, Italiaans en Libanees. Voor een snelle, goedkope hap kan men terecht bij kraampjes met pancho’s (hot dogs). ’s Middags eet ik een soepje in een onooglijk Koreaans hokje met één tafel in de keuken. ‘s Avonds schuif ik de benen onder de tafel bij Oscar, een Paraguayaans parilla restaurant, met een barbecue aan de straatkant. Paraguay: dat is vleescultuur. Het land staat in het Guinness Record Book voor het maken van de grootste worst in de menselijke geschiedenis: 203,8 meter lang en 270 kilogram zwaar. Asuncion heeft ook up market eetgelegenheden. Een aanrader is Confiteria Bolsi, een van de jaren zestig daterend Paraguayaans restaurant. Een topper op de kaart is de surubi casa nostra, een katvis met smakelijk stevig vlees.

 

Het is nu 24 december in de namiddag. De zon staat hoog aan de hemel. Ik slenter rond in het centrum van Asuncion. Op Plaza Constitucion gaat er een feestje door van en voor de kinderen uit de sloppenwijken. Meisjes voeren er een traditionele dans uit, de danza de la botella of de “dans van de fles”.

P1000402c

Ze huppelen in traditionele kledij rond met een fles op hun hoofd. En zowaar, de flessen blijven kaarsrecht staan. Vanuit de kathedraal van Asuncion weerklinkt klassieke muziek. De deur van de kathedraal staat op een kier, ik glip geruisloos naar binnen. Een koor zingt het Requiem van Mozart. Een dodenmis op het feest van de geboorte van Christus. Surrealistisch Paraguay. Maar daarna gaat iedereen in familiale kring Kerst gaan vieren. De kindertjes keren terug naar de sloppenwijk. Asuncion lijkt plots een spookstad. Ik dool rond in een schilderij van Paul Magritte. De maan staat hoog aan de kraakblauwe hemel. Er zijn meer kunstkerstbomen en kerststallen op de straat dan mensen. Aan lantaarnpalen hangt de dik ingeduffelde Kerstman met zijn arrenslee, vliegende rendieren en sneeuwvlokjes te roosteren onder de zon. Een eenzaamheidsgevoel overmeestert mij. Niet één restaurant opent haar deuren. En erger, ook de winkels zijn zonder één uitzondering gesloten. Onder een kerstboom staat een hotdogkraampje met een ouwe knar met kerstmuts. Ik bedissel een zak sandwiches. Worsten heeft hij niet langer in de aanbieding. Het is duidelijk dat ook niemand op deze man wacht thuis. Daarna sjok ik naar Hotel Preciado. Ik spreid de sandwiches, de pot aardbeienconfituur, een fles cola en mijn Zwitsers zakmes op mijn bed. En ik kijk op het feest van de geboorte van Christus naar Solaris, een film over een groep astronauten die de uitdovende zon moet reactiveren met een atoombom. Best surrealistisch, Paraguay.

Het gekkenhuis van Boca Juniors

Posted on juni 4, 2014

Ik stap uit een bestelbusje in een grimmige achterbuurt van Buenos Aires. Voor mij loopt een schriel mannetje met onhandelbare haargroei. Hij kijkt schichtig om zich heen. Hij is mijn gids. Zenuwachtiger als mezelf stel ik vast. Ons gezelschap bestaat uit twee Noorse vijftigers met zoon en dochter en een bedeesd koppeltje uit Rotterdam. We lopen tussen rijen robocops met waterkanonnen, wapenstokken en rubberkogels. In deze grauwe achterbuurt van Buenos Aires komt een gekkenhuis op bezoek: La Doce, de twaalfde man van de beruchtste Argentijnse club aller tijden: Boca Juniors. De fans springen en zingen van uren voor de match tot lang na het einde. Door het springen symboliseren ze het kloppend hart van Boca. “Passie uitstralen por favor”. Onze gids deed het even voor, hij balde zijn vuist, ramde zo bijna een gat in het dak en riep Booooocaaaaaa, te quiero, te quierooooo! De Noorse vijftigers keken schaapachtig. Het Rotterdamse meisje – smal en rood – kijkt bang.

 

Drie uur voor de aftrap banen we ons een weg door een op- en neerverende mensenzee. Het voelt claustrofobisch en broeierig. Ik denk aan de rampen van de Heizel en Sheffield. Beneden spuit de brandweer water over de hoofden. Dan opent de massa zich als de zee voor Mozes. Gejuich stijgt op. Een fanfare marcheert binnen. Daarachter lopen mannen die spandoeken en vlaggen torsen. En daarachter krioelen, trekken en duwen supporters. Sommigen worden wild tegen de muren gekatapulteerd. Die razende meute loopt onder een erehaag van honderden gebalde vuisten die op en neer gaan. “Boca, Boca, Boca”. Een eresaluut voor de barra brava, de ultra’s. Tijdens matchen zorgen zij voor de ambiance en voor het creëren van het gezellige “wij-zijn-Boca-en-de-rest-zijn-hoerenzonen” sfeertje. Zij vervaardigen en dragen de relikwieën van de club: vlaggen en spandoeken. Ze verkopen tickets door aan woekerprijzen, troggelen geld af voor parkeerplaatsen en verpatsen drugs in het stadion. En dan zegt men dat de barra brava ook een procentje mee pikt in de merchandising en de verkoop van spelers. Door de week verdienen ze hun boterham als bodyguard, taxichauffeur of vechtersbaas voor politici.

 

Nu de bad boys van de barra brava hun weg banen door La Doce wordt het onbehaaglijk drummen. Mijn hemd zuigt het zweet van de hooligans voor en naast mij op. Mijn haar is nat van het speeksel van mijn fulminerende achterbuur. Pauken bonken op tamboeren. Fans tillen een neanderthaler naar omhoog. Mijn haar waait omhoog wanneer hij brult. Dit is één van de orkestmeesters van de barra brava. De orkestmeesters klimmen op in de hiërarchie na bloederige ontgroeningstaferelen. In een krant las ik hoe een toekomstige leider met een truitje van Boca door een Boca wijk liep en aangevallen wordt door een razende Boca meute. Daarbij proberen ze het truitje van de nieuweling af te pakken. Hoe langer hij er in slaagt om dat truitje aan zijn lijf te houden hoe hoger zijn status. Zij onderhouden contacten met clubs, politici en politie. Zij laten jongeren de vuile jobs doen. Die jongeren kijken naar hen op, meer nog dan naar de spelers. Die wisselen immers van club. Jongeren uit sloppenwijken vinden er geld, gekoppeld aan status en imago. Ze zijn een lid van de barra brava, geen anonieme nummer in een sloppenwijk. Onder impuls van de neanderthaler beweegt de massa van links naar rechts en omgekeerd. Het Hollands meisje hapt paniekerig naar adem.

De fans springen en zingen van uren voor de match tot lang na het einde. Door het springen symboliseren ze het kloppend hart van Boca.

Aan de andere kant razen de San Lorenzo supporters hun getralied hok binnen. “Hijos nuestros, hijos nuestros” stijgt uit duizenden kelen op. Op een spandoek staat in het Spaans “als onze kinderen zijn jullie geboren en als onze kinderen zullen jullie sterven”. Volgens de Argentijnse journalist Eduardo Archetti “ontmannen” hooligans elkaar symbolisch. Door de vijandelijke hooligans “onze zonen” te noemen, duwt men ze in de rol van kinderen. De zoon onderwerpt zich aan het gezag van de vader. Het werkwoord neuken hoort ook tot het vocabularium van de fans: “Boca mijn leven is één en al vreugde, wij zijn de grootste van Argentinië, neuk racing en de kiekens, neuk de cuevos en de politie”. Waarbij gallinas en cuevos verwijzen naar de fans van River Plate en San Lorenzo. Merkwaardig is dat de hooligans andere venten langs achter naaien, maar dat ze toch de échte mannen zijn. De slachtoffers zijn de mietjes en homoseksuelen, diegenen die hun mannelijkheid niet hoog houden. Vrouwen zijn zeldzaam in La Doce. Naast mij staat een krijsende pannenlat. Op haar linkerborst staat Boca getatoeëerd en op de andere Juniors.

P1000116

Het gezellige sfeertje: “hijos de puta, hijos de puta”

De spelers lopen het terrein op. Gebrul, voetzoekers, rookgordijnen. WC-rollen vliegen in slierten naar beneden. Als een zee bij springtij rolt een vlag over de spionkop: “Jugador N°12”. Vlak voor rust scoort Boca. GOOOOOAAAAAAAAAL. De fans springen op elkaar. Anderen hangen als primaten op het meterhoge traliewerk, kont achteruit, oogbollen uit de kassen. Het Hollands meisje raakt geplet tussen zwaargewichten. Nog smaller en roder dan ervoor, wil ze nu huiswaarts, net als de Noorse ouders. In de 2de helft brengt een flater van de keeper van Boca rust in de spionkop. Hij laat een schot door de handen glippen: 1-1. Ongeloof in de blikken, handen in de nek. Het meisje naast mij is gestopt met tieren. Tranen staan in de ogen. Een holenmens mompelt “boca, te quiero”. De fans van San Lorenzo zijn hoorbaar: “Hijos de puta, hijos de puta”. De neanderthaler schuimbekt en schreeuwt. Minuut 75: doelpunt Boca. De Noorse spriet springt in de armen van een vetpens. Goed dat haar ouders het toneel verlaten hadden. De tikker van deze kranige zestigers was al voldoende op de proef gesteld. Mijn buurvrouw kust de neanderthaler naast haar. In de toegevoegde tijd schiet Boca nog een keer de bal voorbij de doelman van San Lorenzo. We gaan naar een delirium. Na het laatste fluitsignaal gaan we naar huis. Bestelbusjes, scooters, auto’s, fietsen en brommers razen toeterend voorbij, bestuurd door Boca gekken. Vlaggen wapperen op gevels. De Boca fans verzamelen op een centraal plein voor een nachtfeest. Voor mij is het bezoekuur aan dit gekkenhuis afgelopen. Ik ga slapen.

 

Ter illustratie van “Als een zee bij springtij rolt een vlag over de spionkop: “Jugador N°12”. Filmpje op You Tube over La Doce (auteur: Aníbal Díaz):

 

Concepcion

Posted on mei 20, 2014

Boodschap aan alle zenuwpezen: kom even afkicken van de stress in een Paraguayaans dorp of stadje, zoals Concepcion. Op de heetste momenten tijdens de namiddag is het siësta. Mensen zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, terere uitwisselend, krantje lezen, oma met krulspelden in het haar. Er rijden nauwelijks auto’s, brommers snorren voorbij, fietsen klingelen en paardenkarren rammelen. Een schriel paard lummelt op zijn dooie akkertje door de straten, kippen scharrelen in het rond en twee flikken liggen te soezen voor de ingang van de plaatselijke bank. In Heladeria Amistad eten locals een ijsje, kwestie van de lichaamstemperatuur een paar graden naar beneden in deze bakoven. Heel af en toe doorbreekt een pick up de rust met de typische Cumbia muziek richting strand. Want ja, er is nog een gezellig strandje aan de Rio Paraguay. Niet bepaald Copacabana beach of Blankenberge plage. Geen bimbo’s of David Hasselhoff lookalikes hier. Vrouwen staan met al hun kleren aan in het water, terere in de ene hand en spartelende jonge ukkies in de andere. Een man leurt met chipas, een calorieatoombom samengesteld uit maïs, maniokbloem, kaas, eieren en varkensvet, een combinatie voor fans van verzadigde vetzuren. Een compilatie van de plaatselijke knuffelrock schalt uit een eigenhandig gebricoleerde disco. Wat een leuk en ontspannen familiesfeertje. Ja, Concepcion is misschien zonder grote toeristische attracties, maar het heeft een authenticiteit dat ik zelden heb ervaren.

P1010106 P1010107c P1010116a P1010116b P1010125 P1010107a

Verhalen uit de Chaco: taguas, leeuwen en ratelslangen

Posted on april 6, 2014

Dat de Paraguayaanse Chaco heel lang een godvergeten gat is geweest, bewijst de geschiedenis van de tagua. Tot 1970 ging men ervan uit dat het beest tienduizenden jaren geleden de pijp aan maarten had gegeven. Tijdens een zoektocht naar fossielen halverwege de jaren zeventig keken verbaasde wetenschappers plots een echte tagua in de ogen. De tagua is zo één van de weinige grote zoogdieren die pas “ontdekt” zijn geworden in de 20ste eeuw. De tagua is een everzwijn met een grijs-bruine pels en een witte collier om de hals en belachelijk smalle pootjes in verhouding tot het lichaam. Grappig zijn de haren van gemiddeld 20 cm die rechtstaan in de nek. De tagua komt alleen voor in de Chaco. Grootschalige veeteelt, stroperij en een gebrek aan overheidsbeleid brachten de soort aan de rand van totale uitroeiing. Mennonieten, die mee aan de basis liggen de grootschalige veeteelt, lieten ook hun goed hart zien en hebben na de ontdekking van de tagua een reservaat voor die beesten opgezet, met fondsen van de San Diego zoo in California. Katrien en ik staan in dit reservaat te kijken naar drie taguas die in een halve cirkel naast elkaar afgrijselijke stinkscheten in de atmosfeer blazen. Het is hun natuurlijk verdedigingsmiddel tegen vijanden en homo sapiens is daarbij vijand nummer 1.

P1000857

De zoektocht naar de tagua bracht ons eerder ook naar de vermeende zoo van Filadelfia. Vermeend, want die zoo bestond niet meer. “Verhuisd” wist Marylin ons te zeggen, naar de “wijde omgeving” rond Loma Plata, een ander Mennonietenstadje. Halfweg tussen Filadelfia en Lomo Plata vroeg ze de weg aan een eenzame fietser, een Paraguayaan met een T-shirt “I like New-York but now I want to go home”. Zo kwamen we aan een hotel terecht, waarvan de tuin de zoo herbergde. “Neen, geen dieren meer”, schudt de wat verbaasde hoteleigenaar het hoofd, “enkel nog vier leeuwen”. De andere dieren waren “weggespoeld” na hevige regens. Leeuwen in Paraguay? Weggespoelde dieren? Rare plek hier. Maar er stonden nog dierenhokken, overwoekerd door struikgewas en onkruid. Tussen de hokken hingen de beddenlakens van het hotel te drogen “Typisch Paraguayaans”, fluistert Marylin. “Ze dragen zorg voor niks”. Maar waarom zouden verarmde Paraguayanen geld steken in een zoo die twee toeristen per jaar ziet? Beesten die ze zelf in de natuur zien lopen? Helemaal achteraan stond het hok van de “leeuwen”, die poema’s blijken te zijn, die wel degelijk voorkomen in Paraguay. Twee volwassen exemplaren en twee pasgeboren exemplaren van een maand oud. Met helderblauwe oogjes en zwarte vlekjes over de pels. Over de vloer ligt een afgeknauwd schouderblad en een bloederig dijbeen.

P1000778

Een kennismaking met een beest dat tot voor kort voor de wetenschap als een prehistorisch fossiel te boek stond, een weggespoelde zoo met vier overlevende poema’s in de tuin van een hotel. Ja, in die Chaco valt een en ander te beleven. Opvallend is dat we veel meer met acuut uitsterven bedreigde taguas hebben gezien dan toeristen. Als er al eens een toerist komt, is het familie van Mennonieten of avontuurlijk ingestelde ornithologen. De Lonely Planets en Rough Guides van deze wereld hebben Paraguay nog niet ontdekt, laat staan het wildste en meest ontoegankelijke stuk ervan. We hadden contact gehad met ene Walter Ratzlaff, maar eenmaal in Filadelfia bleek die onvindbaar. En zo kwamen we via de museumconservator in Filadelfia terecht bij zijn zus, Marylin. Zelf waren wij de eerste toeristen die ze dieper in de Chaco zou rondrijden. Met de GPS aldus, lacht ze. Een nog groter avontuur voor haar dan voor ons. We begonnen met een ontspannen rondritje op haar ranch. Op een uurtje tijd zagen we twee uilen, drie struisvogels, bonte parkieten, grote aalscholvers, ibissen met een geel hoofd, een reiger met een blauw hoofd en een rode snavel en een specht. Achteraan haar ranch ligt er in een bosje een poel waar regelmatig tapirs op bezoek kwamen. “A ja, is dat interessant?”, vroeg ze verwonderd. Ik vertelde haar dat gidsen er zich voor meer dan 100 US dollar per dag in het Amazonewoud en de Braziliaanse Pantanal een punthoofd naar zoeken.

Een kennismaking met een beest dat tot voor kort voor de wetenschap als een prehistorisch fossiel te boek stond, een weggespoelde zoo met vier overlevende poema’s in de tuin van een hotel. Ja, in die Chaco valt een en ander te beleven

Dat ontoeristisch kantje aan Paraguay is heel aantrekkelijk. In 2007 hadden we het Parque Cerro Corra bezocht, een mengeling van ontoegankelijk droog tropisch woud en savanne. Paadjes moet je zelf uitzoeken en brengen de wat benauwde toerist op desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. Hier en daar rijst een spuuglelijke monument op uit het landschap, waaronder de herdenkingsplaats voor één van de grootste locos uit de Paraguayaanse politiek: Francisco Solano Lopez. Desondanks was de omgeving van het park mooi en vol van leven. We zagen 24 uur mieren, een grappige wandelende tak en een vunzige duizendpoot, een schuw gordeldiertje en een harige vogelspin en vogels om een dozijn ornithologen in delirium te brengen. Maar terug naar de Chaco.

 

Op de middag zaten we in een houten uitkijktoren te kijken naar de meren en bossen om ons heen. Marylin was met ons het Campo Maria Private Reserve in gereden, een gebied met zoute en zoete meren, waarvan de Mennonietencoöperatie Chortitzer eigenaar is. Tientallen zwanen dobberen rustig rond over het kalme water. Een groep witte reigers zit in een boom. Plevieren en eenden zwemmen rond. 50 Chileense flamingo’s staan pal in het ondiepe water. Zoutafzettingen kleuren de oevers wit. Wolken weerspiegelen zich in het rimpelloze meer. Ontelbare pootafdrukken getuigden van de aanwezigheid van tapirs, herten en een wilde kat. In het zand lagen twee slangenskeletten te roosteren in de felle zon. Dit reservaat is toeristisch potentieel, maar nu zijn er geen toeristen. ’s avonds reed Marylin bijna een ratelslang plat, een levend exemplaar en niet gediend met onze aanwezigheid en onze koplampen in haar ogen. Ze draait zich in een bolletje en trekt de kop achteruit, klaar om een paar milliliter verlammend gif in onze aders te spuiten. Daarna kruipt ze in het kreupelhout. Een waardige afsluiter van een verblijf dat nog echt “off the beaten track” geheten mag worden.

 

P1000842 P1000813 P1000802 P1000811

Verhalen uit de Chaco: de Mennonieten en de “nobele wilden”

Posted on april 6, 2014

Marylin begrijpt moeilijk de “luiheid” van Paraguayanen. Feesten, rondhangen op straat. Discobars rijden ’s avonds door de dorpen. Maar werken? Marylin is onze gids door de Chaco. We zijn vertrokken op haar ranch, Estancia Iparoma, net buiten Filadelfia in het schaars bewoonde Noorden van Paraguay. Een wat gelukkige ontmoeting, want toeristische faciliteiten zijn hier afwezig. We kwamen haar op het spoor via Agathe, de conservator van het Mennonietenmuseum in Filadelfia. Bedoeling: een bezoek brengen aan Mennonietenkolonies. We rijden per ongeluk een erf op, de weg bijster. De Chaco is een doolhof. Een man kijkt slaapdronken op van een kar met twee wielen, handen achter het hoofd. Witte ganzen stuiven in het rond, een man schommelt in een hangmat. Een knokige hond kwispelt. “Now you can see how Paraguayans live: they hang and sleep and live in poor houses”. Marylin gooit de Indianen onder dezelfde hoed als de latino Paraguayanen. Dat zouden die laatsten weer niet graag horen, want zelf hebben die ook vooroordelen over de Indianen.

 

Een dag later bezoeken we vrienden van haar op een andere ranch in een godvergeten uithoek. “Hard working people, but also nice house”, zegt ze. En ik denk er bij: “Paraguayans lazy, and no nice house”. Haar vrienden zijn als haar Plattdeutsch sprekende Mennonieten. Hun leven bestaat uit 365 dagen werken op een jaar. Geen hangmat hangt tussen de bomen. Ze zijn nooit op reis geweest, ook niet binnen Paraguay. Opstaan, werken, bidden. Tot pietje de dood zijn zeis boven haalt. Maar ik begrijp hen ergens. Vaak zijn ze herbegonnen, na vervolgingen door de Katholieke Kerk in Duitsland en Stalin in Rusland. En wilskracht en werk brachten hen erboven op. Maar wat met de Indianen waartussen ze wonen? In een boek dat ik kocht in Filadelfia las ik hoe Mennonieten Indianen wilden bekeren tot hun God en het christelijke familieleven. Alsof de geloofstradities van Indianen en hun familieleven niet bestonden. Ze moesten een wit hemd met das aan, hun naaktheid bedekken, de Bijbel lezen, naar de mis gaan en als de beesten zweten in het aanschijn van God. De Mennonieten hebben eeuwen hun autonomie verdedigd. Respect. Maar waarom voelen ze dan die drang om anderen te bekeren tot hun waarheid?

 

Jezuïeten beschouwden het eeuwen geleden al als hun taak om de “nobele, sympathieke wilden” geschiedenis, religie en cultuur bij te brengen. Diezelfde Jezuïeten die ook de Mennonieten op de brandstapel hebben gezet, omdat ze hun absolute waarheden in vraag hadden gesteld. De geschiedschrijving heeft ook geen goed aan gedaan aan de beeldvorming over Indianen: meestal is die altijd gericht op de effecten van de kolonisatoren op de Indianen, nooit omgekeerd, waardoor het beeld ontstaat dat Indianen geen cultuur of geschiedenis zouden hebben. Barbara Ganson schreef een zeldzaam boek over de cultuur, gewoontes en tradities van Guarani en hun invloed op kolonisten en het hedendaagse Paraguay. Een hangmat is een uitvinding van de Guarani, net zoals de gewoonte om yerba maté te drinken in Argentinië en Paraguay. Zonder de Guarani hadden Jezuïeten en kolonisatoren nooit overleefd in deze vijandige woestenij. Guarani leerden hen maniok en zoete aardappel eten en wild schieten. Vandaag is Guarani de tweede officiële landstaal in Paraguay. Marylin nipt aan haar téréré, en ik denk: dat heb jij geleerd van de “nobele wilde zonder cultuur”.

Haar vrienden zijn als haar Plattdeutsch sprekende Mennonieten . Hun leven bestaat uit 365 dagen werken op een jaar. Geen hangmat hangt tussen de bomen. Ze zijn nooit op reis geweest, ook niet binnen Paraguay. Opstaan, werken, bidden. Tot pietje de dood zijn zeis boven haalt.

Omgekeerd vinden de Indianen (en ook de latino Paraguayanen) de Mennonieten uitslovers zonder aandacht voor familie en het leven. Marylin leeft op haar ranch met haar man. Haar mama en papa zijn opgeborgen in een klinische doos met breiwerk, TV, radio, tafel met kaarten: een ouderentehuis aldus. Ze trekken een pensioentje van de coöperatie. Er is geen tijd om ze te verzorgen. Ze willen trouwens zelf niet ten laste zijn. Marylin vertelt dat de Paraguayanen (nooit duidelijk wie ze ermee bedoelt) het totaal onbegrijpelijk vinden dat ouderen weggestoken worden in een tehuis. Voor Mennonieten met een hoek af, of die last hebben van één of andere depressie is er een psychiatrisch centrum in Filadelfia. Marylin was er nog verpleegster. Er was een zoo aan verbonden. Het verzorgen van dieren zou een kalmerende invloed hebben op patiënten, zo geloofde de directeur. Maar de zoo was verdwenen. Ouderentehuizen, psychiatrisch centrum, een plek om dieren op te sluiten: voor de Indianen zijn het rare zaken.

 

Wat is er nu aan van die vooroordelen? Niet alle Paraguayanen leven zoals de familie op het erf. En zelfs die familie op het erf bleek daar niet constant te wonen. Eén van de mannen kwam met een jeep van Asuncion. Ik vertelde Marylin dat de meeste Paraguayanen ook in huizen leven met TV’s, schotelantennes, keuken, badkamer en Internetaansluiting. Katrien’s vrienden plaatsen foto’s op Facebook en bellen via Skype. In de streek van Arroyos en Esteros hadden we Paraguayaanse suikerboeren bezocht. Verenigd in een coöperatieve zoals de Mennonieten werkten ze zich uit de naad om producten als biosuiker, stevia en sesam op de internationale markten te krijgen ondanks moordende Braziliaanse concurrentie. Omgekeerd moet ik ook mijn eigen vooroordelen over Mennonieten in vraag stellen. Marylin is een lieve vrouw, weliswaar met een bevooroordeelde kijk op Paraguayanen, zowel Indianen als Latino’s. Maar ook zij beantwoordt niet aan de clichés die over Mennonieten de ronde doen: conservatief, vrouwen aan de haard, mensen die zich op geen enkele wijze integreren. Marylin is gids, met strakke spijkerbroek en eigenaar van een ranch met 800 runderen. Ze heeft een open kijk en staat open voor mijn ongemakkelijke kritiek op hun betuttelende manier om Indianen te bekeren en te beschaven. Ze luistert verwonderd naar deze verhalen. Wij luisteren verwonderd naar haar verhalen over Mennonieten. Ik had vooroordelen over Mennonieten, Marylin over inheemsen en Paraguayanen. Beiden gaven we onze enggeestigheid toe. Konden mensen maar wat makkelijker hun vooroordelen relativeren.

Verhalen uit de Chaco: Duitse degelijkheid in het hol van Pluto

Posted on april 6, 2014

Ik zie een jonge kerel met lichtblauwe ogen, blond haar, en een huidskleur die lichter is dan die van mij. Een baseball pet rust op zijn kruin. De andere passagiers zijn Guarani, de oorspronkelijke bevolking van Paraguay. Ravenzwarte haren steken vanonder strooien cowboyhoeden. Het harde boerenleven heeft rimpels gegraven in hun donker gezicht. Ruwe handen verraden een leven van graven, wieden en sleuren. Ze lachen luid, de gaten in hun gebit lijkt hun gezicht alleen maar grappiger te maken. Hij heeft al zijn tanden op een rij en zit naar buiten te kijken. De kerel is geen toerist. Hij heeft geen bagage, zeult zoals alle Paraguayanen een téréré mee en stapt na twee uur in het midden van niks van de bus. De wildernis aan palmbomen, gras, cactussen, moerasjes en kreupelhout slokt zijn silhouet op. Raven krassen, reigers vissen. Slechts af en toe passeren we een hut: hangmat tussen twee bomen, kippen scharrelen, honden blaffen, kindjes wuiven. Wie is de blonde gast op deze bus tussen Paraguay’s hoofdstad Asuncion en Filadelfia in het Noorden?

 

Katrien en ik weten het wel. Alleen wisten we niet dat “zij” er zo kunnen uitzien, een jongen zoals je hem ook bij ons kan tegenkomen. “Zij” zijn de Mennonieten. 80 jaar geleden kwamen zij in Paraguay wonen. Ik stelde ze me voor als een uit Europa overgewaaide sekte met strenge geloofsregels, die zich buiten de samenleving plaatsen. Volgens Wikipedia blijven huwelijken beperkt tot partners binnen de kolonie en hebben vrouwen geen bal te zeggen. In sommige kolonies zijn zelfs radio, televisie en auto’s taboe. “Vrouwen opgesloten. Ze mogen niet zonder man op straat. Spaans leren is ten strengste verboden”, zei een Boliviaanse taxichauffeur tegen mij. Grootgrondbezitters ook. En dat terwijl de indianen landloos waren. En, o ja, goede maatjes met de maffe oud-dictator Stroessner, het nazivriendje.

 

Na acht uur rijden rammelt de bus een stadje binnen. Een monument rijst op. Een lange geasfalteerde laan volgt waarop zandwegen uitlopen. “Avenida Hindenburg”. Een eerbetoon aan de Duitse veldmaarschalk die naam maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog . Een stukje Duitse degelijkheid in een Texaanse prairie. Hier en daar staat een smetloos wit huisje. Er is ook een melkproductenfabriek en een grote molen, een koloniaal gebouwtje in een exotische tuin en een hotel: Florída. De receptionistes spreken Duits, maar begroetten ons in aangeleerd Spaans. Op de knikker van de manager groeit een gemillimeterd blond brosje, en ook hij heeft blauwe ogen. Zijn hemd is kreukloos, zoals het witte linnen op ons bed. Het gras ziet er uit als dat van het veld van FC Barcelona en het zwembad als eentje waarin de Olympische spelen kunnen plaatsvinden.

Ik kreeg te doen met de Mennonieten. Wie de katholieke kerk en Stalin in het leven tegen zich krijgt heeft zijn of haar hemel wel verdiend.

Agathe begroet ons in het Duits. Ze is een Mennoniet en “conservator” van het Jacob Unger museum in Filadelfia. Het museum toont de geschiedenis van de Fernheim kolonie die dit stadje uit stof en as deed verrijzen.
P1000867Mennonieten zijn wederdopers, ze geloven in de doop voor volwassenen. Ze kennen geen priesters die tussen God en de gelovige staan. Menno verwierp in het Duitsland van de zestiende eeuw een aantal dogma’s van de katholieke kerk. En dan loeren marteltuigen en brandstapels om de hoek. Mennonieten zijn pacifistisch, weigeren dienstplicht en willen hun eigen onderwijs. Agathe spreekt met bewondering over de Russische tsarin Katarina de Grote. De Mennonieten mochten zich in Rusland vestigen en hoefden geen soldaatje te spelen. Gedreven door Protestantse werkijver bouwden zij rijkdom op. Maar wanneer we aan een plaatje “20ste eeuw” passeren gaan Agathes mondhoeken hangen. Ze spreekt over de grootste ramp in de geschiedenis van de Mennonieten: de Bolsjevistische revolutie en later de terreurtijd onder Stalin. Hij plakte het label van kapitalisten en grootgrondbezitters op hun hoofd. Collectivisatie van bezittingen, goelags in Siberië en standrechtelijke executies volgden. Agathes vader vluchtte, drama’s voor het leven op de ziel gekerfd. Ik kreeg te doen met de Mennonieten. Wie de katholieke kerk en Stalin in het leven tegen zich krijgt heeft zijn of haar hemel wel verdiend.

 

Eind jaren twintig stapten honderden uit Rusland gevluchte Mennonieten af in een stationnetje aan de rand van de Chaco in Paraguay. Foto’s tonen houten spannen getrokken door ossen. Matrassen liggen opgestapeld. Tonnen met water klotsen. Pollepels, potten en pannen bengelen. Mannen in kostuum hakken met machetes een weg door de groene hel. Het is een geschiedenis van tentenleven, knorrende magen en kindersterfte. Agathe loopt snel verder, alsof ze zich in een teletijdmachine naar een beter tijdperk flitst. We zien een vader die in kostuum met zijn ossenkar een veld ploegt, gevolgd door de vrouw die zaait. Tenten zijn nu hutten. Er staat een eerste koe voor en een paar kippen scharrelen. Vandaag, een halve eeuw later, zijn het mooie huizen op grote ranches die duizenden runderen herbergen. De kolonie Fernheim bezit een coöperatieve die uitgegroeid is tot een miljoenenbusiness. De coöperatieve zorgt voor een groot deel van alle melkproducten die verkocht worden in Paraguay. De fabriek alleen stelt 1600 arbeiders te werk. Het is een bewonderenswaardige geschiedenis van doorzettingsvermogen en ondernemerschap.P1000748

Het is een herhaling van de mythe die Europese missionarissen en kolonialen zichzelf al eeuwen hebben voorgehouden. Dat er voor hun komst geen cultuur of beschaving was, enkel brave en “nobele” wilden die beschaving en cultuur moeten bijgebracht worden.

Maar wie afwezig blijft in dit museum zijn de bewoners die hier leefden vooraleer de Mennonieten aankwamen. Het waren en zijn indianen, die deels nomadisch leefden en geen grootschalige akkerbouw of veeteelt kenden. Er is één plakkaatje over de “Ureinwohner” van de Chaco. Primitief gereedschap ligt in vitrinekasten zonder verdere uitleg. De bezoeker blijft in het ongewisse over cultuur, geloof of samenlevingswijzen van de Indianen. Ze zijn figuranten in het decor van hun eigen thuis. Eén van de weinige foto’s met Indianen op is er één geposeerd met de eerste Mennonieten. De indianen zijn halfnaakt, met hoge jukbeenderen en tot schouderhoogte uitgerekte oorlellen. Sommigen kijken schichtig in de les, anderen ongegeneerd afwezig, één ervan poseert met gespannen boog. Een inheemse vrouw bedekt haar borsten. Het is een herhaling van de mythe die Europese missionarissen en kolonialen zichzelf al eeuwen hebben voorgehouden. Dat er voor hun komst geen cultuur of beschaving was, enkel brave en “nobele” wilden die beschaving en cultuur moeten bijgebracht worden.

  

%d bloggers liken dit: