Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Berichten uit de “Subsaharaans Afrika” categorie

Paasweekend in Bas-Congo

Geplaatst op augustus 10, 2014

Van Kinshasa naar Kisantu

 

Volgens Cathy, een oud-collega van mij, wenen buitenlanders tweemaal als ze naar Kinshasa komen. Eén keer als ze aankomen en één keer als ze vertrekken. Dat laatste kan kloppen want mijn ogen tranen van een forse verkoudheid nu we miljoenenstad Kinshasa uit rijden. We passeren aan het marmeren paleis waar Laurent-Désiré Kabila als president door het hoofd geschoten is door één van zijn kindsoldaten. Een halfuur later baden de buitenwijken van Kinshasa in een apocalyptische sfeer: een donkergrijze hemel, bliksemschichten, stortregen. Overbevolkte marktjes staan in poelen van slijk. Een jongetje zeept zich in en neemt een openluchtdouche. Bulderende camions met metershoge stapels zakken en bananen tuffen in slakkengang voort. Ze braken dieseldampen uit. Hoofden, armen en benen puilen uit de overvolle, geblutste en roestige busjes. De donder roffelt lang en onheilspellend.

 

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig.
Enerzijds zie je troosteloze huisjes, stapels vuilnis, wolken roetpartikels, massa’s mensen die leven van de opbrengt van hun schrale oogst. Anderzijds zie je winkels met weelderig versierde en blinkende doodskisten, poepchique dames in kleurrijke gewaden, mannen in glimmend kostuum en schoenen in krokodillenleer, schreeuwerige reclamepanelen van multinationals, muren beschilderd met reclame voor GSM’s, Coca-Cola en bier. In het dorpje Kasangulu zijn er vluchtheuvels op de weg. Politiemannen hangen rechts ervan onderuitgezakt in blauwe stoelen met het geelrode logo van Primus op. Handig om chauffeurs enige dollars af te luizen en het armtierig loon aan te vullen. In Kinshasa loopt er een experiment met robots die het verkeer regelen. Die vragen geen fooien, zijn niet corrupt en dwingen naar het schijnt zelfs nog respect af ook. Nog een halfuur later rijden we door een groen en heuvelachtig landschap met palmbomen, bamboe en af en toe een machtige Baobab. Au revoir, Kin, avec des larmes dans mes yeux. Hoest. Proest.

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig

We komen ’s avonds in Kisantu aan. Schimmen schrijden door de nacht. Hier en daar ontbloot het schijnsel van een olielamp of een kaars de identiteit van een schim. Het opzwepende soukous ritme schalt uit boksen. Ik stap de jeep uit voor een hotel met spuuglelijke lichtbak aan de gevel. Een uitgemergelde hond passeert. Zou deze vlooienbak Cerberus zijn, de waakhond uit de Griekse mythologie die aan de poort van de onderwereld wacht houdt? Ik schrijd door de poort, val over een verhoog. Regen druppelt uit de goot in mijn nek. De gezichten van mijn reisgezellen verraden een “neen, dit is echt te erg”. Schimmel bouwt een feestje op de vochtige muren van deze muffe holen. We keren terug. We rijden door de duisternis en slaan dan af. Plots hotsen we tussen een dubbele rij straatverlichting, terwijl de wegen elders stikdonker zijn. De weg naar Mbuela lodge. Was het luizenhotelletje de hel, dan is dit het aards paradijs. Een standbeeld van de Maagd Maria verwelkomt ons. Symbolischer kan het niet: op een kwartier tijd van hel naar hemel, van Cerberus tot Maagd Maria. Onder platanen met rode en blauwe lampionnen spelen we de volgende morgen minigolf. Wat verder staat een levensgroot schaakbord in de tuin. Een zwembad. De kamers zijn proper en luxueus op zijn Congolees: een flatscreen TV die niet werkt, een IPod dock zonder Ipod. Een douche zonder warm water. Een frigo zonder iets. In de inkomhal hangt een tiental portretten omhoog van de eigenaar van Mbuela Lodge die handen schudt met Joseph Kabila. De man is ambassadeur voor Congo in Angola. Het is zoals reisgezel Steven opmerkt wat wrang om vast te stellen dat een zeldzame blijk van toeristisch ondernemerschap komt van een invloedrijk man met geld en connecties. Jan met de pet geraakt in het verziekte zakelijke klimaat niet aan vergunningen, eigendomsaktes en registraties voor het starten van een onderneming. Daarom geven de meeste kleinschalige ondernemers er de voorkeur aan informeel te blijven werken waardoor hun groeipotentieel beperkt blijft.

 

Van Kisantu over Mbanza-Ngungu naar Kimpese

 

De volgende dag bezoeken we in Kisantu de Botanische tuin, een domein met 12 kilometer wandelpaden. De Belgische jezuïet Gillet richtte de tuin op in 1901. In het park ligt er een vijver met een hoogbejaarde krokodil waarvan de leeftijd, al naargelang wie je spreekt, varieert van 70 tot 200 jaar. Eerstvolgend stadje na Kistantu is Mbanza-Ngungu, gebouwd door de Belgen eind 19de eeuw. Het groeide en bloeide dankzij de eerste spoorlijn in Congo. Een titanenwerk waaraan negen jaar gewerkt is, en waaraan tweeduizend mensen zich letterlijk doodgewerkt hebben. We zien de roestige treinstellen en oude koloniale woningen. Op de markt springen lege rekken in het oog. Vlees is er nauwelijks te ratten. Een gevilde koeienkop kijkt schaapachtig van op een houten tafel. Wel aanwezig is zwart gerookte vis. In de modder tussen vuilhopen staan advocaten in smetteloze zwarte toga en zwarte lakschoenen die schitteren als de poolster op een heldere avond in de Sahara.

 

Na Mbanza-Ngungu volgt Kimpese. Dit stadje herbergt een groot hospitaal en Angolese vluchtelingenkampen. We gooien onze bagage af in een centrum van de Protestantse kerk, CRAFOD. Nog diezelfde dag marcheren we naar de watervallen van Vampa, die te vinden zijn in een stuk smaragdgroen woud. We passeren langs de “Cimenterie de Lukala”, die 80% van de Congolese cementproductie verzorgt. De zon perst liters zweet uit mijn poriën. Metershoge gewassen prikken in mijn blote armen en gezicht. Mijn hoofd duizelt. De verkoudheid speelt mij parten. Na een uur staan we aan een brug, of beter gezegd: ijzeren draden waarop takken zijn gelegd. Helaas zijn veel van die takken verdwenen. Om die stukken te overbruggen behelpen we ons met de draden: één onder om met de voeten over te schuifelen en één boven om met de handen vast te houden. Hier moeten dus iedere dag mensen over. Ik sukkel heelhuids aan de overkant. Een man vraagt 1000 Congolese dollar: “Il faut payer, vous êtes touriste et vous êtes au Congo”. Ik start een vruchteloze discussie op. “Al veel toeristen gezien hier?”, vraag ik. Hij aarzelt en schudt dan het hoofd. “Wil je dat hier veel toeristen komen?”, hij knikt. “Denk je dat er veel toeristen komen als jij zo opduikt om geld te vragen?”. Sullige blik. “De bedoeling, cher papa, is dat je iets aanbiedt, in ruil daarvoor betalen toeristen dan geld”. Hij vraagt nu 500 Congolese dollar. Steven neemt over: “Papa, il faut réparer le pont avant que vous demandiez de l’argent, n’est-ce pas?”. De man bindt in. Een tiental minuten later lopen we door een sprookjesbos van mangosteen bomen. We bereiken de eerste waterval. Door de invallende duisternis beslissen we om het hierbij te houden. Bij de terugkeer over de brug maak ik een beginnersfout: teveel naar de voeten kijken. Bij het opkijken tikt mijn bril tegen de bovenste ijzerdraad. Het kostelijke kleinood springt van mijn hoofd. De bruinige rivier voert hem mee. Bestemming onbekend. Ik ben even mentaal ontredderd, hang als een slappe schotelvod op die draad, maar Eva roept en zet mijn zinnen weer op scherp. ’s Avonds lopen we door pikkedonkere dorpjes. Zonder bril zie ik niks scherp: een duister schimmenspel, onderbroken door het licht van gele lokken vuur en witte rijen tandjes en pretoogjes van de kindjes. Steven achtervolgt hen. Ze stormen als een kudde schapen uit elkaar. Tiens, een camion uit Sint-Niklaas. Achter ons sluit een rood-oranje horizon als een kleurrijk theaterdoek de dag af.

 

DSC_5512 DSC_5499 DSC00052 DSC00022

De gescheiden kleuren van de regenboog

Geplaatst op april 6, 2014

Leuk hoe “Die Mystic Boer” zich profileert als progressief en multicultureel. Pop art van Nelson Mandela en lichtportretten van witte trekboeren hangen samen aan de muur. “Die Mystic” is een café in Bloemfontein en een heus begrip. Een zwarte vrouw slaat haar armen om de hals van een blanke aan de toog. Een teken van hoop: een interraciale en openbare kus volgt. Een dubbele middenvinger naar apartheid en preutsheid. Charmant is het, hoe in het (mannen)toilet de muren rond de langwerpige pisbak behangen zijn met gelige naaktfoto’s van blonde schonen. Met dat progressieve zit het wel snor. Zo heeft de Mystic geen al te beste naam bij de conservatievere goegemeente van Bloem. Maar iets anders is dat multiculturele. Hoewel de tortelduifjes aan de toog zich verdrinken in elkaars ogen vind ik Die Mystic toch vooral blank. De alternatieve Zuid-Afrikaanse muziekscène – hip hop, punk, rock en Indie – is niet veel multicultureler dan het Spar Bierfest. Voor dat laatste zag ik aankondigingen in het straatbeeld van Bloemfontein: “Bavarian Brauhaus!” “Gorgeous fraulein!”, “Oompah Band!”, “Bratwurst!”, “Lederhosen!”. Het volk dat ik zie in de Mystic en de rondborstige Zuid-Afrikaanse Heidis zijn zo wit als de schuimkraag op de halve liters bier die over de togen schuiven. Niet dat dit eigen is aan Die Mystic. Ik bezocht eerder Hatfield Square in Pretoria. Stroboscopen draaiden, Icona Pop zong “I don’t care, I love it” en blanken en zwarten gooiden shooters als Black Bitch, Shit in the Woods en G-spot achter hun huig. Maar ze zaten op aparte terrassen, gescheiden door een ijzeren gordijn in hoofden en harten, ook 20 jaar na de afschaffing van de Apartheid.

 

De Lonely Planet waarin de Mystic staat te blinken is optimistischer: “de kleuren van de Zuid-Afrikaanse regenboog vermengen zich meer en meer”. Ik wil geen uitspraken doen voor gans Zuid-Afrika, maar in Bloemfontein en Pretoria zie ik maar weinig vermenging. Ik rijd met een collega een compound binnen, waar hij woonde. Met de auto. Het openbaar vervoer is “voor nie-blankes”. Een compound is een kruising van een begijnhof en een zoo. Dezelfde huisjes met identieke kleuren en tuintjes, en met de levendigheid van Plopsaland om 4 uur ’s nachts. De “good evening” van de bewaking sterft uit, wat later ook het geratel van de bareel. Stilte. Gerammel van schuivende hekkens en pieppiep geluid van bewakingscodes. Stilte. Lege straten. Geen puffende rood aangelopen gezichten van joggers die er calorieën af proberen krijgen. Geen hond die een drol draait. Geen cafeetje waar stamgasten roddelen over God en klein pierke. Een zoo met kooien waar homo sapiens slapen, naar hun lichtbak gapen en af en toe een paar kilo biefstuk op hun braai leggen. Binnen deze compound is er op 22 gezinnen één zwart. De zwarten leven in meerderheid in de township aan de rand van Pretoria.

Stroboscopen draaiden, Icona Pop zong “I don’t care, I love it” en blanken en zwarten gooiden shooters als Black Bitch, Shit in the Woods en G-spot achter hun huig. Maar ze zaten op aparte terrassen, gescheiden door een ijzeren gordijn in hoofden en harten, ook 20 jaar na de afschaffing van de Apartheid.

Vinden we die regenboog in de sport dan? In België timmeren hooligans elkaar in het weekend op de bek, maar ze brullen wel broederlijk de multiculturele Rode Duivels richting Brazilië. Niet zo hier. Rugby is “blank”. Op de luchthaven zie ik een rugbymatch van Zuid-Afrika tegen Australië. Vijf blanke mannen veren op en neer op hun barkruk en draaien er mee rond alsof ze op een op hol geslagen paardenmolen zitten. Ogen rollen uit de kassen, speeksel vliegt in het rond, vuisten bonken op de toog. Ook de ogen van de zwarte barman rollen uit de kassen, maar dan richting de decolleté van een Barbie op slagersmessen van stiletto’s. Een zwarte ober hangt onderuit gezakt op een barkruk. Hij kijkt sullig als Droopy wanneer de blanken juichen en elkaar omhelzen. Omgekeerd is het met voetbal. Ik zie op TV een match tussen Kaizer Chiefs en Orlando Pirates. Twee zwarte ploegen aangemoedigd door zwarte op vuvuzela’s toeterende toeschouwers. Neen, een Zuid-Afrikaanse remake van de Rode Duivels zit er nog niet in.

 

Voetbalreligie doet het niet. Gewone religie evenmin. “Aanvaard Jezus Christus als redder!”, tiert een zwarte priester van op TV mijn slaapkamer in. De camera zwiert de ruimte in. Daar zingen, springen en swingen uitzinnige fans van het lam Gods. Zwart van het volk, letterlijk en figuurlijk. Blanken luisteren elders naar dezelfde blijde Boodschap, zo blijkt wanneer ik een kanaal verder zap. “Het koninkrijk der hemelen is nabij”. Euforie op honderden driftig knikkende witte gezichtjes. Zelfs in het huis van God leven christenen van verschillende kleuren apart.

De “good evening” van de bewaking sterft uit, wat later ook het geratel van de bareel. Stilte. Gerammel van schuivende hekkens en pieppiep geluid van bewakingscodes. Stilte. Lege straten.

Vinden we die regenboog dan echt nergens? In de blinkende tempel van het consumentisme: de shopping mall. In malls in Bloemfontein en Pretoria stapelen zwarten en blanken van dezelfde middenklasse hun karren zo vol alsof het einde der tijden in zicht is. Manlief gaapt naar een smartphone, vrouwlief schuift de kredietkaart door het betaalbakje van een flashy klerenwinkel. Zwarten en blanken verslinden sushi met stokjes en hoeveelheden vlees als een familie leeuwen in het Kruger park. Neem de populaire keten van Spur Steak Ranch. Blanken en zwarten verorberen calorie atoombommen zoals de Warrior Combo: 200 gr ribbetjes, 200 gr lamskoteletjes, een kwart kip en een braadworst. Groentjes? Jazeker! Gefrituurde uienringen! En vergeet het ontbijt niet! Terwijl je een halve kilo vlees richting spijsverteringsstelsel duwt lees je over het “unreal breakfast for a sunny start of the day”: frieten, steak, twee spiegeleieren, lagen spek, twee worsten, in boter gebakken champignons en toast met boter en confituur. Diegenen wiens maag nog niet in staking is gegaan, kunnen er kippenlevers en Weense worst bijnemen. Maar ook in upmarket aangelegenheden als Kream Restaurant in Pretoria vind je zwart en blank. Gladde mannen in kostuum van Armani of Boss, wolken zware aftershave die de fijne haartjes van de neusholte verschroeien, elleboog op de toog, whiskey on the rocks in de hand, Zwitserse horloge aan de pols. Vrouwen in mantelpak of glitterkledij, paarlemoer rond de nek, koket nippend aan een kir royale. En zoals in de compound, het voetbalstadion en het huis van God lijkt ook hier de ruimte verdeeld volgens ras. In Bloemfontein en Pretoria hangen vooralsnog zwarte en witte wolken voor de regenboog.

Het leven zoals het is: een beroepsschool in de township van Thaba Nchu

Geplaatst op april 6, 2014

Geen toerist te zien op de autosnelweg tussen Bloemfontein en Lesotho. Ik ben op weg naar Motheo College, dat beroepsopleidingen aanbiedt in de township van Thaba Nchu. Een pijl wijst plots naar links. Het grijze biljartvlak verandert in een gravelweg met rond waaiende plastiekzakken. Woestijnwind waait rommel op hoopjes, kleine vuilnisbeltjes waarin mensen krabbelen. Ik zie geen landbouwers, wel kleine kuddes koeien en geiten. Aan de afslag naar Thaba Nchu hangen koeienvellen aan een prikkeldraad. Armoedige sloppen duiken op. Thaba Nchu was deel van een “thuisland” voor zwarten tijdens de Apartheid. Het Apartheidsregime gaf hen “zelfbeschikkingsrecht”: hun eigen cultuur beleven, zelf hun toekomst in handen nemen. Met menslievendheid had het weinig te maken. In het thuisland verloren zwarten het Zuid-Afrikaans burgerschap en stemrecht. Hocus pocus: Zuid-Afrika weer zo wit als de Melkweg. Het thuisland was een overbevolkt Alcatraz zonder economisch perspectief. De economie draaide op een casino en ook topless shows lieten de kassa rinkelen. Witte Zuid-Afrikanen sjeesden met dollartekens en borsten in de ogen het wegdek strijkplat richting het thuisland. Want gokken en bloot waren in conservatief Zuid-Afrika verboden.

 

In het hoofdgebouw van Motheo College geeft de directeur mij een hand. Ik luister naar een terugkerend verhaal over beroepsonderwijs. Enigszins positief bekeken is beroepsonderwijs het laatste vangnet voor kwetsbare jongeren vooraleer ze een anonieme nummer worden tussen de 2,5 miljoen werkloze jongeren van 18 tot 24 jaar. Jongeren die met leerachterstand kampen, vaak amper kunnen lezen, schrijven of rekenen. Negatief bekeken is beroepsonderwijs bezigheidstherapie: er is geen werk, waarom dan leerlingen hun broek laten slijten op gammele schoolbanken? Als er al een werkgever is, dan zoekt die bij voorkeur mensen zonder diploma. Brave lieden gaan dan mango’s, bananen of sigaretten verkopen. Durvers slijten drugs of roven af en toe eens de winkel van brave lieden leeg.

Enigszins positief bekeken is beroepsonderwijs het laatste vangnet voor kwetsbare jongeren vooraleer ze een anonieme nummer worden tussen de 2,5 miljoen werkloze jongeren van 18 tot 24 jaar. Jongeren die met leerachterstand kampen, vaak amper kunnen lezen, schrijven of rekenen.

Infrastructuur is te krap, materiaal is er te weinig. De township groeit aan. Praktijklokalen vormt de school om tot leslokalen. Stoelen en lessenaars staan tussen las- en houtsnijmachines. De directeur klinkt somber. Drie zwarte leraars knikken. “Deze mannen zijn tegen de pensioensleeftijd aan. Wie zal die gasten nog lesgeven?”. Een vraag die ik ook in andere landen hoorde. Goede leraars zijn schaars goed voor het beroepsonderwijs. Soms komen pas afgestudeerde jongeren uit beroepsonderwijs voor een klas terecht. Omgaan met jongeren en lesgeven zijn voor hen zo vreemd als voor Lionel Messi, wiens naam hier prijkt op de afgebleekte namaaktruitjes van FC Barcelona. Sommige van die leraars worstelen zelf met lezen, schrijven en rekenen. Soms waaien “afdankertjes” uit de industrie de deur van de beroepsschool binnen. De werkloosheidsval klapt open en dan is leraarschap in het beroepsonderwijs één van de weinige opties. Een laatste rekruteringscategorie zijn hooggeschoolden die geen job vinden. Ze hebben jaren zweet gelaten over dikke boeken en gezwoegd op een masterthesis. Die begeven zich met tegenzin en knikkende knieën over de drempel van de beroepsschool. Daar wacht het leger aan jongeren wiens wieg op deze verkeerde plek van de aardkluit stond: kwetsbare jongeren, gekneusde ego’s, opstandige lastpakken. Hoe ga je in ’s godsnaam om met zo’n kansarme bende? En hoe moeten ze dat doen, lesgeven?

Negatief bekeken is beroepsonderwijs bezigheidstherapie: er is geen werk, waarom dan leerlingen hun broek laten slijten op gammele schoolbanken? Als er al een werkgever is, dan zoekt die bij voorkeur mensen zonder diploma. Brave lieden gaan dan mango’s, bananen of sigaretten verkopen. Durvers slijten drugs of roven af en toe eens de winkel van brave lieden leeg.

 

Zuid-Afrika is geen uitzondering. De opleiding van leraars in beroepsonderwijs is een kneusje in veel landen. In ontwikkelingslanden investeren overheden en hun donoren liever in infrastructuurprojecten, de aanschaf van nieuw materiaal en het uitdenken van vaak onuitvoerbare papieren hervormingen. Laat de stapels papier die wetenschappers volpennen aantonen dat het de leraars zijn die de belangrijkste rol spelen in het verbeteren van leerresultaten en het welbevinden van leerlingen. Waarom vergeet men die dan? Te moeilijk? Want dan moet je werken aan de status van de leraar, betere arbeidsvoorwaarden creëren, een deftig loon voorzien. Je moet zorgen voor kwaliteitsvolle opleidingen en bijscholingen. En daarvoor heb je instellingen nodig die leraars kunnen opleiden. En dus moet je ook leraars hebben voor die lerarenopleidingen, en curricula. En dat duurt al gauw zijn tijd. En heel zichtbaar is het ook al niet. Dan zijn een nieuw gebouw of computers met jongeren voor het scherm toch meer sexy. Nu is er in Zuid-Afrika de wil om te werken aan betere professionalisering van leraars beroepsonderwijs. Ze starten een diploma voor lectoren in hun beroepsscholen op. Geen garantie op succes, maar toch een positief signaal: “Leerlingen in het beroepsonderwijs zijn belangrijk genoeg om goede leraars te hebben”. P1010590
Beroepsonderwijs sleept verder zijn negatief imago mee. Werken “met de handen” staat lager aangeschreven dan “werken met het hoofd”. Volgens de directeur willen jongeren liever dokter of advocaat worden. Veel aanzien en poen. Nochtans is er nood aan vakmensen en ondernemers. “Met dokters en advocaten kan je de straat beleggen, ze komen niet aan de bak”, grijnst de directeur. Maar anderzijds is er maar weinig arbeidsmarkt dat wacht op gekwalificeerde werklui. De economie is informele plantrekkerij: kleine prullen verkopen. Daarvoor heb je geen diploma nodig. Op mijn vraag wat er van de leerlingen wordt is hij schrikbarend anekdotisch: “Ach, er zijn hier twee leraars die leerlingen waren”. Hij pijnigt zijn hersencellen: ja, hij kent een ex-leerling die een bouwbedrijf uit de grond stampte en nu rond rijdt in zijn blinkende zwarte Mercedes. Maar dat blijkt een drop out te zijn uit de school. Probleem is dat er geen industrie is. De economie moet van onder uit opgebouwd te worden. Innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen die kunnen zorgen voor arbeidsplaatsen en inkomensverwerving. De huidige ondernemingen zijn in handen van Chinezen, Pakistanen, Somaliërs, Nigerianen en Ethiopiërs. “Ze starten winkels op en sturen het geld naar het eigen land. Ze dragen niks bij aan de lokale economie”, zucht de directeur. “Chinezen worden door de Chinese staat gesubsidieerd om in Zuid-Afrika te wonen. Nigerianen palmen huizen in van Zuid-Afrikanen, zoals van een vrouwtje die een kruidenierszaak open hield”. Een blanke directeur en zijn zwarte leraars vinden elkaar in hun afkeuren tegenover Chinezen en andere Afrikanen. Tegelijkertijd vindt hij dat de Zuid-Afrikanen van de Chinezen “ondernemerschap” kunnen leren. Zuid-Afrikanen moeten wat meer Chinees worden, knipoog, gelach in het lokaal.

%d bloggers liken dit: