Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Posts from the “Reisbestemmingen” Category

Lake Manyara Nationaal Park: het koninkrijk van de tseetsee vlieg

Posted on februari 4, 2016

Reisbrochures springen gretig op de quote van Ernest Hemingway om het Lake Manyara Nationaal park te omschrijven: “The loveliest I had seen in Africa”. De filosofie van het park luidt: “Voeding voor de ziel, troost voor het hart, inspiratie voor de geest”. Touroperators beloven meer dan 400 vogelsoorten, boombeklimmende leeuwen, unieke vergezichten en een microkosmos van alle leven op de savanne. Met dat plaatje voor ogen verschijn ik met jeep, ijdele chauffeur in bloemetjeshemd en een koppel vijftigers voor de ingang van het park.

 

Rangers spuiten de jeep tjokvol met liters stinkende insecticide. Dat wijst erop dat we niet persé alle elementen van die microkosmos willen tegenkomen. We hobbelen over de onverharde weg. Boombeklimmende leeuwen vinden we niet direct, maar wel tseetsee vliegen, nijver op zoek naar een voorraadje bloed. Een aantal van die creaturen zweeft – ondanks de walm insecticide – de jeep in. De vrouw van het koppel vijftigers in de jeep zegt met paniekerige stem: “ze brengen slaapziekte over”. Tja, op de savanne heeft alles zijn voor- en nadelen. Als je het bekijkt vanuit het standpunt van de natuur heeft een tseetseevlieg met slaapziekte ook een functie, net zoals malariamuggen. Ze houden homo sapiens uit de buurt, en alle vervelende bijwerkingen van de aanwezigheid van die naakte aap, als daar zijn: houden van koeien, schapen en geiten, kappen van bossen, platbranden van de savanne… De vrouw mept wild in het rond. Haar elleboog belandt zo per ongeluk tegen het linkerkaakbeen van haar echtgenoot. De hitte en de vochtigheid persen water uit ons lichaam. Kledij zuigt zich aan ons vol.

Lake_Manyara_north

cc Fanny Schertzer. Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5.

Maar zweetdruppels worden zweetbeken wanneer een kudde olifanten onze jeep omsingelt. Een aantal van die loggerds staat over de weg jonge boompjes te knakken en in hun waffel te zwieren, en dikke klonters stront te lozen. Eten, schijten en 200 liter water slurpen. Dan heb je de voornaamste dagbezigheden van een olifant gezien. De olifant is na de mens het dier met de grootste impact op de natuuromgeving. Maar ze vernietigen niet alleen maar. Bomen die neergehaald zijn, bieden weer eten voor andere planteneters. Zaden en noten glijden meestal intact van mond uit anus, zodat bavianen uit de stronthopen van olifanten hun maaltijdje uitpikken. Mestkevers rollen er ballen van waarin eitjes worden gelegd. Door het veelvuldige gereis met die ballen zien planten en bomen de kans om hun zaden verder te verspreiden. Ik keek heel diep in het linkeroog van een olifant. Onze gids houdt zijn wijsvinger voor de mond. Een ogenblik stilte is een moeilijke combinatie met de vrouw en de tseetseevliegen in de jeep. In de man zijn ogen lees ik de vraag waarom hij een smak geld van zijn bankrekening heeft gehaald voor deze safari. Je verheugt jezelf op de safari van jouw leven, en eindigt met gevechten tegen tseetseevliegen, een echtelijke ruzie in een hammam zonder koelbad, onderbroken door de schrik van jouw leven wanneer je in de pupillen kijkt van een knorrige olifant.

 

Naast olifanten en tseetseevliegen is er nog veel anders boeiends te vinden in Lake Manyara Nationaal Park. Bavianen bijvoorbeeld. Die vind ik leuk om te “spotten”, net als mensen, omwille van hun complexe sociale interacties. Bavianen zijn zoals homo sapiens aangewezen op elkaar om te overleven in de savanne. Het alfamannetje tuurt alle richtingen uit. Hij is de patron van een dominante elite aan (jongere) mannetjes binnen de groep, die her en der verspreid zitten in de machtige baobab en vooral op de grond errond. Ik dacht dat apen vooral in bomen zaten, maar bavianen verblijven meer op de grond. Wijfjes zitten met het nageslacht in de armen, andere pikken ongedierte uit de pels van collega’s, een strategie om vriendjes te maken. Nog andere spelen fruit en zaden naar binnen. Een mannetje presenteert zijn messcherpe voortanden. Mannelijke familieleden die op volwassen leeftijd komen worden uit de groep gestoten, en leven als vrijgezellen bij elkaar tot ze de kans zien om hun eigen oligarchie op te zetten. De wereldberoemende bioloog Desmond Morris ziet in die oligarchie een effectief beschermingsmechanisme tegen roofdieren en rivaliserende mannetjes (D. Morris, Waarom hebben zebra’s strepen?).

662px-Impalas_Manyara

cc Fanny Schertzer. Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5.

Onze gids pulkt in zijn neus en kijkt voor zich uit. Hij is een “gids” zoals je die wel meer tegenkomt, veel meer chauffeur dan gids. Voor enige informatie over wat je ziet, ben je aan het verkeerde adres. Veel gidsen komen niet verder dan het beschrijven wat een kleuter al weet nadat het de Lion King gezien heeft. Toeristen vragen daar ook niet naar. Het enige waarvoor “homo safaricus” in de savanne neerstrijkt is de “big five”, met koning leeuw bovenaan de “bucket list”. In het struikgewas staat een gracieuze impala in onze richting te turen. De gids bestudeert nu de inhoud van zijn neus. Hij werpt af en toe een verstrooide blik op de bomen, op zoek naar wat homo safaricus wil zien: boomklimmende leeuwen en luipaarden. Toeristen liggen niet wakker van antilopen. Thuis is er weinig over op te scheppen. De natuur heeft de impala een mooi verflaagje gegeven. Een verticale zwarte streep loopt van de staart tot over het achterste, en het topje van hun oren en de neus is zwart. Zijn onderbuik is snoezig wit en de rug rood-bruin. In tegenstelling tot die slappe schotelvodden van leeuwen – zeker gemaande koning leeuw zelf – zijn impala’s de kwieke snelheidsduivels van de savanne. Voor 80 kilometer per uur draaien ze hun poot niet om. Die snelheid is een evolutionaire aanpassing die antilopen ondergingen toen het tropisch woud in Oost-Afrika afnam ten voordele van grasland. Door hun snelheid konden ze in open grasland uit de grijpgrage klauwen blijven van vleeseters.

 

Lake Manyara Park is ook het park van de giraf. We zien tientallen giraffen in een landschap met door een recente orkaan geknakte bomen en een sodameer met flamingo’s. Twee giraffen slaan met hun nek tegen elkaar. Zeggen ze even sympathiek goeiedag? Een familie wrattenzwijnen trippelt voorbij. Hier leer ik dan toch iets van de gids. Necking is een gevecht om vrouwtjes. Dat is niet onschuldig: nekwervels en onderkaken sneuvelen. De gids rijdt intussen wat nerveuzer in het rond, tevergeefs. We rijden bijna een Kirk’s Dik Dik plat. Een erg snoezig antiloopje, het kleinste van de savanne. Het koppel vijftigers begint ontmoedigd te geraken. De zon zakt. De kleuren worden warmer. De terugtocht wordt ingezet. “Niks gezien”, zucht de vrouw. Lees: geen leeuwen of luipaarden, of minstens iets anders met scherpe tanden en vlees op het menu. Ook de gids kijkt sip. Minder kans op fooi straks. En ik denk: we zagen honderd bavianen in actie, twee giraffen vechten om een wijfje, een groep impala’s dartelen, keken olifanten diep in de pupillen en een gevecht tussen homo sapiens en nijdige tseevliegen met een meer en flamingo’s op de achtergrond. Moet het nog meer zijn?

Een technische school in Santo Domingo de las Tsachilas

Posted on september 13, 2015

Evelien daalt met vaste hand de weg van Quito af, eerst over brede wegen met zicht op Ecuadors vulkanen, dan door een nevelwoud en tenslotte door de provincie Santo Domingo de la Tsáchilas, niet ver van de kust. Onze bestemming voor vandaag is een technische school. Rode harten van motels lichten op tussen bananenplantages. President Rafaël Correa lacht zijn tanden bloot op grote panelen, in het gezelschap van Valeria, het plaatselijke politieke vriendinnetje van Ecuadors machtige nummer 1. Onder één van de panelen draait een onfortuinlijk varken met glazige ogen aan het spit.

 

De technische school schuilt net als de motels tussen monocultuur bananenplantages. De directeur loodst ons zijn bureautje binnen. Het is een kleine technische school zonder enige franje. De bel rinkelt. Jongeren verdringen zich rond een pingpongtafel in open lucht. Anderen zitten, kijken voor zich uit, bijten op hun nagels, giechelen, peuteren in hun neus. Weinig kans dat hun motivatiepeil in dit oord hoge toppen scheert of zal scheren. Handel en boekhouding (“commercia y administracion”) zijn hun lot, iets anders is er niet in de aanbieding. Een blik op een studie die mijn VVOB-collega’s in Ecuador lieten uitvoeren leert dat zoiets niet abnormaal is: 67% van alle leerlingen loopt school in slechts 4 richtingen, waarvan drie kantoorgericht, zoals op deze school. En op Evelien’s vraag of ze niet naar een verder gelegen school kunnen gaan, antwoordt de plezantste van de klas: “Hoe dan wel? Met de ezel?” (“con burro”). Schoolvervoer is afwezig, en kleinschalige familieboeren of arbeiders op bananenplantages tuffen zelden met auto’s rond.

 

P1010968P1010970

 

In jargon heet het dan “dat onderwijs niet is afgestemd op de arbeidsmarkt”. Santo Domingo de las Tsáchilas is een kustprovincie, een geliefkoosde tijdelijke habitat voor de homo turisticus. En veel homo turisticus betekent meer kans op werk en inkomen. Daarnaast is Santo Domingo de las Tsáchilas ook de thuis van een grote zeehaven en één van de grootste olieraffinaderijen van Ecuador. En er is uiteraard landbouwproductie. Maar die laatste levert vooral primaire grondstoffen af, terwijl Ecuador meer afgewerkte producten wil gaan exporteren. Toerisme, logistieke havenactiviteiten, petroleum, landbouwproductie. Het economisch potentieel is er, nu ook nog even technisch geschoolde mensen en ondernemers aan de slag krijgen. En knelt daar dan dat stomme schoentje. Want hier studeren tussen de bananenplantages, motels en aan het spit draaiende varkens jaarlijks tientallen kantoorbedienden af die zich naar eigen zeggen met ezels moeten verplaatsen.

 

Toch zijn er contacten met bedrijven. De leerlingen lopen er stages, althans de directeur. Op de vraag hoeveel hoort de wat bedeesde man het in Keulen donderen. Niks beters om het vertrouwen te winnen van een werkgever, dan door een tijdje in haar of zijn bedrijf meegedraaid te hebben. Maar nogmaals: ieder jaar tussen een paar duizend bananenplanten een paar dozijnen kantoorbedienden loslaten, wat levert dat in ’s hemelsnaam op? Zeker als je al weet dan ook de meeste andere scholen opleiden tot kantoorjobs? Daar waar een stage een smeermiddel is op weg naar echt werk, is het hier vaak bezigheidstherapie. De directeur geeft schoorvoetend toe: ze kunnen stage volgen, maar daarna is er geen werk.

 

Kan de school geen diverser aanbod organiseren, al dan niet in overleg met andere technische scholen? Wat houdt onze minzame directeur eigenlijk tegen? Hij wil wel, pruttelt hij tegen, maar het kan niet, “dolares” weet je wel. “Het ministerie”. Richtingen die leiden tot kantoorjobs vragen minder investeringen vergeleken met “hardere” technische en beroepsopleidingen. Je koopt een stuk of wat tweedehandscomputers, boort een aantal stopcontacten in de muur en betaalt een internetverbinding indien mogelijk. Klaar is kees en de portemonnee zal er zeker geen magerzucht aan overhouden. Automechanica of de bouw, om maar iets te noemen, zijn al andere koek. Een praktijklokaal is een minimumvereiste, met de nodige uitrusting, zoals machinerie en grondstoffen om mee te werken. In een technische school in Suriname zag ik ooit hoe 20 leerlingen bouw hun plan trokken met 50 bakstenen en een emmertje mortel om een muur te metselen. Drie leerlingen kletsten kwakken mortel tussen de stenen, terwijl de 17 anderen de meisjes uit het naburige naaiatelier het hof maakten. Of de automechanica, waar men het “vak” leerde op een audi 50 die 40 jaar geleden van de band is gerold. De vakleerkracht verzekerde mij dat hij die persoonlijk van een oudijzer stort naar de school had gesleept. Een wrak uit het zwartste steenkooltijdperk, toen begrippen als energiezuinigheid, duurzame planeet en smeltende ijskappen nog uit de koker van wetenschappers moesten vallen.

 

Maar een onaangepast onderwijsaanbod, infrastructuur en uitrusting zijn niet de enige problemen. Voortstuderen in hoger onderwijs zit ingebakken in harten en geesten van ouders, leerlingen en de overheid. We vragen in één van de klassen “commercio” wie naar de universiteit wil trekken. Een paar leerlingen overwinnen hun schroom en punten hun wijsvinger richting plafond, een fractie van een seconde later kijken we op een bos aan wijsvingers. Onnodig te tellen, het is iedereen. En wie wil er na zijn studie handel en administratie verder gaan in handel en administratie? Het bos is nu aan een kaalslag onderhevig. En van waar hun motivatie dan voor handel en administratie, vraagt Evelien? “Er is niks anders te studeren”, luidt het laconieke antwoord van schokschouderende tieners. Die arme ziel van een leraar zakt door de grond, en hij stond al wat weggestoken in zijn hoekje. De directeur blijft in zijn rol, glimlachend. Andere klas, zelfde vragen, zelfde antwoorden. “The only way is up” en “up” staat gelijk aan universiteit. “Droooomen zijn bedrog”, zingt Borsato in mijn bovenkamer. Als ze al niet naar een naburige secundaire school geraken, hoe zouden ze dat al doen voor een universiteit, waar ze bovendien al niet op voorbereid zijn? Als ik aan de directeur vraag waar zijn leerlingen terechtkomen zegt hij: in het familiebedrijfje, bij papa en mama aldus. De kantoorbediende mag de rest van zijn leven de grond omspitten of de werkloosheidsstatistieken de hoogte injagen. Geen wonder dat leerlingen ook al eens naar de grote stad lonken.

 

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

 

Maar zaniken alleen lost het probleem nog niet op natuurlijk. Zouden de ambtenaren van het ministerie niet wat meer een uitnodigingsbrief in de bus van de bedrijfswereld droppen? Een uitnodiging om een koffie te drinken en de hersenen samen te verhitten rond de vragen: welke zijn de economische kansen in het land waar Charles Darwin tot zijn evolutietheorie is gekomen? Welke beroepen zijn (zullen) van belang (worden)? Hoe kan onderwijs leerlingen opleiden tot die beroepen? Welke curricula zijn nodig? En hoe kunnen we bedrijven, scholen en hoger onderwijsinstellingen aansporen om samen het technisch onderwijs te verbeteren?

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

Mijn sympathieke collega’s van VVOB in Ecuador ondersteunen verschillende projecten in die richting. Curricula worden met onze steun door het ministerie van onderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven gemaakt. Maar we dalen ook uit de hoge toren van het ministerie af in de provincies, om samenwerking te stimuleren tussen ministerie, scholen en bedrijven. Leerkrachten uit het technisch landbouwonderwijs verruimen bijvoorbeeld hun horizonten in het landbouwbedrijf Tecnoban. Dit is een bedrijf dat zich bezighoudt met het kweken en oogsten van organische bananen, in de provincie van Santo Domingo de las Tsáchilas overigens. Zo leren de leerkrachten succesvolle technieken om ziektes en pest van de gewassen te voorkomen, wat zij dan weer overbrengen op de jongelui die zich al dan niet enthousiast in de cacao zullen storten. Zo leren die leraars en dus hun leerlingen nog eens iets praktisch, want theorie hangt deze jongeren al snel de keel uit. In een ander project leren leerkrachten en leerlingen van de lasopleiding hoe ze aan TIG-MIG-MAG lassen doen, en ze kunnen daarbij de moderne apparatuur gebruiken van het bedrijf Indura. Geen flauw idee wat dat TIG-MIG-MAG lassen mag betekenen, maar het mag duidelijk zijn dat de school zoiets op eigen houtje niet kan inrichten. Zo komen we tot een win-win. Leerkrachten en leerlingen winnen want ze breken uit hun comfortzone en leren de nieuwste technieken, en kunnen daarvoor met moderne apparatuur aan de slag. De bedrijven winnen, want zij krijgen op termijn mensen die opgeleid zijn volgens hun wensen. Het ministerie wint: leuk voor die ambtenaren en politiekers om op TV en in de gazet mee uit te pakken. VVOB wint: we voelen ons goed en nuttig.

P1010966

Wie wil graag verder studeren in administratie en handel? Niemand…

Mijn Congolees huwelijk deel 3: het avondfeest

Posted on augustus 20, 2015

De setting is perfect: in open lucht, met mooi gedecoreerde tafels in roze en wit. Palmbomen geven een exotisch gevoel. Vanop de dansvloer kijken we uit op de heuvels van Kin. Een toplocatie. Naar links ligt het huisje met onze “bruidskamer”, inbegrepen in de prijs van de locatie. De bruidskamer, tja, die bleek zonder stromend water te zitten. Bovendien sloot de conciërge ons daar (gewild of ongewild?) op, zonder sleutel, samen met een legertje kakkerlakken.

 

De locatie is perfect!

De locatie is perfect!

 

Maar terug naar het begin. Een avondfeest is bijzonder in Congo, in verschillende opzichten verschillend van wat ik in België gewoon ben. Ten eerste nodigt iedereen zichzelf uit op de trouw. Familieleden van het zevende knoopsgat die Mira “oncle, oncle, oncle” (nonkel van nonkel van nonkel) noemt, of de mensen uit de buurt, ook al kennen die de bruid of bruidegom van haar noch pluimen. Gezien een genodigdenlijst nog steeds tot oneindige discussies leiden, is de oplossing in afschrikking en repressie te vinden. Je plukt een stel politieagenten van de straat met een pistool uit de tijd van Stanley aan de nek en stopt ze 15 dollar toe. Peanuts voor ons, maar zij steken toch maar mooi een kwart van hun maandloon op één avond in hun zakken. Daarvoor willen ze zich wel even een avond heruitvinden als privébewakers.

 

Ten tweede is het huwelijksprotocol tamelijk soepel. We komen vier uur te laat op het feest aan. Even daarvoor viel het licht nog uit in de buurt, waardoor Mira en zus Vicky hun fijne en precieze schminkwerk met behulp van het licht van hun GSM moesten doen. Om 23:00 ’s avonds stappen we de auto uit. We schrijden als een prinsenpaar voort, gevolgd door een wanordelijke stoet joelende vrouwen. Dansen moeten we, direct. De verkoopster van mijn geiten (zie: mariage coutumier), met een indrukwekkend hoofddeksel, trekt ons in elkaars armen. We draaien wat toertjes, het enthousiasme van de vrouwen stijgt naar zenit. We zijn nog niet gaan zitten of Mira’s broer schudt al een aantal rare, maar originele moves uit zijn benen. Een orkestje tovert melodietjes uit de Kasai de avond in. Mira en haar familie zijn van oorsprong van de provincie Kasai. Danseresjes in strooien rokjes drijven de temperatuur op, voor zover dat in Congo nodig is. Want aan de tafels geven sommige mensen al flink van katoen. Al gauw staat er een menigte op de dansvloer. Mira, ik en mijn ma worden de dansvloer opgesleurd. Een rare snuiter met een luipaardenvel en horens op zijn hoofd, de ceremoniemeester naar Kasaiaanse traditie, danst voor mij en Mira. De zanger bromt intussen: “Jan-Mira, Jan-Mira, Jan-Mira”. Volgens de traditie moeten we de man wat Congolese franken op zijn voorhoofd plakken. En vergeet intussen de speeches maar, geen blabla maar boemboem. Het is een hels karwei om de wildste exemplaren weer van de dansvloer te halen voor onze openingsdans. We kiezen voor de bachataversie van Stand By Me, een nogal rustig liedje vergeleken met de uitbundige Ndombolo. Applaus volgt en de DJ steekt weer van wal. Enkel het buffet en een reuzentaart krijgen de Congolezen tijdelijk van de dansvloer.

 

De blijde intrede

De blijde intrede

Danseressen in strooien rokjes dansen op de deuntjes van de Kasai

Danseressen in strooien rokjes dansen op de deuntjes van de Kasai

Gekostumeerde heren schudden dansjes uit de benen

Gekostumeerde heren schudden dansjes uit de benen

Openingsdans: Stand by Me, bachataversie van Prince Royce

Openingsdans: Stand by Me, bachataversie van Prince Royce

Oeps. Geen licht plots, dus schminken met behulp van het licht van de GSM

Oeps. Geen licht plots, dus schminken met behulp van het licht van de GSM

Buffet

Buffet

IMG_0416
De ceremoniemeester volgens Kasaiaanse traditie

De ceremoniemeester volgens Kasaiaanse traditie

 

Ten derde is ook de overhandiging van de trouwcadeaus een aparte belevenis, vergeleken met die van onze contreien. Genodigden komen naar voren, kussen de bruid en geven mij drie kopstoten, een geplogenheid onder Congolese mannen. Dan geven ze hun cadeaus, wat vaak een spectaculair schouwspel is. Bij een eerder huwelijk van Mira’s neef sleurden mensen hele inboedels mee richting het bruidspaar: een televisie, een volledige slaapkamer (met kussens en matrassen op hun hoofd), staande lampen, muurdecoratie en zelfs de lege dozen van al die spullen… Gezien onze toekomst ligt in het Belgenlandje, vroegen we om decoratie en meubilair zo te laten. Een bed of meubilair is nu eenmaal moeilijk om op het vliegtuig te zetten. De kwaliteit van de cadeaus is erg verschillend: een mooi gepersonaliseerd schilderij van mij en mijn nieuwe familie in Kinshasa, maar evengoed een zichtbaar gebruikte koffiekop uit de eigen keukenkast of een enveloppe met ocharme 5 dollar. Ook al iets wat “not done” is bij ons. De laatste kussen zijn nog niet uitgedeeld en de cadeaus niet van het podium, of de eerste billen draaien alweer rond. Ook mijn mooie stiefdochtertje van vier geeft volle gas in haar mooie witte kleedje, heupwiegend en in het ritme alsof ze al sweet sixteen is. We zijn alweer een ervaring rijker in dit leven.

Mijn Congolees huwelijk deel 2: de burgerlijke ceremonie

Posted on augustus 6, 2015

Didier heet de ambtenaar die onze huwelijksadministratie in goede banen moet leiden. Hij zit in zijn kleine hokje met vijf andere ambtenaren. Gaten zitten in het plafond boven Didier. Ik krijg een stoel toegeschoven waarvan de poten los zitten en de rugleuning verdwenen is. Didier is een sympathieke kerel met engelengeduld. Met veel zorg stelt hij ons “projet de mariage” op, de basis van de huwelijksakte. De Belgische ambassade zegt mij een dag later dat de projet de mariage niet volgens de gebruikelijke regels is opgesteld. Mijn volledige naam – incluis alle voornamen – moet vermeld worden. En de eerste letter is een hoofdletter, de rest kleine. De volgende morgen staan we weer bij Didier. Hij herbegint, hij schudt het hoofd en zegt: “pas facile les Belges”, hij lacht, ik lach. Hij schrijft duidelijk, maar in een tempo waar alleen een slak zich goed bij voelt. Halverwege schrijft hij een fout. Hij gaat tipex zoeken op de centrale dienst van de gemeente. In de bureaus is er geen bureaumateriaal omdat het gestolen wordt. Na een kwartier komt hij met het witte potje terug, en verdwijnt daarna nog eens een kwartier om het terug te brengen.

 

Ik krijg ook letterlijk onder de tafel een briefje toegestopt. Ik zie bovenaan “facture” staan. Die blijkt van de burgemeester: een fles whiskey, cola en twee plastieken stoelen “voor de gemeente”. Zo geraakt een gemeente zonder inkomsten aan zijn meubilair in Congo. Daarna volgt een discussie over de prijs voor de ceremonie. Er is de keuze tussen een individueel huwelijk en een collectief. Collectief is veel goedkoper. De burgemeester zegent dan tien koppels tegelijk in. Wij kiezen voor een romantischer individueel huwelijk. Daarna blijkt een individueel huwelijk tussen verschillende nationaliteiten weer duurder dan een “zuiver” Congolees huwelijk. Didier krijgt de toorn van Mira over zich heen en na een halfuurtje over-en-weer gediscussieer zakt de prijs. Congo: het land van de eeuwige onderhandeling.

 

De dag van de ceremonie begeleidt een goed geluimde Didier ons naar een bureautje voor de registratie. Een minder goed geluimd ambtenaar start de discussie op over de factuur voor de burgemeester. Kwartiertje bakkeleien alweer. Ik geef uiteindelijk 20 dollar en één plastiekstoel. We registreren ons. Daarna verplaatsen we ons naar de wachtzaal. Twee vrouwen – de “dienst protocol” – zitten aan een tafeltje. Ook deze dames willen uiteraard hun graantje meepikken. Een laakbare en (voor een Belg als ik) vermoeiende gewoonte maar niet onbegrijpelijk. De mensen worden nauwelijks of niet betaald en moeten ook overleven, incluis hun familie en kinderen. In de zaal zelf wachten we een uurtje omdat de burgemeester aan het lunchen is. Intussen is de oudste broer van Mira in een hoogoplopende discussie verzeild met Didier over de fles whiskey voor de burgemeester. Grappig, vooral als ik zelf niet in de arena sta.

 

In gesprek met Didier

In gesprek met Didier

DSC_4733

 

De burgemeester – in grijs pak met het lint rond de schouder – komt binnen. Iedereen staat recht en we zingen het Congolese volkslied: « Debout Congolais, Unis par le sort, Unis dans l’effort pour l’indépendance, Dressons nos fronts, longtemps courbés Et pour de bon prenons le plus bel élan, dans la paix, O peuple ardent, par le labeur, nous bâtirons un pays plus beau qu’avant, dans la paix.”.

 

Een mooi volkslied, veel mooier, muzikaler en zachter dan de Vlaamse Leeuw of de Brabançonne. De burgemeester knipoogt in mijn richting. Een sympathieke gozer, stel ik met enige opluchting vast. Hij declameert hele paragrafen wetteksten uit zijn hoofd. Hoed af. Maar trop is teveel. Op een bepaald moment vallen mijn oogleden haast dicht, tot het moment hij in mijn ogen kijkt. Hij maant mij half streng half geamuseerd aan niet meer naar andere vrouwen te kijken (“monsieur Jan, vous n’avez plus le droit de regarder une autre femme”) en om mijn rol als gezinshoofd (“père de famille”) op te nemen. Mira van haar kant mag haar oog niet langer laten vallen op andere mannen. En ze is aan haar echtgenoot “eeuwige gehoorzaamheid” verschuldigd. Bij “eeuwige gehoorzaamheid” kijk ik licht geamuseerd vanuit mijn ooghoeken naar Mira. Ze blijft onbewogen, haar blinkende zwarte kijkers gericht op mijnheer de burgervader. “Kinderen baren” is haar laatste echtelijke plicht. Mijn mama vindt de burgemeester streng, of althans strenger “dan bij ons”.

 

Ik houd de gouden ringen in mijn licht bibberende handen. De burgemeester nodigt ons uit voor hem te komen staan en elkaars handen vast te houden. We spreken het magische ja woord uit en schuiven de ringen over elkaars vingers. Ik kus Mira’s volle en prachtige lippen. We omhelzen elkaar onder het portret van de wat stijve Joseph Kabila. Papieren zakdoekjes wapperen, mijn lippen blijken zo rood als die van mijn kersverse vouw. Ik glimlach, krijg een speciaal gevoel van binnen. 41 en dan toch nog getrouwd, ik ben een gelukkig man. We verlaten het pand onder scherp gefluit, luid getoeter, kledders schuim, wolken gouden glittertjes en gejoel. De dienst protocol loodst ons toch nog met een slinks maneuver een bureautje in. Daar zit de burgemeester achter zijn bureau. Of we niks te drinken hebben voor hem? Een fles whiskey bijvoorbeeld? Ik kijk hulpeloos naar mijn vrouw. Mira onderhandelt, hij stelt zich tevreden met een limonade. We nemen afscheid, een belevenis rijker.

 

Allen rond de burgemeester

Allen rond de burgemeester

Tekenen van de huwelijksakte

Tekenen van de huwelijksakte

De kus

De kus

 

We gaan nog op de foto met familie en getuigen voor het fel gekleurde oud-koloniale gemeentehuis van Ngaliema. De bruidsfoto’s nemen we recht tegenover de kazerne van het Congolees leger. Ngaliema is de thuisbasis van het ministerie van landsverdediging en het leger. Mobutu en Kabila “le père” verbleven hier in hun paleis. Ngaliema heeft een geschiedenis van plunderingen en vechten. Vandaag niets van dat alles. Maar de soldaten zijn er wel, soldaten met wapens versus twee geliefden met gouden ringen. Symbool van geweld versus symbool van liefde. Ik word lyrisch.

 

DSC_4813
Familiekiekje

Familiekiekje

DSC_4817 DSC_4819
Met zus Vicky

Met zus Vicky

Met dochtertje Choupette

Met dochtertje Choupette

DSC_4832

Mijn Congolees huwelijk deel 1: mariage coutumier

Posted on juli 30, 2015

In Congo is de eerste stap in het huwelijksproces de “mariage coutumier”, het “gewoontehuwelijk”. Dat is een eeuwenoud en nog steeds populair gebruik in landen ten Zuiden van de Sahara. Een mariage coutumier is een ontmoeting van de families van bruid en bruidegom. De familie van de toekomstige bruidegom vraagt de hand aan de familie van de bruid en overhandigt daarvoor een bruidschat. Hoewel er misbruiken zijn (mensen die er een commerciële transactie van maken en hoge bedragen vragen), gaat het doorgaans om een symbolisch moment waarop de families elkaar beter leren kennen. Wij in België kennen zo’n moment niet. Meestal komen we met ons lief thuis: “voilà, ma of pa, mijn nieuw lief”. Laat staan dat ons ma en pa en een bruidschat gaan betalen. En de band tussen de schoonfamilies is bij ons doorgaans nogal los.

 

De familie van Mira ziet het ritueel ook als een ontmoeting van de twee families. De bruidschat is eerder symbolisch. Een paar weken voor de trouw ontvang ik “de factuur”: twee geiten, een machette, een zak zout, een kookpot, een kostuum, een pagne, 20 liter Congolees bier en 20 liter Congolese wijn, en een enveloppe van een paar honderden dollars. Als de bruid er op eigen initiatief van door gaat, krijg ik dat allemaal terug. Een week voor de mariage coutumier zit ik in de auto met de gigantische kookpot op mijn schoot, waardoor het voor de Congolezen duidelijk is dat ik ga trouwen. “Beauf, beauf” (beau frère, schoonzoon), hoor ik ettelijke malen. Duimen gaan omhoog, tanden worden bloot gelachen. Ik ben nu één van hen.

2015-06-20 11.22.52

Met één van mijn geiten

IMG_0153

Jean en Mira onderhandelen over mijn kookpot

De avond zelf hotsen we met onze karavaan over niet-geasfalteerde en met diepe putten bezaaide wegen van Kinshasa. Ik met mijn ma en onze betrouwbare chauffeur Jean in de eerste jeep. Achter mij waggelt de jeep met mijn wijze zegsman Robert, gevolgd door een aftands wrak van een bus met mijn bruidsschat waaronder de twee geiten. Robert is een Congolese collega van mij die mijn familie vertegenwoordigt. Hij brengt twee vrienden mee die van dezelfde stam zijn als die van Mira. Een voordeel, want zijn kennen heel goed de gebruiken van de stam. Mijn rol is makkelijk: zwijgen. Mijn familie praat voor mij. Naar goede Congolese gewoonte zijn we een paar uur te laat, en vlak voor we arriveren valt de elektriciteit uit. Na een uurtje is dat gefikst en stap ik uit. Een paar tientallen joelende vrouwen staan in het deurgat en komen op me af. Ze gooien kleurrijke pagnes aan mijn voeten, ten teken dat ik welkom ben. Vrouwen dansen, roepen in het Lingala, ik begrijp niks maar ben onder de indruk.

 

Binnen verwelkomt de oudste broer van Mira ons, met aan zijn zijde de grootmoeder en de oudste zus. De broer valt met de deur in huis en vraagt met uitgestreken gezicht wat we in zijn huis komen doen. Robert legt eerst een bedankingsverklaring af en stelt dat hij voor mij de hand komt vragen van de dochter des huizes. Prompt paraderen een aantal schoonheden uit de familie aan mij voorbij. Daar ben ik al op voorbereid. Ik weiger ze één voor één, volgens de coutume. Mira is een ander paar mouwen, die woont zogezegd nog in de geboortestreek van de familie, Kasaï-Oriental. “We moeten haar met het vliegtuig gaan halen”. Dus een vliegticket is aangewezen, 1000 dollar. Of ik dat even op tafel kan leggen? Een bilateraal gesprek tussen Robert en de familie drukt de prijs naar 100 dollar. Ik geef uiteindelijk 25 dollar, het is een spel. Een tante van Mira steekt de 25 dollar in de lucht. Joelende vrouwen gaan op zoek naar de bruid in “Kasaï” en komen een minuut later met haar het huis binnen. We staan beiden licht gestresseerd te kijken. We overlopen nu de factuur. Even slaat mijn hart over wanneer de das wat te diep in een mouw zit en niet direct teruggevonden wordt. Als er iets ontbreekt op de factuur, kunnen de onderhandelingen namelijk van vooraf aan beginnen. Maar mijn aankopen zijn compleet. Mira geeft mij te drinken, ik geef haar te drinken. Een omhelzing, een kus, de zegen van broer, applaus, gejoel, en klaar is kees. We eten. Tantes, nichten en zussen hebben een buffet bij elkaar gekookt voor de families: makemba (bakbananen), pundu (maniok), complete vis, kip, fufu (maisbrij) en jawel, frieten. We zeggen iedereen gedag. Daarna rijden we de donkere nacht in. De dag erna wordt een zware dag.

DSC_4602

Grootmoeder van de familie rechts

Oudste broer als voorzitter van de vergadering geflankeerd door grootmoeder

Oudste broer als voorzitter van de vergadering geflankeerd door grootmoeder

IMG_0248

Congolees buffet!

IMG_0197

Mijn bruid en huidige vrouw Mira

DSC_4644

Overhandiging van de wijn als deel van de bruidschat

IMG_0178

Onderhandeling over het “vliegtuigticket”

IMG_0224 (2)

Hoe gaat het nog met jullie, Syrische vrienden?

Posted on mei 28, 2015

Het gezin op de citadel van Qala’at Mudiq


Het was Paasweekend in 1999. We reden achterop een brommertje het Qala’at Mudiq op. Een vriendelijke man nodigde ons een uurtje eerder in de Romeinse site van Apamea uit voor een etentje in zijn tuin, samen met zijn vrouw en kindjes en enkele kameraden. Syrische gastvrijheid. We passeerden de 13de eeuwse fortmuren van de Mamelukken, de beruchte Turkse soldaat slaven die de Mongolen overwonnen. Ezels, schapen en geiten fourageerden in de nauwe straatjes met ruwe kasseien. De zichten over de Orontes vallei snijden de adem af. Het was een mooi gezin. Ze toonden affectie, er waren aanrakingen, een arm om de schouder. Traditionele Syrische kost stond voor onze voeten: falafels, kekererwtenpasta, komkommer en tomaten, geitenkaas, groene olijven en plat brood. We aten met de familie uit één bord. Daarna zakten we in de kussens. Een glaasje muntthee, en gebakjes die de suikerspiegel het heelal indrijven. Het voelde wat ongemakkelijk, deze gastvrijheid. Ik vroeg me af of we niet plots geld moesten gaan ophoesten. Dat bleek volslagen onterecht. Nu is het 2015. Wie in Google “Qala’at Mudiq” in typt ziet filmpjes met explosies op en rond de citadel. Afbeeldingen van een dood kind. Jammerende ouders. Hoe is het met dit gezin, met de twee schattige kindjes? Staat hun huis er nog? Ik kijk naar de foto’s en ik denk aan deze mensen in het diepst van mijn gedachten.

img010 img009

 

De oude man van Hama


“De noria’s van Hama kleurden rood van bloed”, zei je. Je droeg een grijze jas, een muts op het hoofd, sjaaltje om de hals. Ik ontmoette jou in een cafeetje, mijn waarde vriend-voor-één-avond. Munttheetjes stonden op een plastieken tafeltje met een rood tafelkleedje. Spreken gebeurde op gedempte toon, af en toe onderbroken door het geklingel van het lepeltje in de theeglaasjes. Suiker danste rond en maakte de thee troebel, in tegenstelling tot jouw ogen die kwiek voor zich uit keken. Je vertelde over tanks die huizen aan flarden schoten, vliegtuigen die bommentapijten braakten, bulldozers die een stad tot een lege steenwoestijn transformeerden. 25.000 doden. Eén van jouw eigen kinderen droeg je ten grave. Dat was in 1982. Even keek je in het oneindige, alsof je jouw kleine jongetje zag rondhuppelen in het paradijs. Na al die jaren scheppen de raderen van de noria’s alweer bloed, arme opa. Is jouw bloed erbij? Of is jou een rustige natuurlijke dood gegund geweest, omringd door geliefden? Of leef je nog? Ik weet niet wat ik moet hopen. Hopelijk zwaaien jouw kinderen en kleinkinderen niet met een kalasjnikov aan het front. Hopelijk leven ze nog. Maar wat mag ik er verder over hopen?

img557

 

De kinderen van Jebel Qassioun


Ook deze foto dateert uit het niet-digitale tijdperk. Het is 1999. Hij is wat vaag omdat hij genomen is bij valavond en ik nu eenmaal geen professionele fotograaf ben. Deze baasjes spelen in de nauwe straatjes op Jebel Quassioun en achtervolgen ons tot op de top, dat een onvergetelijk panoramisch zicht geeft over Damascus. Ze lachen, ze amuseren zich, er is werkelijk niks kwaads te bespeuren in deze lieve jonge jongetjes. Geen gezaag om dollars of baksheesh. De schemer valt, de klagende gezangen van honderden muezzins vibreren boven Damascus bij valavond. Groene, blauwe en gele lichtjes kleuren weldra de duisternis. Onvergetelijk. Maar hoe zou het dit viertal vandaag vergaan, nu ze twintigers zijn? Zij die hun kindertijd doorbrachten op die berg waar Bashar al-Assad tegenwoordig zijn hoofdkwartier heeft?

img012

 

De mannen in de Ommayyaden moskee


Koel aan zitvlak en hoofd is het, daar onder de zuilengalerijen van de oude Ommayyadenmoskee in Damascus. Stilte voor de oren, schaduw voor de ogen. Rust te midden van de vibrerende souqs er rond. Plots vallen twee smalle schaduwen over mij. “Assalam alaikum” (vrede zij met u), zeggen twee vriendelijke heren. Ik antwoord “wa-alaikum assalam” (en met u de vrede). Het begroetingsritueel is een klein gebedje waarbij men God vraagt de andere te zegenen en vrede te schenken. We babbelen over ditjes en datjes. Ze nodigen ons uit voor een diner bij hen thuis. Ongedwongen Syrische gastvrijheid. Zou het vandaag nog altijd diezelfde oase van rust zijn? Zouden de mannen vandaag nog steeds “Vrede zij met u” zeggen? Of geloven ze daar al lang niet meer in? Toch van mijnentwege: “Assalam alaikum”, mijn beste Syrische vrienden.

imge010

 

Abdullah, de komiek van Riad Hotel


Wanneer je thee liet aanrukken in Riad Hotel stond er een theeglaasje teveel op het dienblad. “Altijd klaar staan voor het geval er een mooi meisje opduikt”, verklaarde je. De volgende dag schreed er een jonge Australische in strak rood kleed jouw lange en krakende trap op. “Welcome in Riad Hotel”, zei je met een grijns van Syrië tot Papoea Nieuw-Guinea. In een fractie van een seconde toverde je een dienblad met – wonder boven wonder – drie theeglaasjes op de toog. Met een knipoog in mijn richting mikte je van een meter hoog de thee de drie onooglijk kleine glaasjes in. Op jouw gezicht staat “zie je nu” te lezen. Je neuriede “Lady in red”. Je hield van theater spelen. Mijn mama die je zo graag jende, bijvoorbeeld wanneer ze geen WC-papier had op de kamer: “Gebruik dan maar de gordijnen, of de kussensloop”. Op een dood moment in een vroege avond vroeg je me jouw hotel over te nemen. Hilarisch was het, de verbaasde gezichtjes van vier Spaanse backpacksters aan wie ik mij presenteerde als Abdullah. Eén ervan checkte de Lonely Planet. Ik zie ze kijken: “jawel, de manager heet Abdullah”. En ik zie ze denken: “die gast ziet er nochtans niet uit alsof hij Abdullah heet”. Ik knipte met mijn vinger en jij kwam plechtig de thee binnenbrengen. Jouw ogen twinkelden, net als de mijne. Je hield ervan mensen voor de gek te houden. Hoe is het met jou, waarde vriend? Australische schoonheden zal je wellicht niet meer zien.

foto57

 

Mohammed, de sleutelbewaarder van Qasr Ibn Wardan


Hoe is het nog met jou, Mohammed? Jij, de sleutelbewaarder van het bizarre Qasr Ibn Wardan, 80 km buiten Hama. Volgens de Lonely Planet moesten we naar jou vragen in het dorp. Want jij alleen had de sleutel tot dit paleis of kasteel, met kerk. Byzantijns, naar verluidt, 1.500 jaar oud. Men heeft nog altijd geen idee wat keizer Justinianus vanuit Constantinopel bezielde om een chique paleis neer te poten in een lege steenwoestijn, ver weg van de bewoonde wereld. Er is nooit sprake geweest van een dorp hier. Ook vandaag in de hypergeavanceerde 21ste eeuw leven er bedoeïenen in hun bruine tenten. Ze hoeden schapen en geiten. We hoefden jou niet te zoeken. Je zat aan jouw tafeltje, muntthee pruttelde alweer een glaasje in. Naast het tafeltje stond een rode motor. Daarop scheurde je af en aan tussen Qasr Ibn Wardan en jouw huis, een stofwolk achterlatend in dit landschap van hardgebakken aarde. Ik zie jouw rode Arafatsjaal en witte kleed al wapperen in de wind. Een vriendelijke man was je. En waar ben jij nu, wat doe je? Zelfs de Byzantijnen die leefden in het Qasr Ibn Wardan en wel wat bloedgespetter gewoon waren, zouden duizelen van de honderdduizenden die de afgelopen jaren gesneuveld zijn in de Syrische hel.

foto31

 

De falafelmakers van Serjilla


Hoe zit het met jullie, jongens van de pittabar in het dorpje Serjilla? Geen pittakot in heel België dat kan tippen aan jullie falafels. De lekkerste ooit gegeten. Een rijtje vers gemaakte falafelballetjes, verse tomaten, een laagje verse koriander, een laagje verse munt. Geen vetbom waarbij een dikke saus de smaakpapillen verlamt, maar een falafelbroodje met een delicate en aromatische smaak, een pitta voor de fijnproevers. Maken jullie nog altijd de lekkerste falafel ter wereld? Ik zag de puinhopen en huilende mensen in jullie dorp op Youtube. Ik kende jullie allemaal maar oppervlakkig. Maar we hebben samen gelachen en gepraat. Genoeg om concrete gezichten te plakken op de horror van Syrië. Ik duim voor jullie, voor wat het waard is…

foto54

 

De kelners van het restaurant tegenover de Al-Nuri Moskee


Hoe is het nog met jullie, de nette en sympathieke jongens die met thee en waterpijp aan en af draafden in het chique restaurant tegenover de eeuwenoude waterraderen van Hama? De charmante mannen met das die gewillig op de foto wilden met mijn fiere mama? De An-Nuri moskee was gehuld in de gelige kleuren van de straatverlichting, het groene schijnsel van de toren weerspiegelde zich in het roerloze water. Rustig en stil was het toen. Vandaag blaffen de wapens, braken tanks en vliegen de kogels. Hopelijk zijn jullie gespaard.

foto56

De antieke stad Palmyra bedreigd

Posted on mei 21, 2015

IS bedreigt de oude stad Palmyra in Syrië. Als ze valt vreest men dat de extremisten – net zoals in Irak – ook deze unieke archeologische site zullen vernietigen. Het inspireerde me om nog eens in mijn archieven te duiken: 15 jaar geleden bezocht ik Palmyra, en ik geef wat historische lessen aan de beeldenstormers van de 21ste eeuw.

 

Geen geweergeschut toen, in 1999, je kon horen hoe windhoosjes zandkorrels in de broeierige lucht draaiden. Ik was de enige bezoeker, samen met mijn toenmalige vriendin. Stilte hing over de 2000 jaar oude ruïne. Duizenden jaren voor Christus draafden hier in dezelfde rust kamelen voorbij en hun menners, met hun handelswaren. Toen de Romeinen arriveerden, ging de stad de handel beheersen in de ganse Syrische woestijn.

 

Slaven, zout, kleding, parfum, prostituees, kruiden, ivoor, glas: alle “handelswaar” passeerde. De Palmyrenen vervaardigden fabricaten in fijne zijde, wol, katoen en linnen en smeedden goud en zilver (Sartre, p. 243). Ze bouwden een indrukwekkend handelsnetwerk uit, dat zich uitstrekte tot West Azië en de Middellandse Zee. De hele stad was het epicentrum van handelskaravanen. Het waren de rijkelui die privé investeerden in architectuur in Palmyra. Vandaag zien we nog altijd een straat van 1100 meter, tempels, theaters, graftomben (W. Ball, p. 76).

Het is vanuit het huidige risico op vernietiging in naam van de “zuivere” Islam door IS ook interessant om te zien dat de allereerste Islamdynastie, de Ommayaden, bij hun verovering de site niet domweg hebben vernietigd, maar gewoon een andere functie hebben gegeven

Maar wat kunnen we vandaag leren? En wat kunnen de bedreigers van de stad leren? Palmyra laat zien hoe een culturele en religieuze kruisbestuiving heeft plaatsgevonden. Geen geschiedenis van vernietiging in naam van de enige juiste waarheid, maar een eeuwenoude kruisbestuiving. Het karakter van Palmyra was Semitisch, Grieks en Romeins. De Palmyrenen aanbaden de god Bel. Die laatste zou teruggaan op één van de alleroudste religieuze tradities: de verering van Bel Marduk, oppergod uit het pantheon van Babylon. Sommige historici denken dat de Romeinse lange weg met kapitelen naar de tempel van Bel geïnspireerd is op de processiewegen die in het oude Babylon doorgingen ter ere van Marduk (Ball, p. 86). Bel was trouwens ook de inspiratie voor de latere Griekse goden Zeus en de Romeinse Jupiter.

img005

Het is vanuit het huidige risico op vernietiging in naam van de “zuivere” Islam door IS ook interessant om te zien dat de allereerste Islamdynastie, de Ommayaden, bij hun verovering de site niet domweg hebben vernietigd, maar gewoon een andere functie hebben gegeven. De Ommayaden vormden de grote Romeinse weg met zijn kapitelen om tot een souq met behoud van alle elementen (Sartre, p. 269). Ook toen de Arabieren honderden jaren later Palmyra alweer veroverden bleef dat met respect voor wat er stond: de tempel van Bel werd weliswaar een moskee, maar alle elementen van dit schitterend bouwwerk bleven op zijn minst behouden. Dus de Islam werkte voort op eeuwenoude tradities, ze vernietigde ze niet. Veel eerder fungeerde de tempel van Bel ook als een Kerk onder de Byzantijnen. Onwaarschijnlijk dat een groepje fanatiekelingen in de 21ste eeuw (!) en na 2000 jaar respect van alle strijdende partijen vandaag dreigen om deze site te vernietigen omdat ze denken de enige waarheid in pacht te hebben.

 

Bronnen:

 

Ball, W., Rome in the East. The transformation of an empire. London: Routledge, 2000.

 

Sartre, M., The Middle East under Rome, Cambridge, MA, London: Harvard University Press, 2005.

Paraguay: onbekend maar (onterecht) onbemind

Posted on april 4, 2015

Paraguay kreeg onlangs wat ruchtbaarheid in Vlaanderen, toen Tom Waes er neerstreek voor zijn serie “Reizen Waes”, uitgezonden door de VRT. Ik kan alleen maar hopen dat meer reizigers kiezen voor dit land, en geef hierbij alvast mijn 10 favoriete tips, in woord en beeld.


1. Bezoek het Campo Maria Private Reserve

 

In een houten uitkijktoren turen naar de meren en bossen om je heen. Dit is het Campo Maria Private Reserve, een gebied met zoute en zoete meren, waarvan een Mennonietencoöperatie eigenaar is. Het ligt in de enorme woestenij van de Chaco in het onherbergzame en nauwelijks bewoonde Noorden van Paraguay. Tientallen zwanen dobberen rond over het kalme water. Een groep witte reigers zit in een boom. Plevieren en eenden zwemmen rond. 50 Chileense flamingo’s staan pal in het ondiepe water. Zoutafzettingen kleuren de oevers wit. Wolken weerspiegelen zich in het rimpelloze meer. We zien pootafdrukken van tapirs, herten en een wilde kat. In het zand liggen twee slangenskeletten te roosteren in de felle zon. ’s avonds slingert een levende ratelslag over de weg. Dit reservaat is toeristisch potentieel, maar nu zijn er geen toeristen. Voor wie dit uniek avontuur wil beleven: neem contact op met Estancia Iparoma en Marylin. Aanrader!

 

P1000835

Campo Maria Reserve vanuit een houten toren. Paraguay.

P1000813

Flamingo’s in Campo Maria Reserve. Paraguay.

Campo Maria Reserve. Paraguay

Campo Maria Reserve. Paraguay


2. Chillen in Concepcion

 

Op de heetste momenten tijdens de namiddag is het siësta in Concepcion. Mensen zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, terere uitwisselend, krantje lezen, oma met krulspelden in het haar. Er rijden nauwelijks auto’s, brommers snorren voorbij, fietsen klingelen en paardenkarren rammelen. Een schriel paard lummelt op zijn dooie akkertje door de straten, kippen scharrelen in het rond en twee flikken liggen te soezen voor de ingang van de bank. In Heladeria Amistad eten locals een ijsje. Heel af en toe doorbreekt een pick up de rust met de typische Cumbia muziek richting strand. Want ja, er is nog een gezellig strandje aan de Rio Paraguay. Vrouwen staan met al hun kleren aan in het water, terere in de ene hand en spartelende jonge ukkies in de andere. Een man leurt met chipas, een calorieatoombom samengesteld uit maïs, maniokbloem, kaas, eieren en varkensvet. Een compilatie van de plaatselijke knuffelrock schalt uit een eigenhandig gebricoleerde disco. Plaatseliijke Ronaldo’s trappen een balletje. Wat een leuk en ontspannen familiesfeertje.

 

P1010125

De kerk van Concepcion, vlak voor een tropische regenbui.

P1010116c

Straatbeeld in Concepcion. Paraguay.

P1010107c

Verkoper van chipa’s. Strandje van Concepcion. Paraguay.

P1010116a

Straatbeeld in Concepcion. Paraguay.

P1010106

Strandcultuur in Concepcion. Paraguay.


3. Verblijf in Estancia Iparoma

 

Marylin is de eigenaar van Estancia Iparoma, een ranch op een paar kilometer buiten de Mennonietenstad van Filadelfia. In de namiddag luieren we in de hangmat. We eten met haar man en nichtje. Wanneer het heetste van de dag voorbij is, voert ze ons met haar jeep rond over haar ranch. Ze heeft 1000 runderen op enorme lappen weiden. Haar ranch herbergt een diversiteit aan fauna en flora. Op een uurtje tijd zagen we twee uilen, drie struisvogels, bonte parkieten, grote aalscholvers, ibissen met een geel hoofd, een reiger met een blauw hoofd en een rode snavel en een specht. Achteraan haar ranch ligt er in een bosje een poel waar regelmatig tapirs op bezoek komen. “A ja, is dat interessant?”, vraagt ze verwonderd. Ik vertel haar dat gidsen er zich voor 100 dollar per dag in het Amazonewoud en de Braziliaanse Pantanal een punthoofd naar zoeken. Marylin kijkt verbaasd. Heerlijk ontoeristisch nog, Paraguay.

 

P1000759

Een uiltje op de ranch van Iparoma. Filadelfia. Paraguay.

P1000777

Een rhea kijkt op. Iparoma Ranch. Filadelfia. Paraguay.


5. Bezoek Filadelfia en omgeving

 

Na acht uur rijden rammelt onze bus Filadelfia binnen, één lange geasfalteerde laan, met vier rijstroken, en stoffige zandwegen die uitlopen op deze centrale laan, avenida Hindenburg geheten, naar de Duitse veldmaarschalk tijdens de eerste wereldoorlog. Centraal in Filadelfia is er een melkproductenfabriek van de plaatselijke Mennonieten kolonie Fernheim, hier en daar een huisje en een koloniaal aandoend gebouwtje met tuin er rond, wat achteraf het museum van de kolonie Fernheim blijkt. De onmiddellijke omgeving rond Filadelfia is de moeite. We verzeilen in een dierentuin in de tuin van een hotel, met hokken waartussen de wasdraden met witte was hingen te drogen. De dieren blijken na een storm verdronken, op uitzondering van 4 poema’s. We rijden over het erf van een Paraguayaans boerengezin en bezoeken één van de vele mennonietenranches. We hobbelen over zandwegen en aanschouwen de wonderen van de Chaco: vol met vogels, ruige natuur, bloeiende cactussen, meertjes, eindeloze savanne, blauwe einder en lange witte slierten wolken.

 

P1000800

Een tuiuiu in de omgeving van Filadelfia.

P1000778

Twee jonge poemaatjes in de “zoo” van Lomo Plata. Paraguay.

P1000867

Het Museum van Filadelfia. Paraguay.

P1000802


6. Chillen in Pilar

 

“Auténtica Perla del Sur” en “Capital de la Cordialidad Paraguaya”: dit is Pilar, een stadje in het Zuidwesten van Paraguay. De straten zijn er omzoomd met netjes geschoren buxussen, ficussen, bloemen en mangobomen. Schilderingen van lokale fauna en flora, van de schepping van de wereld en episodes van Paraguay’s ongenadige oorlogen sieren muren. Standbeelden van schildpadden, papegaaien en reigers fleuren pleinen op. Veel huizen zijn versleten, verf bladdert af, maar ze zijn kleurrijk en hebben stijl. Oude gebouwen als het museum, de bank en de basiliek zouden gerust toeristische trekpleisters kunnen zijn. Het stadje ligt aan het knooppunt van de rivieren “Paraguay” en “Paraná”. Een wirwar van vele kleine stroompjes, riviertjes en beken. We lopen langs het moeras van Neembucu, de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-de-Maagd-van-Pilar weerspiegelt zich in het water. Inwoners varen in kleine houten schuitjes en vissen. Witte reigers doen hetzelfde maar dan efficiënter. Een mooie granieten promenade van anderhalve kilometer lang is in opbouw, met sierlijk meubilair in hout en metaal. Op de heetste momenten tijdens de namiddag gaan Pilar en zijn sympathieke inwoners slapen. Later komen mensen weer naar buiten: ze zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, ze wisselen terere uit, ze lezen de krant, oma’s keuvelen. Auto’s zijn eerder zeldzaam. In de straten snorren vooral brommers rond, en er rinkelen fietsen, en af en toe kraakt een paardenkar voorbij. ’s Avonds zit de jeugd op een bankje te doen wat de jeugd doorgaans doet: drinken, roken, kijken naar anderen, luisteren naar muziek, flirten, kussen, niksen, vervelen.

 

P1000869

Kathedraal van Pilar. Paraguay.

P1000873

7. Taguas zien en ruiken

 

Dat de Paraguayaanse Chaco heel lang een godvergeten gat is geweest, bewijst de geschiedenis van de tagua. Tot 1970 ging men ervan uit dat het beest tienduizenden jaren geleden de pijp aan maarten had gegeven. Tijdens een zoektocht naar fossielen halverwege de jaren zeventig keken verbaasde wetenschappers plots een echte tagua in de ogen. De tagua is zo één van de weinige grote zoogdieren die pas “ontdekt” zijn geworden in de 20ste eeuw. De tagua is een everzwijn met een grijs-bruine pels en een witte collier om de hals en belachelijk smalle pootjes in verhouding tot het lichaam. Grappig zijn de haren van gemiddeld 20 cm die rechtstaan in de nek. De tagua komt alleen voor in de Chaco. Grootschalige veeteelt, stroperij en een gebrek aan overheidsbeleid brachten de soort aan de rand van totale uitroeiing. Mennonieten, die mee aan de basis liggen de grootschalige veeteelt, lieten ook hun goed hart zien en hebben na de ontdekking van de tagua een reservaat voor die beesten opgezet, met fondsen van de San Diego zoo in California. Ik sta in dit reservaat te kijken naar drie taguas die in een halve cirkel naast elkaar afgrijselijke stinkscheten in de atmosfeer blazen. Het is hun natuurlijk verdedigingsmiddel tegen vijanden en homo sapiens is daarbij vijand nummer 1.

 

P1000857

8. Wandelen in Parque Cerro Cora

 

Parque Cerro Corra is een mengeling van ontoegankelijk droog tropisch woud en savanne. De staat beschermt het park al enige decennia, als één van de zeldzame vrijhavens voor de natuur in een land waar ontbossing dramatische vormen heeft aangenomen. Paadjes moet je zelf uitzoeken en brengen de wat benauwde toerist op desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. Hier en daar rijst een monument op uit het landschap, waaronder de herdenkingsplaats voor één van de grootste gekken uit de Paraguayaanse politieke geschiedenis: Francisco Solano Lopez. Op het grondgebied van het huidige park eindigde één van de meest bloedige oorlogen die Latijns-Amerika heeft gekend: “La Guerra de la Triple Allianza”, verwijzend naar de oorlog van Paraguay tegen een monsterverbond van Brazilië, Argentinië en Uruguay in de jaren 1880. Desondanks was de omgeving van het park mooi en vol van leven. We zagen 24 uur mieren, hard werkende parasolmieren, een grappige wandelende tak, vuurwantsen en een vunzige duizendpoot, een schuw gordeldiertje en een harige vogelspin en vogels om een dozijn ornithologen in delirium te brengen. En dat alles in een heuvelachtig groen landschap met rode wegen!

 

Klein Gorderldier. Parque Cerro Cora. Paraguay.

Klein Gorderldier. Parque Cerro Cora. Paraguay.

P1010155c P1010190 P1010205c

9. Struinen in de hoofdstad Asuncion

 

Het Pantheon steekt in al zijn stralende witheid sterk af tegen de andere gebouwen van Asuncion. Het lijkt symbolisch voor een verheerlijkt verleden om de aandacht van het heden af te wenden. Troosteloze gebinten van onafgewerkte woonblokken staan her en der verspreid, koloniale huizen liggen in verval. Kantoorgebouwen zijn zo grijs als het weer op een druilerige herfstdag in België. En toch heeft Asuncion zijn charmes. Je bent vrij om te doen wat je wil. Er zijn geen Lonely Planet’s of Rough Guides die je zeggen wat je moet gezien hebben, geen brochures met hoogtepunten, geen plattegronden. In Asuncion krijgt een mens de gelegenheid echt kennis te maken met het dagelijkse en gewone leven in een stad, omdat hij nu eenmaal niet van de ene attractie naar de andere wordt gezogen. Van andere steden weet je al wat er te zien en te beleven is. Her en der staat nog wat koloniale architectuur recht, en er zijn ook een paar gezellige groene plazas. De keuken is opvallend multicultureel in Asuncion: eenvoudig lokaal Paraguayaans, Koreaans, Chinees, Italiaans en Libanees. Een aanrader is Confiteria Bolsi, een van de jaren zestig daterend Paraguayaans restaurant.

 

Asuncion tijdens de Kerstdagen

Asuncion tijdens de Kerstdagen

P1000402

10. Loop door de landerijen van Arroyos y Esteros

 

“Schorren en kreken” luidt de vertaling van Arroyos y Esteros. De streek is ook bekend als “de parel van de Cordilleras”, een allusie op feit dat regio heel groen is. Dit is een belangrijke agrarische regio: rijst, tabak en katoen. Maar hét sterproduct is biologische suiker. De Belgische NGO Oxfam Wereldwinkels haalt hier zijn biologische Fair Trade suiker vandaan. Arroyos y Esteros ligt op 66 km van Asuncion en heeft een bevolking van 20.000 zielen. Er zijn overal authentieke boerderijtjes en Arroyos zelf is een parel van een dorpje met een pittoresk pleintje, kleine kleurrijke huisjes en sympathieke mensen die tijdens de siesta nippen aan hun onafscheidelijke terere. Zoals in Pilar en Concepcion draait het leven in Arroyos nog op het ritme van paard en kar.

 

P1000190

Meer over Paraguay? Zie ook mijn andere blogartikels op Reizenginderachter.com:

 

– Parque Nacional Cerro Cora: één van Paraguay’s natuurschatten

 

– Pilar: de authentieke parel van het Zuiden

 

– Kerstdagen in Asuncion

 

– Concepcion

 

– Verhalen uit de Chaco: tagua’s, leeuwen en ratelslagen

4 tips voor een toffe citytrip in… Kinshasa!

Posted on maart 26, 2015

Kinshasa komt weinig positief in het nieuws. En er zijn inderdaad heel wat redenen om Kinshasa te zien als een plek waar je beter niet geboren wordt. Maar Kinshasa is een stad die ook bruist, zingt en danst. Vandaag wil ik Kinshasa laten zien door een roze bril, en ik geef vier tips aan avontuurlijke reizigers die eens echt van het gebaande pas af willen wijken.


Tip 1: Aanschouw hoe Kinois(es) leven en werken

 

Zet je op een plastiekstoel in de Cité, leun achterover tegen een muur, handen in de nek en aanschouw de kleurrijke chaos, het hectische ritme van Kin. En stel dan jouw ogen scherp op de individuele mensen, hoe ze hun plan trekken, welke veerkracht al deze mensen hebben in een megalopolis die weinig vriendelijk is voor hen. Tientallen jongens gooien pakjes papieren zakdoekjes van de Colruyt. Anderen leuren met sigaretten die ze per stuk verkopen, aanstekers, tandenstokers, tandpasta, body lotion, koekjes, zeepjes, balpennen. Sommigen hebben een plastiek emmer met kevertjes en pili pili die ze met een pollepel op de tafel kwakken als snack bij het pintje. Vrouwen lopen met potten op hun hoofd met kolen, bananen en mango’s of zitten daarmee langs de kant van de straat. Bandenherstellers morrelen aan autobanden, mecaniciens vijzen schroot in en uit elkaar, kappers vlechten vals haar door echt. In de straten brengen jongeren landkaarten van Congo aan de man, en plastiek kerstbomen, USB-kabels van Chinese makelij, jonge hondjes, schilderijen met een Vlaams landschap. Ik nestel mij gerieflijk in de zetel van JoJo Coiffure in Bandal, waar men al in geen dagen elektriciteit meer heeft gezien. Het is een va-et-vient van een kauwgomballenverkoper, een knokig vrouwtje met mango’s, een nagelverzorger, een dame die die haarextensies verkoopt voor de deur van de Coiffure. En hoe kleurrijk is alles toch!

 

DSC00269 DSC00264 DSC00569

20141223_153319

20141223_162235

 

Tip 2: Ga je ontspannen aan de “Fleuve”

 

De “Fleuve” (stroom) staat voor de Congorivier, die langs Kinshasa raast. Aan haar oevers komen mensen om zich te ontspannen. En men vindt er een tikkeltje Congolees surrealisme. Neem “Safari Beach”, waar de autobestuurder aan de ingang verwelkomd wordt met een romantische ondergaande zon, papegaaien, palmbomen, een cocktail, bloemen. Het is een luxe oord met zwembad, aangeplante palmbomen, valse bomen en planten, kitscherige kerstverlichting, fonteintjes, twee speedboten, een Go-car. Niet ver van Safari Beach is er “de Tuin van Eden”, een oase van rust met speeltuigen voor kinderen (zeldzaam in Kinshasa!), mogelijkheden om bootje te varen, om een pikante liboke te eten en zoals altijd aan een plastiek tafeltje pinten achter de huig te slaan. Helemaal aan de andere kant van de stad zijn er keien- en zandstrandjes. De plek “Chez Tintin” bijvoorbeeld, die ligt aan een plek met stroomversnellingen van de Fleuve. Families vissen, doen de was, eten en drinken tot de nacht valt. Mensen die op hun paasbest komen paraderen op het strand. Maar je kan ook “informeel” langs de fleuve vertoeven. Iemand komt dan aandraven met plastieken stoelen en een frigobox met pinten. Een minuut later verschijnt er ook een fotograaf met een goede oude polaroid, waaruit de foto direct naar buiten rolt. Nostalgie.

 

DSC00183

Strand van “Chez Tintin”, Kinshasa

DSC00182

Straatjochie kijkt voor zich uit op het strand van “Chez Tintin”

DSC00176

Jongeren komen zwemmen in de Fleuve. Strand van “Chez Tintin”, Kinshasa

DSC00174

Een Kinoise doet haar was in de Fleuve. Strand van “Chez Tintin”, Kinshasa.

DSC00257

Een paneel belooft veel goeds van een “resort” aan de Fleuve, Kinshasa

Jardin d'Eden

Jardin d’Eden


 

Tip 3: Laat je verleiden door “Kin la sorteuse”

 

Kinshasa is bekend om zijn nachtleven. Als de schemer langzaam valt ontbindt Kinshasa – “la ville où on ne dort jamais” – haar duivels. “Kin la Sorteuse”, de koningin van het nachtleven, omarmt dan massa’s Congolezen, aangetrokken door muziek, dans, drank en eten. Ik doe terrasjes in de “hete” wijken van Bon-Marché en Bandal. Sloten Skol, Primus en Nkoyi vloeien, in flessen van 72 cl. De Congolese industrie mag dan al in grote crisis zijn, dat is wel anders voor de grote brouwerijen. Ndombolo, soukous, rumba lingala en kwassa kwassa vibreren door de stoffige straten. TV’s zenden voetbal uitl. Barbecues hullen de straten in rook. De chayeurs, de kleine verkopers leuren met hun waren. Pakje zakdoekjes? Brochetje met sprinkhaan? Kevertjes met pili pili? Balschoenen van voor 5 dollar? Sjacoche van Louis Vuitton? Marchanderen, drinken, dansen, eten, versieren, paraderen, voetbal. Kinshasa leeft, en de terrassen zijn de spil. Naast terrassen kan er ook gedanst worden: tijdens optreden in openluchtbars als Le Grand Libulu en The Tree Bar of op stoffige markten en pleinen in de volkswijken of in de ontelbare “boites de nuits” – de dancings – van Congo’s hoofdstad.

 

 


 

Tip 4: Kijk in de ogen van de Bonobo

 

Hij is in de herfst van zijn leven, haren zijn gevallen, nog slechts een paar plukken rusten onzeker op zijn kruin. De jaren hebben rimpels uit zijn voorhoofd gegraven, en rond zijn neus. Hij is een oude bompa met behoorlijk wat jaren op de teller. Hij kijkt met zijn ogen in die van iemand die verwant is aan hemzelf, die ouder is in jaren en toch in de fleur van zijn leven. Van iemand die zich zorgen maakt over de allereerste grijze haartjes die priemen uit een donkere bos haar, van iemand met dezelfde rimpels als hem. Hij is zo… menselijk. Maar hij is geen mens, wel heel nauw verwant aan de mens, we hebben een gemeenschappelijke voorouder. We zijn in zekere zin familie. En hij kijkt nu in de ogen van een mens, en die mens ben ik. Die blik alleen al, van bonobo tot mens en van mens tot bonobo, maakt een bezoek aan het “Lola ya Bonobo” (“het Paradijs van de Bonobo’s”) tot een mooie belevenis. Het Lola ya Bonobo is een reservaat voor Bonobo’s, opgericht in 1996 door een Belgische, Claudine André, die zich het lot aantrok van deze bedreigde en aan Congo endemische grote aap. Ze redt bonobo’s uit handen van verkopers, van markten, en doet aan bewustmaking. In het bos leven een aantal groepen, ze zien met een zestigtal. Ze zijn in veel opzichten heel menselijk. Kleintjes zonder ouders verblijven bij een menselijke mama, ze kunnen niet zonder die aandacht. Er zijn vier mama’s: Maman Henriette, maman Espérance, maman Micheline en Maman Yvonne. Een vrouw zit in een kooi, ze zit in een houten stoel, drie kleine bonobo’s zitten rond haar.

 

DSC00339 DSC00324
%d bloggers liken dit: