Reizen ginderachter

Reisverhalen over plekken met een verleden, scholen, unieke landschappen en onbekende verweggistans

Berichten door Jan Fransen

Met Mira bij de kapper in Kinshasa

Geplaatst op april 11, 2015

Ik zit in de stoel en kijk in de spiegel van JoJo Coiffure in de wijk Bandal. De coiffeuse vlecht valse haren in het korte echte haar van Mira. Dit zijn zogenaamde extensies, en geen pruiken. JoJo Coiffure is gespecialiseerd in extensies. Braziliaanse extensies zijn de crème de la crème. Volgens de uitleg in het salon zijn extensies goedkoper dan het eigen haar laten verzorgen en knippen. Gezien echte kapsalons dun bezaaid zijn in Congo’s metropool pieken hun prijzen.

 

Let op, aan kleine informele kappersstalletjes geen gebrek in Kin. Daar kan je de kruin kaal laten scheren tegen een prikje. Improvisatie is het ordewoord: even een spiegeltje ophangen aan een tak van een boom of een golfplaat van een krakkemikkig huisje, een gammele plastiekstoel neerpoten, of een emmer om op te zitten. En dan nog een scheermes op de kop tikken en je bent klaar om de arbeidsmarkt te betreden. De Kinois(es) spreken dan van “se débrouiller”, uw plan trekken, en iedereen vindt wel iets uit om aan wat centen te geraken in een stad zonder formeel werk. Hier in JoJo Coiffure zie je hoe dat in zijn werk gaat. JoJo coiffure werkt samen met een andere vrouw, die een houten stalletje posteert voor de ingang van JoJo Coiffure. Die mevrouw verkoopt extensies. Ze hangen bij bosjes aan een stok, in de vorm van paardenvlechten, van bruin over zwart tot acajou. De klant koopt, mevrouw verdient, JoJo vlecht ze in, JoJo verdient: een “win-win situatie” aldus.

Het stalletje met extensies voor JoJo Coiffure

Het stalletje met extensies voor JoJo Coiffure

Een gerimpeld mevrouwtje schuifelt binnen met mango’s. Ze schudt er een snuifje “piment” op. Drie mango’s voor een paar tientallen eurocenten. Naast JoJo Coiffure hangt een verkoper onderuit achter zijn stalletje met sigaretten per stuk en kauwgomballen. We betalen een halve euro voor twintig kauwgomballen. Extensies invlechten is een werk voor mensen met engelengeduld: oude vlechten afsnijden met een scheermesje, daarna een papje laten trekken op het hoofd, dan nog een wasbeurt en pas dan de extensies invlechten. Daar is men toch al gauw verschillende uren zoet mee. Ik heb verlof en zie het op mijn dooie gemakje gebeuren.

 

Intussen valt er nog een bezoeker met de deur in huis. Een jongen met een houten gereedschapskistje prijst valse nagels aan, en biedt zijn diensten aan om de nagels van “madame” te verzorgen. Een mannelijke schoonheidsspecialist aldus, wel, wel. Na een halfuur bikkelen over de prijs neemt hij Mira’s nagels onder handen. Kleine win-win situaties in dit kleine maar gezellige hokje in de levendige wijk van Bandal. Extensieverkoopster, extensievlechtser, mangoverkoopster, schoonheidsspecialist, kauwgomballenverkoper. JoJo Coiffure is bovendien ook een schoenenwinkel en een klein cafeetje. Schoenen liggen opgestapeld onder de spiegel, zodat de klant – tijdens het vlechten – alvast zijn of haar goesting uitzoekt en de onderhandelingen over de prijs kan opstarten. Twee plastiektafeltjes staan voor de deur, met een parasol tegen de roosterende zon. Terwijl ik wacht drink ik colaatjes en aanschouw het gezellige geharrewar van de cité. De jongens van voetbalclub AC Bandal zitten voor het clubhuis naast JoJo Coiffure, vanuit de protestantse kerk recht tegenover weerklinken psalmgezangen, heupen wiegen, links van JoJo Coiffure is er een eigenaardige ruimte met oude computers en typemachines en worsten aan 1 Euro per stuk.

Spelen met mama's nieuwe extensies.

Spelen met mama’s nieuwe extensies.

Haren laten doen en kijken naar een etalage met glitterschoenen

Haren laten doen en kijken naar een etalage met glitterschoenen

Vrouwtje verkoopt haar mango's

Vrouwtje verkoopt haar mango’s

Allemaal zeer gezellig. Het is een aspect van Kinshasa waar ik erg van houd. Maar het is ook stofferig en de open riool ligt voor de deur. Kin zal voor mij altijd een stad zijn van contrasten. De eerste keer dat ik in JoJo Coiffure kwam was er al twee dagen geen elektriciteit. Deze maal wel, maar ze valt toch weer uit wanneer de duisternis is ingevallen en de laatste extensies moeten ingevlochten worden. Er is even paniek bij Mira, kaarsen bieden soelaas. Niks aan te doen, een dagelijkse realiteit in Congo’s hoofdstad. “Mais on se débrouille”.

 

Kan daar iemand aansprakelijk voor gesteld worden, vraag ik? Politici? De hoofden van Mira, JoJo, de mangoverkoopster en de schoonheidsspecialist schudden unaniem nee. Politici zeggen dat het “vroeger” allemaal nog veel slechter was, toen was er geen elektriciteit, dus de mensen moeten nu niet gaan zaniken. Ik leg uit wat een drama er in België gemaakt wordt rond het feit dat er elektriciteitspannes zouden kunnen plaatsvinden. Wekenlang stonden de kranten daar bol van. Wekenlang hebben mensen zich zorgen gemaakt. Hier in Kin is het dagdagelijkse realiteit, en de mensen leggen zich daarbij neer. Het is het lot, en geen nood, de elektriciteit komt wel weer terug. Intussen lachen we, zitten we, slapen we, dansen we, drinken we. De tijd gaat traag voorbij, maar niemand gaat er dood aan.

Geen electriteit vandaag. Dat komt wel weer terug.

Geen electriteit vandaag. Dat komt wel weer terug.

 

Meer over de Democratische Republiek Congo en Kinshasa? Lees ook mijn recente Congo artikels:

 

4 tips voor een toffe citytrip in… Kinshasa

 

Bijzondere plekken in Bas Congo

 

Een zondagavond met Papa Wemba

Paraguay: onbekend maar (onterecht) onbemind

Geplaatst op april 4, 2015

Paraguay kreeg onlangs wat ruchtbaarheid in Vlaanderen, toen Tom Waes er neerstreek voor zijn serie “Reizen Waes”, uitgezonden door de VRT. Ik kan alleen maar hopen dat meer reizigers kiezen voor dit land, en geef hierbij alvast mijn 10 favoriete tips, in woord en beeld.


1. Bezoek het Campo Maria Private Reserve

 

In een houten uitkijktoren turen naar de meren en bossen om je heen. Dit is het Campo Maria Private Reserve, een gebied met zoute en zoete meren, waarvan een Mennonietencoöperatie eigenaar is. Het ligt in de enorme woestenij van de Chaco in het onherbergzame en nauwelijks bewoonde Noorden van Paraguay. Tientallen zwanen dobberen rond over het kalme water. Een groep witte reigers zit in een boom. Plevieren en eenden zwemmen rond. 50 Chileense flamingo’s staan pal in het ondiepe water. Zoutafzettingen kleuren de oevers wit. Wolken weerspiegelen zich in het rimpelloze meer. We zien pootafdrukken van tapirs, herten en een wilde kat. In het zand liggen twee slangenskeletten te roosteren in de felle zon. ’s avonds slingert een levende ratelslag over de weg. Dit reservaat is toeristisch potentieel, maar nu zijn er geen toeristen. Voor wie dit uniek avontuur wil beleven: neem contact op met Estancia Iparoma en Marylin. Aanrader!

 

P1000835

Campo Maria Reserve vanuit een houten toren. Paraguay.

P1000813

Flamingo’s in Campo Maria Reserve. Paraguay.

Campo Maria Reserve. Paraguay

Campo Maria Reserve. Paraguay


2. Chillen in Concepcion

 

Op de heetste momenten tijdens de namiddag is het siësta in Concepcion. Mensen zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, terere uitwisselend, krantje lezen, oma met krulspelden in het haar. Er rijden nauwelijks auto’s, brommers snorren voorbij, fietsen klingelen en paardenkarren rammelen. Een schriel paard lummelt op zijn dooie akkertje door de straten, kippen scharrelen in het rond en twee flikken liggen te soezen voor de ingang van de bank. In Heladeria Amistad eten locals een ijsje. Heel af en toe doorbreekt een pick up de rust met de typische Cumbia muziek richting strand. Want ja, er is nog een gezellig strandje aan de Rio Paraguay. Vrouwen staan met al hun kleren aan in het water, terere in de ene hand en spartelende jonge ukkies in de andere. Een man leurt met chipas, een calorieatoombom samengesteld uit maïs, maniokbloem, kaas, eieren en varkensvet. Een compilatie van de plaatselijke knuffelrock schalt uit een eigenhandig gebricoleerde disco. Plaatseliijke Ronaldo’s trappen een balletje. Wat een leuk en ontspannen familiesfeertje.

 

P1010125

De kerk van Concepcion, vlak voor een tropische regenbui.

P1010116c

Straatbeeld in Concepcion. Paraguay.

P1010107c

Verkoper van chipa’s. Strandje van Concepcion. Paraguay.

P1010116a

Straatbeeld in Concepcion. Paraguay.

P1010106

Strandcultuur in Concepcion. Paraguay.


3. Verblijf in Estancia Iparoma

 

Marylin is de eigenaar van Estancia Iparoma, een ranch op een paar kilometer buiten de Mennonietenstad van Filadelfia. In de namiddag luieren we in de hangmat. We eten met haar man en nichtje. Wanneer het heetste van de dag voorbij is, voert ze ons met haar jeep rond over haar ranch. Ze heeft 1000 runderen op enorme lappen weiden. Haar ranch herbergt een diversiteit aan fauna en flora. Op een uurtje tijd zagen we twee uilen, drie struisvogels, bonte parkieten, grote aalscholvers, ibissen met een geel hoofd, een reiger met een blauw hoofd en een rode snavel en een specht. Achteraan haar ranch ligt er in een bosje een poel waar regelmatig tapirs op bezoek komen. “A ja, is dat interessant?”, vraagt ze verwonderd. Ik vertel haar dat gidsen er zich voor 100 dollar per dag in het Amazonewoud en de Braziliaanse Pantanal een punthoofd naar zoeken. Marylin kijkt verbaasd. Heerlijk ontoeristisch nog, Paraguay.

 

P1000759

Een uiltje op de ranch van Iparoma. Filadelfia. Paraguay.

P1000777

Een rhea kijkt op. Iparoma Ranch. Filadelfia. Paraguay.


5. Bezoek Filadelfia en omgeving

 

Na acht uur rijden rammelt onze bus Filadelfia binnen, één lange geasfalteerde laan, met vier rijstroken, en stoffige zandwegen die uitlopen op deze centrale laan, avenida Hindenburg geheten, naar de Duitse veldmaarschalk tijdens de eerste wereldoorlog. Centraal in Filadelfia is er een melkproductenfabriek van de plaatselijke Mennonieten kolonie Fernheim, hier en daar een huisje en een koloniaal aandoend gebouwtje met tuin er rond, wat achteraf het museum van de kolonie Fernheim blijkt. De onmiddellijke omgeving rond Filadelfia is de moeite. We verzeilen in een dierentuin in de tuin van een hotel, met hokken waartussen de wasdraden met witte was hingen te drogen. De dieren blijken na een storm verdronken, op uitzondering van 4 poema’s. We rijden over het erf van een Paraguayaans boerengezin en bezoeken één van de vele mennonietenranches. We hobbelen over zandwegen en aanschouwen de wonderen van de Chaco: vol met vogels, ruige natuur, bloeiende cactussen, meertjes, eindeloze savanne, blauwe einder en lange witte slierten wolken.

 

P1000800

Een tuiuiu in de omgeving van Filadelfia.

P1000778

Twee jonge poemaatjes in de “zoo” van Lomo Plata. Paraguay.

P1000867

Het Museum van Filadelfia. Paraguay.

P1000802


6. Chillen in Pilar

 

“Auténtica Perla del Sur” en “Capital de la Cordialidad Paraguaya”: dit is Pilar, een stadje in het Zuidwesten van Paraguay. De straten zijn er omzoomd met netjes geschoren buxussen, ficussen, bloemen en mangobomen. Schilderingen van lokale fauna en flora, van de schepping van de wereld en episodes van Paraguay’s ongenadige oorlogen sieren muren. Standbeelden van schildpadden, papegaaien en reigers fleuren pleinen op. Veel huizen zijn versleten, verf bladdert af, maar ze zijn kleurrijk en hebben stijl. Oude gebouwen als het museum, de bank en de basiliek zouden gerust toeristische trekpleisters kunnen zijn. Het stadje ligt aan het knooppunt van de rivieren “Paraguay” en “Paraná”. Een wirwar van vele kleine stroompjes, riviertjes en beken. We lopen langs het moeras van Neembucu, de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-de-Maagd-van-Pilar weerspiegelt zich in het water. Inwoners varen in kleine houten schuitjes en vissen. Witte reigers doen hetzelfde maar dan efficiënter. Een mooie granieten promenade van anderhalve kilometer lang is in opbouw, met sierlijk meubilair in hout en metaal. Op de heetste momenten tijdens de namiddag gaan Pilar en zijn sympathieke inwoners slapen. Later komen mensen weer naar buiten: ze zitten op een stoeltje voor hun winkeltjes, ze wisselen terere uit, ze lezen de krant, oma’s keuvelen. Auto’s zijn eerder zeldzaam. In de straten snorren vooral brommers rond, en er rinkelen fietsen, en af en toe kraakt een paardenkar voorbij. ’s Avonds zit de jeugd op een bankje te doen wat de jeugd doorgaans doet: drinken, roken, kijken naar anderen, luisteren naar muziek, flirten, kussen, niksen, vervelen.

 

P1000869

Kathedraal van Pilar. Paraguay.

P1000873

7. Taguas zien en ruiken

 

Dat de Paraguayaanse Chaco heel lang een godvergeten gat is geweest, bewijst de geschiedenis van de tagua. Tot 1970 ging men ervan uit dat het beest tienduizenden jaren geleden de pijp aan maarten had gegeven. Tijdens een zoektocht naar fossielen halverwege de jaren zeventig keken verbaasde wetenschappers plots een echte tagua in de ogen. De tagua is zo één van de weinige grote zoogdieren die pas “ontdekt” zijn geworden in de 20ste eeuw. De tagua is een everzwijn met een grijs-bruine pels en een witte collier om de hals en belachelijk smalle pootjes in verhouding tot het lichaam. Grappig zijn de haren van gemiddeld 20 cm die rechtstaan in de nek. De tagua komt alleen voor in de Chaco. Grootschalige veeteelt, stroperij en een gebrek aan overheidsbeleid brachten de soort aan de rand van totale uitroeiing. Mennonieten, die mee aan de basis liggen de grootschalige veeteelt, lieten ook hun goed hart zien en hebben na de ontdekking van de tagua een reservaat voor die beesten opgezet, met fondsen van de San Diego zoo in California. Ik sta in dit reservaat te kijken naar drie taguas die in een halve cirkel naast elkaar afgrijselijke stinkscheten in de atmosfeer blazen. Het is hun natuurlijk verdedigingsmiddel tegen vijanden en homo sapiens is daarbij vijand nummer 1.

 

P1000857

8. Wandelen in Parque Cerro Cora

 

Parque Cerro Corra is een mengeling van ontoegankelijk droog tropisch woud en savanne. De staat beschermt het park al enige decennia, als één van de zeldzame vrijhavens voor de natuur in een land waar ontbossing dramatische vormen heeft aangenomen. Paadjes moet je zelf uitzoeken en brengen de wat benauwde toerist op desolate en vervallen kampplaatsen met graffiti op de muren. Hier en daar rijst een monument op uit het landschap, waaronder de herdenkingsplaats voor één van de grootste gekken uit de Paraguayaanse politieke geschiedenis: Francisco Solano Lopez. Op het grondgebied van het huidige park eindigde één van de meest bloedige oorlogen die Latijns-Amerika heeft gekend: “La Guerra de la Triple Allianza”, verwijzend naar de oorlog van Paraguay tegen een monsterverbond van Brazilië, Argentinië en Uruguay in de jaren 1880. Desondanks was de omgeving van het park mooi en vol van leven. We zagen 24 uur mieren, hard werkende parasolmieren, een grappige wandelende tak, vuurwantsen en een vunzige duizendpoot, een schuw gordeldiertje en een harige vogelspin en vogels om een dozijn ornithologen in delirium te brengen. En dat alles in een heuvelachtig groen landschap met rode wegen!

 

Klein Gorderldier. Parque Cerro Cora. Paraguay.

Klein Gorderldier. Parque Cerro Cora. Paraguay.

P1010155c P1010190 P1010205c

9. Struinen in de hoofdstad Asuncion

 

Het Pantheon steekt in al zijn stralende witheid sterk af tegen de andere gebouwen van Asuncion. Het lijkt symbolisch voor een verheerlijkt verleden om de aandacht van het heden af te wenden. Troosteloze gebinten van onafgewerkte woonblokken staan her en der verspreid, koloniale huizen liggen in verval. Kantoorgebouwen zijn zo grijs als het weer op een druilerige herfstdag in België. En toch heeft Asuncion zijn charmes. Je bent vrij om te doen wat je wil. Er zijn geen Lonely Planet’s of Rough Guides die je zeggen wat je moet gezien hebben, geen brochures met hoogtepunten, geen plattegronden. In Asuncion krijgt een mens de gelegenheid echt kennis te maken met het dagelijkse en gewone leven in een stad, omdat hij nu eenmaal niet van de ene attractie naar de andere wordt gezogen. Van andere steden weet je al wat er te zien en te beleven is. Her en der staat nog wat koloniale architectuur recht, en er zijn ook een paar gezellige groene plazas. De keuken is opvallend multicultureel in Asuncion: eenvoudig lokaal Paraguayaans, Koreaans, Chinees, Italiaans en Libanees. Een aanrader is Confiteria Bolsi, een van de jaren zestig daterend Paraguayaans restaurant.

 

Asuncion tijdens de Kerstdagen

Asuncion tijdens de Kerstdagen

P1000402

10. Loop door de landerijen van Arroyos y Esteros

 

“Schorren en kreken” luidt de vertaling van Arroyos y Esteros. De streek is ook bekend als “de parel van de Cordilleras”, een allusie op feit dat regio heel groen is. Dit is een belangrijke agrarische regio: rijst, tabak en katoen. Maar hét sterproduct is biologische suiker. De Belgische NGO Oxfam Wereldwinkels haalt hier zijn biologische Fair Trade suiker vandaan. Arroyos y Esteros ligt op 66 km van Asuncion en heeft een bevolking van 20.000 zielen. Er zijn overal authentieke boerderijtjes en Arroyos zelf is een parel van een dorpje met een pittoresk pleintje, kleine kleurrijke huisjes en sympathieke mensen die tijdens de siesta nippen aan hun onafscheidelijke terere. Zoals in Pilar en Concepcion draait het leven in Arroyos nog op het ritme van paard en kar.

 

P1000190

Meer over Paraguay? Zie ook mijn andere blogartikels op Reizenginderachter.com:

 

– Parque Nacional Cerro Cora: één van Paraguay’s natuurschatten

 

– Pilar: de authentieke parel van het Zuiden

 

– Kerstdagen in Asuncion

 

– Concepcion

 

– Verhalen uit de Chaco: tagua’s, leeuwen en ratelslagen

4 tips voor een toffe citytrip in… Kinshasa!

Geplaatst op maart 26, 2015

Kinshasa komt weinig positief in het nieuws. En er zijn inderdaad heel wat redenen om Kinshasa te zien als een plek waar je beter niet geboren wordt. Maar Kinshasa is een stad die ook bruist, zingt en danst. Vandaag wil ik Kinshasa laten zien door een roze bril, en ik geef vier tips aan avontuurlijke reizigers die eens echt van het gebaande pas af willen wijken.


Tip 1: Aanschouw hoe Kinois(es) leven en werken

 

Zet je op een plastiekstoel in de Cité, leun achterover tegen een muur, handen in de nek en aanschouw de kleurrijke chaos, het hectische ritme van Kin. En stel dan jouw ogen scherp op de individuele mensen, hoe ze hun plan trekken, welke veerkracht al deze mensen hebben in een megalopolis die weinig vriendelijk is voor hen. Tientallen jongens gooien pakjes papieren zakdoekjes van de Colruyt. Anderen leuren met sigaretten die ze per stuk verkopen, aanstekers, tandenstokers, tandpasta, body lotion, koekjes, zeepjes, balpennen. Sommigen hebben een plastiek emmer met kevertjes en pili pili die ze met een pollepel op de tafel kwakken als snack bij het pintje. Vrouwen lopen met potten op hun hoofd met kolen, bananen en mango’s of zitten daarmee langs de kant van de straat. Bandenherstellers morrelen aan autobanden, mecaniciens vijzen schroot in en uit elkaar, kappers vlechten vals haar door echt. In de straten brengen jongeren landkaarten van Congo aan de man, en plastiek kerstbomen, USB-kabels van Chinese makelij, jonge hondjes, schilderijen met een Vlaams landschap. Ik nestel mij gerieflijk in de zetel van JoJo Coiffure in Bandal, waar men al in geen dagen elektriciteit meer heeft gezien. Het is een va-et-vient van een kauwgomballenverkoper, een knokig vrouwtje met mango’s, een nagelverzorger, een dame die die haarextensies verkoopt voor de deur van de Coiffure. En hoe kleurrijk is alles toch!

 

DSC00269 DSC00264 DSC00569

20141223_153319

20141223_162235

 

Tip 2: Ga je ontspannen aan de “Fleuve”

 

De “Fleuve” (stroom) staat voor de Congorivier, die langs Kinshasa raast. Aan haar oevers komen mensen om zich te ontspannen. En men vindt er een tikkeltje Congolees surrealisme. Neem “Safari Beach”, waar de autobestuurder aan de ingang verwelkomd wordt met een romantische ondergaande zon, papegaaien, palmbomen, een cocktail, bloemen. Het is een luxe oord met zwembad, aangeplante palmbomen, valse bomen en planten, kitscherige kerstverlichting, fonteintjes, twee speedboten, een Go-car. Niet ver van Safari Beach is er “de Tuin van Eden”, een oase van rust met speeltuigen voor kinderen (zeldzaam in Kinshasa!), mogelijkheden om bootje te varen, om een pikante liboke te eten en zoals altijd aan een plastiek tafeltje pinten achter de huig te slaan. Helemaal aan de andere kant van de stad zijn er keien- en zandstrandjes. De plek “Chez Tintin” bijvoorbeeld, die ligt aan een plek met stroomversnellingen van de Fleuve. Families vissen, doen de was, eten en drinken tot de nacht valt. Mensen die op hun paasbest komen paraderen op het strand. Maar je kan ook “informeel” langs de fleuve vertoeven. Iemand komt dan aandraven met plastieken stoelen en een frigobox met pinten. Een minuut later verschijnt er ook een fotograaf met een goede oude polaroid, waaruit de foto direct naar buiten rolt. Nostalgie.

 

DSC00183

Strand van “Chez Tintin”, Kinshasa

DSC00182

Straatjochie kijkt voor zich uit op het strand van “Chez Tintin”

DSC00176

Jongeren komen zwemmen in de Fleuve. Strand van “Chez Tintin”, Kinshasa

DSC00174

Een Kinoise doet haar was in de Fleuve. Strand van “Chez Tintin”, Kinshasa.

DSC00257

Een paneel belooft veel goeds van een “resort” aan de Fleuve, Kinshasa

Jardin d'Eden

Jardin d’Eden


 

Tip 3: Laat je verleiden door “Kin la sorteuse”

 

Kinshasa is bekend om zijn nachtleven. Als de schemer langzaam valt ontbindt Kinshasa – “la ville où on ne dort jamais” – haar duivels. “Kin la Sorteuse”, de koningin van het nachtleven, omarmt dan massa’s Congolezen, aangetrokken door muziek, dans, drank en eten. Ik doe terrasjes in de “hete” wijken van Bon-Marché en Bandal. Sloten Skol, Primus en Nkoyi vloeien, in flessen van 72 cl. De Congolese industrie mag dan al in grote crisis zijn, dat is wel anders voor de grote brouwerijen. Ndombolo, soukous, rumba lingala en kwassa kwassa vibreren door de stoffige straten. TV’s zenden voetbal uitl. Barbecues hullen de straten in rook. De chayeurs, de kleine verkopers leuren met hun waren. Pakje zakdoekjes? Brochetje met sprinkhaan? Kevertjes met pili pili? Balschoenen van voor 5 dollar? Sjacoche van Louis Vuitton? Marchanderen, drinken, dansen, eten, versieren, paraderen, voetbal. Kinshasa leeft, en de terrassen zijn de spil. Naast terrassen kan er ook gedanst worden: tijdens optreden in openluchtbars als Le Grand Libulu en The Tree Bar of op stoffige markten en pleinen in de volkswijken of in de ontelbare “boites de nuits” – de dancings – van Congo’s hoofdstad.

 

 


 

Tip 4: Kijk in de ogen van de Bonobo

 

Hij is in de herfst van zijn leven, haren zijn gevallen, nog slechts een paar plukken rusten onzeker op zijn kruin. De jaren hebben rimpels uit zijn voorhoofd gegraven, en rond zijn neus. Hij is een oude bompa met behoorlijk wat jaren op de teller. Hij kijkt met zijn ogen in die van iemand die verwant is aan hemzelf, die ouder is in jaren en toch in de fleur van zijn leven. Van iemand die zich zorgen maakt over de allereerste grijze haartjes die priemen uit een donkere bos haar, van iemand met dezelfde rimpels als hem. Hij is zo… menselijk. Maar hij is geen mens, wel heel nauw verwant aan de mens, we hebben een gemeenschappelijke voorouder. We zijn in zekere zin familie. En hij kijkt nu in de ogen van een mens, en die mens ben ik. Die blik alleen al, van bonobo tot mens en van mens tot bonobo, maakt een bezoek aan het “Lola ya Bonobo” (“het Paradijs van de Bonobo’s”) tot een mooie belevenis. Het Lola ya Bonobo is een reservaat voor Bonobo’s, opgericht in 1996 door een Belgische, Claudine André, die zich het lot aantrok van deze bedreigde en aan Congo endemische grote aap. Ze redt bonobo’s uit handen van verkopers, van markten, en doet aan bewustmaking. In het bos leven een aantal groepen, ze zien met een zestigtal. Ze zijn in veel opzichten heel menselijk. Kleintjes zonder ouders verblijven bij een menselijke mama, ze kunnen niet zonder die aandacht. Er zijn vier mama’s: Maman Henriette, maman Espérance, maman Micheline en Maman Yvonne. Een vrouw zit in een kooi, ze zit in een houten stoel, drie kleine bonobo’s zitten rond haar.

 

DSC00339 DSC00324

Met Mira en Choupette in Bas Congo

Geplaatst op maart 18, 2015

Als Congo een grote ballon is, dan is de provincie Bas Congo het ventiel: de enige provincie met toegang tot de de Atlantische Oceaan. In januari 2015 reisde ik per 4×4 tien dagen door deze provincie, samen met Mira en Choupette. Ik ontdekte er veel toeristisch potentieel, van oude koloniale gebouwen en monumenten over maagdelijke stranden en watervallen in smaragdgroene wouden. Ik zet negen van mijn persoonlijke ontdekkingen op een rijtje, maar er zijn er nog veel meer.

Bron: Wikipedia

Bas Congo in het rood gemarkeerd. Bron: Wikipedia.

 


1. Hotel Metropole (Matadi)

 

Het oudste hotel van de chaotische havenstad Matadi, ooit het mooiste van Congo. Maar Hotel Metropole is niet meer. Een verlaten receptieruimte, de toog in spiegelglas zonder receptionniste, de bakjes zonder sleutels, de gele postbus zonder brieven, de ruimte zonder geluid. Een paar gedempte zonnestralen priemen door de leegte. Het stof blijft liggen op de vloer, onaangeroerd want er is geen beweging. Mira en ik lopen de krakende trap op, vijf verdiepingen hoog. De kamers, de gangen, de nummers, de liften: ze dienen tot niks meer. Op de bovenste verdieping bevindt zich het restaurant, met een podium waarop een orkest het publiek vermaakte. Het restaurant geeft een panorama op de Congorivier, op de haven van Matadi en de befaamde “Mobutu brug”, de “Golden Gate Bridge” van Congo. Ver onder ons het kabaal van Congo. Geroezemoes en toeters stijgen op, maar ze zijn slechts achtergrond bij de symfonie van de stilte die gespeeld wordt op de zevende verdieping van het ooit zo vermaarde Hotel Metropole.

 

Hotel Métropole, vergane koloniale glorie

Hotel Métropole, vergane koloniale glorie

DSC00613

 


2. Het strand van Tonde (Muanda)

 

In Muanda rolt de Atlantische oceaan zacht het strand op, het water is warm, het zand wit en zacht, de palmbomen wuiven, kleine krabbetjes trippelen hun holletjes in, ’s avonds zakt een rode zon onder in een grijze en gele einder. “Plage Tonde” is een strand dat moeiteloos met de Carraïbische stranden uit de reisbrochures kan concurreren, maar dan maagdelijker, zonder all in resorts of een gordel beton. Plastieken tafeltjes en stoeltjes staan schots en scheef in het zand. ’s Avonds dreunen de Congolese ritmes uit de boksen. Heupen wiegen, billen schudden, borsten draaien, monden drinken, lippen kussen. Een vrouw verkoopt verse gamba’s met chikwanga. Een “beach resort” is Muanda echter niet. Ik zoek gedurende twee uur in de stad naar zonnecrème. Niemand in Muanda dat er al van gehoord heeft, incluis de apotheken. Wanneer Mira haar badpak vergeet in Muanda zullen we later in heel Bas-Congo, incluis grote steden als Matadi en Boma, geen badpak of zwembroek vinden.

 

Plage de Tonde, een paradijselijk strand aan de Atlantische Oceaan

Plage de Tonde, een paradijselijk strand aan de Atlantische Oceaan

DSC00678 DSC00698

3. Het vissersdorpje van Nsiamfuma

 

We rijden van Muanda naar Nsiamfuma, een klein vissersgehucht op een half uur rijden van Muanda. Rijden langs deze weg is reizen door het koloniaal verleden: vele mooie koloniale gebouwen verkommeren. Sommigen zijn overgenomen door Congolezen die onderhoud van een huis minder belangrijk vinden. Ook Mira vindt dat je met geld betere dingen kunt doen dan een huis onderhouden. Kan ik haar tegenspreken? Neen, in een land waar je geld bijeen moet schrapen om de kinderen eten te geven, ga je geen dollars steken in het repareren van een deur of het verven van een muur. Andere koloniale gebouwen worden opgeslorpt door moeder natuur: wortels van bomen wurmen vloeren op, onkruid schiet uit de muren, vogels maken er hun nest. Tussen de hoge grassen staart een standbeeld van een arbeider de leegte in. In Nsiamfuma zelf hangt een scherpe viswalm. Duizenden vissen liggen te drogen op houten tafels onder de zon. We stoppen aan “Camping Sion”. Er is geen kat. Er staan kermisattracties, een podium. Een terrasje geeft uitzicht op het strand en de oceaan. De gerant opent een hek, we kunnen het maagdelijke stand op. Vissers halen hun netten binnen. Paradijselijk. De camping is ondersteund door een NGO. Hamvraag: komen er hier ooit wel eens toeristen langs.

 

Vergane koloniale glorie, vlak voor het binnenrijden van het vissersdorpje Nsiamfuma

Vergane koloniale glorie, vlak voor het binnenrijden van het vissersdorpje Nsiamfuma

DSC00774

Vergane koloniale glorie op de weg tussen Nsiamfuma en Muanda

 


4. Pointe Banana et de “embauchure”

 

Ten Zuiden van Muanda ligt Pointe Banana, vooral bekend om de “embauchure”, de plek waar de enorme watermassa van de Congorivier zich in de Atlantische Oceaan stort. De plek waar de Portugees Diago Cao voor de eerste maal Congo ontdekte, de plek waarlangs Stanley en later vele Belgen Congo binnen kwamen, de enige weg. We rijden langs een weg. Links van ons de Oceaan, rechts van ons mangrovebossen en moerassen. In het beschermde gebied leven veel vogelsoorten en grote zoogdieren zoals nijlpaarden en antilopen. De bedreigde zeekoe is hier de grootste attractie. Links en rechts staan koloniale huizen, vervallen en bewoond door verpauperde Congolezen. Roestige schepen liggen gezonken in de Congo rivier. Een verweesd kanon staat met de loop het gericht op de monding van de Congo. Getuigen van het koloniaal verleden. Mira koopt goedkope gepekelde vis om mee te nemen naar Kinshasa.

 

De embauchure

De embauchure

 


5. Hotel Mangrove (Muanda)

 

De gerant vertelt dat het hotel van oorsprong Belgisch is, en dateert van de tijd dat Congo nog Belgisch was. 600 kamers, 25 villa’s: hotel Mangrove was ooit één en al glorie. Maar het hotel is het slachtoffer van zijn geografische ligging: in Congo, en bovendien gelegen aan het kleine stukje kust dat Congo toegang verschaft tot de Atlantische Oceaan. En gelegen naast een militaire kazerne. In het tumult van de opstand tegen Mobutu roofden die militairen het hotel leeg. De Belgen pakten voor goed hun biezen. Later maakte het hotel deel uit van de kazerne. De militairen waren geen goede gasten: ramen en deuren ontmanteld, muren beklad, tegels vernield, alles wat los zat meegejat. Maar ze hebben het hotel haar waardigheid niet volledig gesloopt. Na wat protest door een bezorgde Mira baan ik mij een weg door hoog opgeschoten gras en onkruid. De tegels kraken onder mijn voeten. De muren zijn intact, de steunbalken, het dak. Op de muren van het toilet staat een grote graffiti, wellicht gemaakt door de militairen die hier jaren huisden : « Je vivrait, je ne mourrait pas parce que le seigneur va me sauver mon âme au séjour de ma mort » Ik loop door het hotel tot het terras aan de achterkant. Daar zie ik iets blauw tussen het hoge gras, het zwembad, met zicht op de Atlantische Oceaan en palmbomen. Op de bovenverdieping piep ik binnen in een aantal kamers met zicht op de oceaan. Een trap leidde vroeger rechtstreeks van het hotel naar het strand.

 

Hotel Mangrove

Hotel Mangrove

DSC00721

Hoofdgebouw van Hotel Mangrove

DSC00671

Vanuit de voormalige tuin van Hotel Mangrove

 


6. Mbuela Lodge (Kisantu)

 

Een standbeeld van de Maagd Maria verwelkomt de bezoeker. Er racen kinderen voorbij op een door een motor aangedreven fiets. Onder platanen met rode en blauwe lampionnen spelen gasten minigolf. Wat verder staat een levensgroot schaakbord in de tuin. Een bijzonder mooi zwembad met panoramisch zicht op de omringende groene heuvels. Groenten en fruit zijn zelf biologisch en komen van het eigen erf, net zoals het vlees (waaronder struisvogels). De plaats is luxueus, maar op zijn Congolees: golfkarren zonder golfterrein, een flatscreen TV die niet werkt, een IPod dock zonder Ipod, een douche zonder warm water, een frigo zonder iets. Maar desondanks een grote aanrader, voor de rust, de stilte, de gezelligheid. De ultieme ontspanning voor de mens die dagelijks Kinshasa trotseert. Choupette springt in het zwembad, Mira rijdt rond met de golfkar.

 

DSC00022

Het zwembad van Mbuela Lodge

DSC00800

 

 


7. De Botanische tuin van Kisantu

 

De botanische tuin van Kisantu is een domein met 12 kilometer wandelpaden. De Belgische jezuïet Gillet richtte de tuin op in 1901. In het park ligt er een vijver met een hoogbejaarde krokodil waarvan de leeftijd, al naargelang wie je spreekt, varieert van 70 tot 200 jaar. Naar verluidt zouden er ook een gorilla en een python geleefd hebben, die zijn nu niet meer terug te vinden. Tussen 2004 en 2008 werd de tuin van Kisantu volledig gerenoveerd, dankzij de steun van de Europese Unie en de Nationale Plantentuin van België. De collectie telt meer dan 3000 lokale en geïntroduceerde soorten. Het herbarium is een van de rijkste en oudste van Congo. Ook het arboretum, het nieuwe orchideeënpaviljoen, de serre met cactussen, de collectie waterplanten zijn de moeite waard.

 

DSC00062

De hoogbejaarde krokodil van de Botanische tuin van Kisantu

 


8. Les chutes de Vampa (Kimpese)

 

Toeristen kunnen hun bagage afgooien in een centrum van de Protestantse kerk, CRAFOD. Vandaar uit is het anderhalf uur stappen naar de watervallen van Vampa, die te vinden zijn in een stuk smaragdgroen woud. De zon perst liters zweet uit mijn poriën. Metershoge gewassen prikken in mijn blote armen en gezicht. Na een uur staan we aan een brug, of beter gezegd: ijzeren draden waarop takken zijn gelegd. We lopen door een sprookjesachtig mangosteenbos. Daarna is het klauteren en kruipen over rotsen om de watervallen te bereiken en groene lagunes.’s Avonds lopen we door pikkedonkere dorpjes terug. Een duister schimmenspel, onderbroken door het licht van gele lokken vuur en witte rijen tandjes en pretoogjes van de kindjes. Ze stormen als een kudde schapen uit elkaar. Achter ons sluit een rood-oranje horizon als een kleurrijk theaterdoek de dag af.

 

DSC00052

Het sprookjesachtige Mangosteenbos op weg naar de watervallen van Vampa

DSC00029

Op weg naar de watervallen van Vampa

Er zijn wel enkele obstakels op weg naar de watervallen van Vampa

Er zijn wel enkele obstakels op weg naar de watervallen van Vampa

 


9. Mbanza Ngungu

 

Mbanza-Ngungu is gebouwd door de Belgen eind 19de eeuw. Het groeide en bloeide dankzij de eerste spoorlijn in Congo. Een titanenwerk waaraan negen jaar gewerkt is, en waaraan tweeduizend mensen zich letterlijk doodgewerkt hebben. We zien de roestige treinstellen en oude koloniale woningen. Op de markt springen lege rekken in het oog. Vlees is er nauwelijks te ratten. Een gevilde koeienkop kijkt schaapachtig van op een houten tafel. Wel aanwezig is zwart gerookte vis. In de modder tussen vuilhopen staan advocaten in smetteloze zwarte toga en zwarte lakschoenen die schitteren als de poolster op een heldere avond in de Sahara. Bijzonder, Mbanza Ngungu.

 

Markt, Mbanza Ngungu

Een vrouwtje verkoopt broden op de markt van Mbanza Ngungu

Een zondagavond met Papa Wemba

Geplaatst op maart 12, 2015

De zondagavond is zwoel. Op ons tafeltje staan twee Nkoyi’s, mijn geprefereerd lokaal bier, al is het maar omwille van het prachtige etiket dat een luipaard afbeeldt. Een paar tientallen mensen kijken naar een Congolese muziekband, onder hen Mira en ik. Maar zij en wij komen niet zozeer voor de muziekband, maar wel voor hun leider, de enige echte legendarische Congolese zanger Papa Wemba. Hij geeft een optreden hier in The Tree Bar in Kinshasa. Een buitenkans, want Papa Wemba is een Congolese superster, de Koning van de Congolese Rumba of Soukous, bekend in heel Afrika, maar zeker ook erbuiten. De man begon zijn carrière in het voormalige Zaïre van de jaren zestig. Later toerde hij de wereld rond en heeft op podia gestaan in alle Europese steden, incluis de AB in Brussel. Hij speelde zelfs voor 120.000 mensen in het Stade des Martyrs in Kinshasa. En hier slentert hij rond om 23:00 ‘s avonds op zijn dooie akkertje binnen met zijn lijfwacht, in een doodgewone bar in een doodgewone wijk van DRC’s bruisende hoofdstad. Ik ben in mijn nopjes. Het is papa Wemba die mij eerst in contact bracht met “Wereldmuziek”, het vrolijke liedje Yolele.

 

Papa Wemba speelde een belangrijke rol in de popularising van wereldmuziek in onze contreien. Hij verstond de kunst om Congolese rumba te vermengen met Westerse popmuziek en zo de brug te leggen naar het Westerse doelpubliek. Ik zag hem de eerste maal op Couleur Café in Brussel vele jaren geleden, onder de indruk van zijn zo karakteristieke hoge tenorstem, geen enkele andere stem klinkt zoals die van Papa Wemba. Wat later komt een oudere man binnen met een zwarte hoed met pluimen, een grote zonnebril, een rood lint rond de buik, een pitteleer en een enorme sigaar in de mond. Hoe later de avond hoe zotter de mensen. Een lenige jonge gast danst, een rode muts op zijn hoofd, een lange rode sjaal en verder streepjesbroek, streepjeskousen en streepjesmouwen. Een andere jongeling draagt een hoed in gouden glitters, ketting rond de hals, een modieuze debardeur. Papa Wemba zelf is volledig in het wit, een modieuze polo met “Germany” op, witte short tot net over de knie, witte schoenen. De eerste noten van Papa Wemba drijven de temperatuur onmiddellijk richting tropisch. Een groep meisjes komt naar voren, achterwerk achteruit. Billen schudden zoals ze nergens anders ter wereld schudden. Papa Wemba ziet dat het goed is. En ik film:

 

 

Maar vanwaar die excentrieke figuren? Ik las erover in het boek over Congo van David Van Reybroeck. Papa Wemba is « le Pape de la Sape » (de paus van de Sape), de leider van de “Sapeur” beweging in Congo, letterlijk de « Société des Ambianceurs et des Personnes d’Elégance » (De vereniging van Ambiancemakers en Elegante Personen). Je moet in Congo zijn om daar op te komen. De beweging werd in Congo vooral gedreven door Congolese muziekbands die in Europa furore maakten, en daarna terugkeerden, fier gehuld in dure merkkledij die ze kochten in Parijs of op de Louizalaan in Brussel. En ze maakten er hun eigen stijl van. Hun voorbeeld kreeg navolging bij hun arm maar talrijk publiek. De Sapeurs maakten een maatschappelijk statement door zich te hullen in nieuwe, protserige en opzichtige outfits. Maar het ging niet zozeer om plat materialisme. Hun materialisme was – zoals David Van Reybroek in zijn boek over Congo schrijft – sociale kritiek: “Het verbeeldde afkeer van de ellende en repressie die ze kenden, het stond hun toe te dromen van een Zaïre zonder zorgen”… “La Sape ging over succes, over zichtbaarheid, over opvallen en scoren”. Het waren coole jongens. Voor veel straatarme jongeren bood het een uitlaapklep, een droom op een beter bestaan. Maar het was ook een politiek statement. Tijdens de Mobutu periode was Westerse cultuur verboden, alles moest “authentiek Afrikaans” zijn. In die omstandigheden werd SAPE een jeugdcultus die de middenvinger opstak naar het Mobutisme en de kledingvoorschriften van de staat. Vandaag bestaan de sapeurs nog steeds, hier vanavond, maar eerder zagen we ze ook gewoon tijdens de week in het centrum van Kinshasa.

 

DSC00578

Drie “sapeurs” voor mijn hotel, gefotografeerd door Mira

 

Voor wie eens wil proeven van zijn muziek: een samenvattend filmpje van Papa Wemba’s laatste album:

 

Curieuze ontmoetingen in het Nyungwe woud (Rwanda)

Geplaatst op februari 6, 2015

Steil bergop gaat het. Ik zit van achter op een motoconcho. Mijn bijna lamme rechterarm ondersteunt 20 kilogram bagage. Mijn linkerhand klemt krampachtig het handvat vast. De motoconcho hoest en proest richting Nyungwe Hill Top View Hotel. Het bouwsel verloochent zijn naam niet: 12 chalets met zicht op het Kivumeer, op de glooiende heuvels met theeplantages én op het Nyungwe woud. Ik ben alweer moederziel alleen. Ik wandel van de receptie naar mijn chalet. Een Afrikaanse zwarte kuifarend kijkt mij van op korte afstand arrogant aan. Even later sta ik met mijn armen gekruist op het balkon van mijn terras. Er zijn mooie plekken en heel mooie plekken op onze aardbol. Deze plek hoort tot de tweede categorie. Slierten mist liggen als zijden sjaals over de theeplantages en de groene kruinen van het Nyungwe woud gedrapeerd. Even met het hoofd 90 graden draaien om het Kivumeer te zien, en de honderden gele vlammetjes van de lantaarns van de vissers die oplichten. Net als in Kibuye stimuleert dit panorama een gevoel van ruimte, stilte en alleen zijn. Die combinatie van gevoelens is zeldzaam voor een Westerse stadsmens en workaholic als ik. s’ Ochtends neem ik ontbijt op het dakterras. De koffie is slecht, het ontbijt bescheiden, het panorama verbluffend. De ultrasympathieke receptioniste Helen vraagt of de nacht niet te koud was. Maakt ze een grapje? Maar Helen is serieus: ik moet voorzorgen treffen, want de temperatuur zou de nacht erop slechts 20 graden bedragen. Ik leg haar uit dat we bij 20 graden in België nog altijd op een terrasje zitten. Ze is niet overtuigd. ’s Avonds lijkt mijn chalet een Finse blokhut: de open haard knettert en ik brand mij bijna aan drie hete waterkruiken in mijn bed.

Theeplantages en op de achtergrond het Nyungwe woud

Theeplantages en op de achtergrond het Nyungwe woud

Ik loop de Isumo trail, met mijn gids David, een relatief korte wandeling van gemiddelde moeilijkheidsgraad. Hij is bioloog en heeft les gegeven. Maar hij vond dat saai en gids betaalt – toch wel spijtig – veel beter als leraar. Wat is het van een mysterieuze schoonheid, dit honderdduizenden jaren oude woud. Een kluwen van bomen, lianen en planten. Een wildernis waar 13 apensoorten hun thuis hebben, meer dan 300 vogelsoorten en een ongeziene bloemenweelde waaronder 154 soorten orchideeën. Hier ontspringen de bronnen die de Nijl en de Congo voeden. Net als alle bossen en wouden kapte en brandde homo sapiens zich een weg door het groen. Maar al relatief vroeg, in de jaren ’80, is men Nyungwe gaan beschermen. Miljoenen mensen hangen immers van dit water af. Nyungwe Nziza is een project dat het toeristisch potentieel van het woud ontsluit. De filosofie is veelbelovend: betrekken van de lokale gemeenschappen zodat ze er zelf inkomsten uit kunnen halen en werk vinden. Zo hebben ze tenminste een aanmoediging om de biodiversiteit van het woud te behouden. De Amerikaanse ontwikkelingssamenwerking, USAID, zit hier mee achter. Mooi zo, het is eens iets anders dan investeringen in defensie, wapens of bedenkelijke economische maatregelen. Anderzijds denk ik dan: David was leraar, en is nu gids, wellicht omdat hij door Amerikaanse steun beter betaald wordt.

CIMG0135

Na 10 minuten wandelen stopt hij. Bladeren ritselen, takken zwiepen. Zwarte gezichtjes met witte bakkebaarden gapen me vanuit de bomen aan. Ze hebben een mantel van lange witte haren rond de schouders. Eén voor één komen ze de bomen uit. Ze buitelen, tuimelen, springen, rennen. Eén exemplaar daagt mij uit door een paar keer rakelings langs mijn benen te scheren. Wat zijn het speelvogels, deze Angolese franjeapen. Ze zijn met een veertigtal. De leider glijdt uit zijn boom en neemt de groep op sleeptouw. Ze verhuizen over een theeplantage naar een ander deel van het Nyungwe National Forest in Rwanda. En wij lopen mee. Zij kijken wat argwanend naar die grote filmende aap achter hen, ik naar die apen voor mij. Wat een ervaring. We lopen nu langs de theeplantages. Ik zuig de frisse lucht in mijn longen. In de verte zien we chimpansees slingeren in de bomen. We schuiven behoedzaam over het glibberige pad richting het woud. Een fel gele bloem leidt mijn aandacht af, waardoor mijn linkervoet vooruit slipt. Zo komt ik tot een prachtige spreidstand die mijn liezen op de proef stelt. Ik trek met enige moeite mijn linkervoet terug, sta recht, verlies opnieuw het evenwicht en knal met mijn zitvlak tegen de grond. Met pijnlijk staartbeentje, verrokken lies en slijkbroek word ik door het duistere, ruige regenwoud opgeslorpt. Om eerlijk te zijn ben ik geen fan van wandelen in regenwouden. Ik zie ze liever van op afstand. Ik krijg er steeds een lichte vorm van claustrofobie. De bomen staan dicht bij elkaar en ontnemen het zicht. Instinctief vrees ik deze groene hel: ik weet dat er giftige creaturen vliegen, kruipen, sluipen en dat er vuile parasieten schuilen. Ja maar zeggen de reisbrochures dan: die geweldige biodiversiteit, dat is een toeristische troef. Wel sorry, maar om van de biodiversiteit te kunnen genieten, moet je je af en toe wel eens concentreren en dat gaat nu juist moeilijk in de omgeving van een tropisch woud. De vochtigheid ontneemt de adem. De broeierige hitte perst liters zweet uit de poriën. Bovendien probeer je niet uit te glijden over de dikke lagen rottend humus of de sponzige mossen, waardoor je voortdurend naar de eigen voeten kijkt. En de kans om beesten te zien is nihil.

Angolese franje apen, Nyungwe woud

Angolese franje apen, Nyungwe woud

Maar elk regenwoud heeft prachtige verrassingen in petto. Na een uur of twee opent het bos zich en ontvouwt zich een natuurlijk groen amfitheater. In het midden dendert een waterval naar beneden. Het opspattende water zorgt voor een mistige sfeer. In het theater laten zich rode borstels van bloemen bewonderen en orchideeën, bromelia’s, begonia’s, palmbomen en eeuwenoude boomvarens. Lianen hangen als slingers in een kerstboom op en tussen de bomen. Diepe donkere spelonken herbergen duizenden vleermuizen. Een aanrader, Isumo Trail.

De genocide in Rwanda: het onverteerbare is nog lang niet verteerd

Geplaatst op februari 1, 2015

“Het lijden van de genocide, je zal dat doorgeven aan jouw kinderen. Het lijden zal niet snel verdwijnen. Je zal het meenemen van generatie naar generatie”. Het is een citaat van een medewerker van Simon Wiesenthal op een eerste conferentie over de genocide in Kigali in 1995 . Als ik bijna 20 jaar na die conferentie – februari 2014 – voor het werk voor de allereerste maal in Rwanda ben, kan ik dat alleen maar bevestigen. Geen dag gaat voorbij of je hoort wel een verwijzing naar deze gruwelijke gebeurtenis.

 

Het begint met de verplaatsing die ik maak vanuit Kigali naar een school. Bij het uitrijden van Rwanda’s hoofdstad passeren we een uitgestrekte vallei met moerassen. De chauffeur vertelt hoe mensen in de begindagen van de genocide naar deze moerassen gevlucht waren. Het waren de ouderen, de zwakkeren, de zieken, de ouders met kinderen: diegenen die niet konden ontsnappen in verderaf gelegen bossen en wouden. Zij kozen om zich te verschuilen tussen de lange stengels papyrus en in het water en de modder. Tijdens de razzia’s hielden ze zich onder water, met een rietje om te ademen. Kinderen moesten tot hun kin in de modder staan, verscholen tussen de bossen papyrus. Wie een kik zag de machetes flitsen, of dat nu baby’s, kinderen, moeders of bejaarden waren. Achteraf zie ik een filmpje op Youtube met het verhaal van één van de overlevenden van de moerassen: Angélique Mukamanzi. Ik word onpasselijk van de details van het moerasleven en de onmenselijkheid, de methodische moordmachine van de doders.

 

In Kibuye aan het Kivumeer – vandaag vredig, rustig, mooi – vertelt een man mij over de “Kibuye massacres”: de slachting van 20.000 mensen op een paar dagen tijd. Ik zie de Sint Jans kerk waar duizenden vluchtelingen dachten bescherming te vinden. Het mocht niet baten. Met goedkeuring van de lokale autoriteiten omsingelde een meute de Kerk. Nog een laatste gebed. Daarna werden alle vluchtelingen – naar verluidt op één na – door interahamwe milities, politie en gewapende burgers in het “huis van God” afgemaakt, met geweren, granaten, machetes en speren. Een slachting van ongewapende burgers, omdat ze tot een andere etnie behoorden, of omdat ze “heulden” met de andere etnie.

CIMG0164

Slachtoffertjes van de genocide. Rechts Antoine met zijn fiets.

Een Belgische vertelt mij hoe haar Rwandese vriendin vandaag nog steeds geen water uit een kraan kan horen lopen. Het doet haar denken aan het vruchtwater dat spoot uit opengesneden zwangere buiken van vrouwen. Een kennis van mij vertelt hoe zijn vrouw dagenlang rondzwierf op blote voeten, angstvallig wegen vermijdend, nadat ze haar eigen broer heeft zien afslachten met machetes. Mijn gids David vertelt in het Nyungwe woud spontaan dat tientallen mensen in penibele omstandigheden samen hebben geleefd met de vleermuizen in de donkere, vochtige grotten en spelonken van dit oerwoud. In Hôtel des Milles Collines krijg ik te horen dat dit het fameuze “Hotel Rwanda” is, waarover in 2004 ook een film gemaakt is. Hotel Rwanda vertelt het verhaal van Paul Rusesabagina, een Hutu, getrouwd met een Tutsi, en hotel manager die 1.268 Tutsi’s zou beschermd hebben tegen de razernij.

CIMG0161

De gorialla belt naar de wereld om die wereld aan de genocide te herinneren

Na al die anekdotes en kortverhalen besluit ik om mijn verblijf in Rwanda af te sluiten met een bezoek aan het Genocide Memoriaal in Kigali. Het initiatief komt van de Britse organisatie Aegis Trust, die zich toelegt op de bewustmaking en educatie rond genocides op wereldvlak. Het memoriaal is verrezen op deze plek, waar 250.000 genocideslachtoffers hun laatste rustplek hebben gevonden.

De genocide is niet één moord op mensen, het zijn honderdduizenden individuele moorden op evenveel individuen

De tuin rond het museum straalt sereniteit uit. Duizenden ongeïdentificeerde lijken liggen samen. De namen van diegenen die bekend zijn staan op muren gegrift. Er zijn tuintjes, die bol staan van symboliek. Heel mooi vind ik het standbeeldje van een gorilla met een GSM aan het oor. Hij belt naar de wereld, om die wereld te herinneren aan de gruwelen van de genocide. Even mooi vind ik de rozentuin, met rozen die alle individuele zielen symboliseren. De genocide is niet één moord op mensen, het zijn honderdduizenden individuele moorden op evenveel individuen, zoals elders in het museum te lezen staat. Iedere individuele moord geeft aanleiding tot onuitputbaar verdriet bij nabestaanden, familie, vrienden. Dat is ontegensprekelijk de sterkte van dit museum: de genocide krijgt vele individuele gezichten door middel van duizenden grote en kleine foto’s van slachtoffers, van families, van baby’s, kinderen, tieners, ouders, ouderen. Loop je al hoofdschuddend langs alle foto’s met afgebrande huizen, verminkte lijken en stapels schedels en beenderen, dan grijpt de “kinderkamer” pas echt naar de keel. Deze sectie van de tentoonstelling heet toepasselijk “Tomorrow lost” (de verloren toekomst). Ik slik, moet even vechten tegen tranen, mompel in mezelf: hoe is het in ’s godsnaam mogelijk? De gruwel krijgt het gezicht van lieve, vrolijke baby’s en kinderen. Levensgrote foto’s hangen van hen op, met een plakkaatje dat toelichting geeft bij hun veel te vroeg onderbroken leven.

 

Antoine bijvoorbeeld:
Leeftijd: zes
Lievelingsspeelgoed: zijn fiets
Lievelingsdrankje: Fanta;
Beste vriend: zijn zusje;
Doodsoorzaak: afgeslacht met de machete.

 

Over baby Uwase:
Leeftijd: twee
Lievelingsspeelgoed: pop;
Favoriete voedsel: frietjes en rijst;
Beste vriend: papa;
Doodsoorzaak: tegen een muur te pletter geslagen.

 

Met de keel dichtgeknepen passeer je zo van kind tot kind, je kruist hun ogen, je ziet hun lach. Die paar woorden op de plakkaatjes, in combinatie met de foto, zijn mokerslagen op het menselijk geweten en de gevoelens. Het zegt zoveel meer als die droge statistieken: van een half miljoen tot 1 miljoen doden op een paar maanden tijd: ongelofelijk erg, maar het zijn cijfers, waarmee we iedere dag via televisie, kranten en sociale media om de oren geslagen worden. Maar de ogen van Antoine en Uwase verbrijzelen statistiekjes en politieke discours. 6 en 2 waren ze. Kinderlijke onschuld, kleine, weke rietstengeltjes die priemden naar de zon. Plots stonden ze in de schaduw, ze zijn afgerukt, afgehouwen, verwelkt, verdwenen. Nooit hebben ze geweten wat hun beulen dreef. Mijn haar op mijn armen staat recht, een koudegolf trekt over mijn ruggengraat, ik word kwaad, maar er is niemand om tegen uit te vallen. Het museum herinnert aan de vele andere genocides van de 20ste eeuw: the killing fields in Cambodia, de holocaust tijdens Wereldoorlog II… En het ergste is dat de mensheid niet leert. Zullen onze achterkleinkinderen ooit hoofdschuddend door een sectie “genocides van de 21ste eeuw” lopen?

Kibuye aan de Kivu

Geplaatst op januari 25, 2015

Chillen in Rwiza lodge

 

Vroeger leerden we dat de hemel boven ons ligt, en de hel onder ons. Maar in realiteit is de hemel vaak ook een hel, en de hel soms hemel. Het Kivumeer en omgeving is zo’n plek. Aan Congolese kant is het al jaren – tot op de dag van vandaag – een hel. Maar in Rwiza Village Guest House aan Rwandese kant lijkt de Kivu terug het paradijs op aarde. Ik lig in mijn bed in een van de 9 kleine hutjes om 6 uur ‘s ochtends. Zonnestralen strelen zacht mijn hoofd. Ik takel mijn oogleden open, hijs mijn hoofd uit het donzige kussen en zie hoe het meer baadt in duizenden glinsteringen onder de ochtendzon. Gezang weergalmt over het rimpelloze water. De dappere vissers peddelen na een lange nacht arbeid met hun vangst terug naar de oever. De boten bestaan uit drie kano’s die aan elkaar geklonken zijn met houten staven en waartussen men netten heeft gespannen. Motoren gebruiken de vissers van het Kivumeer niet. Ik kruip uit mijn bed en plof in mijn ligstoel op het terrasje. Na een vermoeiende missie van twee weken word ik weer meester van mijn tijd. Ik word niet langer geleefd van uur tot uur door mijn agenda. Ik ben alleen, het ruimtegevoel is overweldigend, de stilte oorverdovend. Wat verschilt mijn leven toch van die van de vissers: de open ruimte is hun thuis, stilte hun metgezel, agenda’s onbestaande. De vissers hebben geen agenda nodig: de zon en het licht gidsen hen in wat ze doen. Bij zonsopgang varen ze naar de oever om vis te verkopen. Bij zonsondergang varen ze uit om vis te vangen. Een kleurrijke menigte dorpsbewoners met emmertjes verzamelt zich op de oevers. Een grenadierwever landt op mijn balkon. Ik zeg hallo aan dit feloranje vogeltje met zwarte borst. ’s Avonds, wanneer ik op mijn dooie eentje een reusachtige vleesbrochette verorber op het panoramische terras van Rwiza Village Guest House, verlaten de vissers de steigers opnieuw, de geel rode zonsondergang tegemoet. Ik ben zen als een monnik in een klooster.

 

John is de buitengewoon sympathieke receptionist van Rwiza Village Guest House. Hij vraagt of ik reclame kan maken via Facebook. Want de mensen komen niet uit schrik voor de genocide en de slechte berichtgeving rond het Kivumeer: oorlog, rebellen, kindsoldaten, verkrachtingen, “etnische” conflicten. Hij schudt het hoofd en zegt: “De genocide is 20 jaar geleden en sedertdien is het hier kalm en vredig”. Dat kan ik alleen maar bevestigen. Op een avond wandel ik over de weg van het centrum van Kibuye naar het enige kilometers verderop gelegen Guesthouse. De weg is een perfect onderhouden biljartvlak. De scholen zijn net uit. Joelende kinderen lopen achter me aan. Na een minuut of vijf ben ik verzwolgen in een enorme zwerm schoolkinderen. “Mzungu, mzungu” (blanke, blanke)! Ik lijk wel Sinterklaas, omstuwd door giechelende en gillende jongens en meisjes. Mama’s kijken geamuseerd. Eentje ervan zegt in het Frans: “Je maakt hen aan het lachen”. Ze knikt vriendelijk. John staat langs de kant van de weg, hij kijkt met een mengeling van verbazing en amusement wanneer hij mij te midden van een stoet naar het Guesthouse ziet trekken.

 

De omgeving van Kibuye: waar Rwanda niet zo nieuw is

 

Tijdens mijn anderhalve werkweek in Kigali sjeesde ik over asfaltwegen in kraakwitte terreinwagens van bureau naar bureau en van modelschool naar modelschool. Ik logeerde in een hotel met een suite dat dubbel zo groot is als mijn appartement thuis. Ik at steak met drie soorten roomsaus, Koninginnehapje met frietjes, Pizza Hawai en Dame Blanche in restaurant “The New Cactus” met spectaculair zicht over de stad. Ik dronk in het weekend Campari Orange in Hôtel des Mille Collines. Ik wandelde met gerust hart door residentiële straten met perfecte voetpaden en vol met bloemen en bomen, geen plastiekzak of papiertje op de grond. Een paar jaar geleden is Kigali nog uitgeroepen tot properste stad van het Afrikaanse continent. Ik vergaderde in een net onderhouden tuin naast het zwembad in de sportclub van Kigali, waar mensen onder palmbomen op hun IPads of GSM tokkelen. Grote panelen in het straatbeeld maken duidelijk dat corruptie niet getolereerd wordt en schadelijk is voor de gemeenschap. Wolkenkrabbers steken in de lucht, gevuld met banken en winkels. Kigali: de blitse hoofdstad van het Singapore van Afrika.

 

Hoe anders is het Rwanda dat zich nu rondom mij uitstrekt. Ik zit achter op een motoconcho in de rurale omgeving rond Kibuye. Urenlang hotsen we over onverharde wegen, putten en stenen geselen mijn zitvlak, een helm waggelt pro forma op mijn kruin. Dit is het Rwanda van de theeplukkers. Van boerinnen die, met baby op de rug en onder een loden zon, ganser dagen onverdroten thee plukken voor de fabriek van Gisakura Tea Estate. In de fabriek zelf laden arbeiders de zakken met verse theeblaadjes uit. Andere arbeiders gooien houtblokken in de ovens die de thee moeten branden. Een kwaliteitsverzorgster controleert blaadjes op ongeregeldheden. Een vrouw slurpt thee en spuwt weer uit.

 

Een dag later spring ik op de bus van Kibuye naar het Nyungwe Woud in het Oosten van Rwanda. Geen moderne bus zoals in Kigali, maar een aftands en afgedankt exemplaar geschonken door “het volk van Korea”. Juten zakken liggen opgestapeld in een kooi achteraan. Het vulsel van de banken puilt uit scheuren. Ongevraagd komt er een jeep aangereden die me mee wil nemen. Gefronste blikken zijn mijn deel wanneer ik weiger de jeep in te stappen. Een vrouw lacht en schudt het hoofd: “Vous ne voulez vraiment pas prendre la voiture? ». En ik : « non, je veux voyager comme vous ». De vrouwen giechelen. Wat volgt is een ononderbroken busrit van zeven uur. Maar de beloning voor de benieuwde reiziger is navenant. De bus slingert rond talloze baaien en strandjes van het Kivumeer. Dit is het Rwanda van de stoffige onverharde wegen, van het harde labeur op het veld, van scholen zonder materiaal, van mensen die Engels noch Frans spreken, van mensen die geen “mzungu” zien, van dorpen zonder riolering en waterleidingen. Hoewel de Chinezen hier danig in de weer zijn met het aanleggen van asfaltwegen, kanalen en afvoersystemen. Met een strooien hoedje op het hoofd sturen zij om de zoveel kilometer een team van Rwandezen aan. Dit is het Rwanda waar mensen via de open ramen in en uit de bus springen omdat de deuren gebarricadeerd zijn, van geïsoleerde dorpen die op deze bus wachten voor hun voedselvoorziening, van honderden kinderen die samentroepen rond de bus om de mzungu te zien, van de student informatica die mij vraagt hoe hij België kan binnengeraken omdat er geen enkele toekomst is voor hem in Rwanda. Het andere Rwanda: het gezicht van het platteland, vooralsnog in schril contract met het Rwanda van het economische mirakel.

 

Schoolkinderen op de weg tussen Rwiza Village Guest House en het centrum van Kibuye

Schoolkinderen op de weg tussen Rwiza Village Guest House en het centrum van Kibuye

Achteraan de motoconcho, langs de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Achteraan de motoconcho, langs de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Theeplukster met kind, op de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Theeplukster met kind, op de theeplantages van Gisakura Tea Estate

Zonsondergang, Kivumeer

Zonsondergang, Kivumeer

Grenadierwever

Grenadierwever

Het stoffige, kleine, charmante centrum van Kibuye

Het stoffige, kleine, charmante centrum van Kibuye

De vissers varen de zonsondergang tegemoet op het Kivumeer

De vissers varen de zonsondergang tegemoet op het Kivumeer

Wat ik de komende maanden ga doen in DR Congo

Geplaatst op augustus 22, 2014

De meeste van mijn vrienden en kennissen weten dat ik tussen eind augustus en februari 2015 het gros van mijn tijd in Congo zal doorbrengen. Dat prikkelt blijkbaar de nieuwsgierigheid. Of het nu op Beleuvenissen, Couleur Café of tussen pot en pint is: ik krijg overal wel een aantal vragen op mijn bord. Een van de meest populaire is: “Wat ga jij eigenlijk doen in Congo?”. Andere vaak voorkomende vragen zijn er die bezorgdheid uiten: “Wat eten ze daar?”, “Is het daar niet gevaarlijk?”, “Is daar geen ebola”, “Waar slaap je daar dan?”. Nog andere vragen zijn diegene die tussen pot en pint ter sprake komen: “Zijn het daar schone vrouwen?” en “als je gaat trouwen met een Congolese zijn we toch uitgenodigd”? Ik kan in een blogartikel niet op al die vragen tegelijk antwoorden, en dus doe ik maar op één vraag: “Wat ga jij eigenlijk doen in Congo”.

 

Wie mijn blogartikels wat opvolgt zal het al gemerkt hebben: ik doe “iets” met het onderwijs. Ik vind het curieus dat mensen dan altijd aan dezelfde twee zaken denken. Sommigen vragen of ik scholen bouw, anderen of ik er les geef. Kijk, mijn werkervaring in de bouw beperkt zich tot die paar jaren dat ik – piepjong – met legoblokjes huisjes en torens in elkaar monteerde. Verder heb ik in mijn veertig levensjaren nooit twee stenen op elkaar gelegd. Dus nee: hamer en beitel blijven bij mij in de gereedschapskist. En al ben ik dan de zoon van een leerkracht, voor de klas heb ik nooit gestaan. Waarom zou ik als Westerling trouwens les geven in ontwikkelingslanden? In België zelf is er een tekort aan leraars, en bovendien zijn er in ontwikkelingslanden mensen genoeg die tot leraar zouden kunnen opgeleid worden. Dus een tweede maal neen: ik ga er geen les geven, en zou dat ook principieel niet willen doen.

 

Wat dan wel? Alvorens tot dat antwoord te komen schrijf ik eerst een klaagparagraafje. Het onderwijs in Congo is voor heel veel verbetering vatbaar. Zeker ook met het technisch en beroepsonderwijs – zoals in België niet direct de onderwijsvorm met het beste imago – is het huilen met de pet op. Didactisch materiaal is veel meer afwezig dan aanwezig, een meerderheid van mensen staat voor de klas zonder een opleiding tot leraar gehad te hebben, de schoolgebouwen zijn in het beste geval in schabouwelijke staat en in het slechtste geval afwezig, elementaire zaken als elektriciteit zijn niet gegarandeerd. Zo hoor ik verhalen over elektriciteitsopleidingen in scholen zonder elektriciteit of ICT-opleidingen in scholen zonder ICT. Het technisch en beroepsonderwijs staat lichtjaren van het bedrijfsleven en de noden van de landbouweconomie. Een diploma is niks waard in de ogen van het bedrijfsleven. Ze hebben geen vertrouwen in de kwaliteit van het technisch en beroepsonderwijs, en wie kan ze ongelijk geven? Het mag een wonder heten dat de ouders nog vaak bereid zijn om een groot stuk van de financiering van het technisch onderwijs op te nemen.

 

Maar met een paragraafje zaniken op een blog schiet je niet zoveel op. De volgende vraag is dus: hoe kan tot verbetering gekomen worden? Laat ons beginnen met een beroemde uitspraak van die goede Oudgriekse wijsheren: “ken uzelf”. De Congolese overheid moet zelf een zicht krijgen op de sterktes en (wel vele) zwaktes van het eigen onderwijs- en opleidingssysteem. En ook onderkennen dat er een serieus probleem is. Hoe groot is het probleem van ongeschoolde leerkrachten precies? Wat is de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke leerkrachten? Hoe omvangrijk is het tekort aan didactisch materiaal? Hoe groot is het probleem met apparatuur, zijn er machines? Hebben kinderen in alle scholen wel een dak boven het hoofd? Wat doet men om leerlingen op school te houden? In welke mate zijn er contacten tussen scholen, opleidingsinstellingen en bedrijven? Mogen leerlingen stages lopen in bedrijven? Enzovoort. De Congolese overheid heeft zelf te weinig expertise in huis en vraagt daarom de medewerking van consultants. In haar ondersteuning van de Congolese overheid voor de verbetering van het technisch en beroepsonderwijs verleent de Belgische overheid daarvoor middelen. En mijn organisatie, VVOB, haalde die middelen binnen. Ik ben dus diegene die de opdracht zal uitvoeren, tezamen met een consultante van de organisatie BIEF en twee plaatselijke, dus Congolese, consultants. De eerste maanden zullen dus in het teken staan van zoeken, studeren, meten, weten.

 

Maar we doen natuurlijk geen onderzoek voor het onderzoek. Zaak is om de problemen door te spreken met alle Congolese betrokkenen. En om dan doelstellingen te formuleren op korte, middelange en lange termijn. De Congolese overheid doet dit uiteraard zelf, maar als consultants ondersteunen we hen daarbij. Waarom? Omdat we op een manier neutraal zijn. We durven kijken naar de problemen zonder zelf direct betrokken partij te zijn, we durven de vinger te leggen op wonden waarvan wij geen last hebben, zeg maar. En omdat we internationale ervaring hebben met het uitdenken en zoeken van mogelijke oplossingen en scenario’s voor problemen in de wereld van technisch en beroepsonderwijs. In een ideaal scenario kunnen de partners in nieuwe richtingen denken, of bestaande pistes herdenken. Tot een plan komen, kortom, hun eigen plan nogmaals. Als de partners het plan niet zelf dragen, kan het de schuif van een bureau in. Grote voorzichtigheid is daar geboden.

 

map-democratic-republic-congo-drc (2)

 

Aan de Congoleze horizon rijzen voor de partners en mij een aantal interessante uitdagingen op. In benoem er twee: een realistische fasering. Dat is niet makkelijk. Waar beginnen we bijvoorbeeld? Je kan al makkelijk zeggen: zoveel procent meer leerlingen, en dus zoveel procent meer leerkrachten. Maar dan? Ervoor zorgen dat de bestaande leraars allemaal geschoold zijn? Nieuwe leraars aantrekken? Ja, dat klinkt logisch. Want zonder leraars komen we toch nergens? Toch is het niet zo eenvoudig. Laat ons het voorbeeld nemen van scholing van leraars in ICT of leraars in elektriciteit. Maar wat kunnen die leraars aanvangen zonder didactisch materiaal? Want wat gaat jouw goede leerkracht elektriciteit doen zonder – ik zeg maar – elektroden om mee te oefenen? En de leraars ICT zonder een computer? Tja. En stel: je hebt een goed opgeleide leerkracht elektriciteit en alle materiaal, maar wat ben je er mee als er – zoals in de meeste technische scholen – geen courante (of gewoon geen) elektriciteit aanwezig is? Dubbele tja. En wat als de kwaliteit van jouw school volledig op orde is, leraars goed les geven, de elektriciteit constant zoemt… maar dat er in de wijde omgeving nergens een bedrijf is om de leerlingen een job te geven? Tripel tja. En zo kunnen we nog wel een eindje doorbomen. Dat alles zo in elkaar grijpt maakt het onderwijs oneindig complex. Waar leggen we de prioriteiten? First things first, niet? Ja, maar welke first things?

 

En dan loert nog die ene hamvraag achter de hoek: hoe kan dit alles bekostigd worden? Van het Congolese spaarvarken moet vooralsnog niet te veel heil verwacht worden: dat lijdt aan ernstige anorexia. De werkgevers dan? Zij zijn immers vragende partij voor competente arbeidskrachten. Zij zien niet-competente leerlingen uitstromen uit kwaliteitsarme scholen en staan argwanend tegenover een overheidsapparaat dat niet altijd uitblinkt in integriteit en daadkracht. De arme ouders die nu al het gros van het geld ophoesten? Trekt de internationale coöperatie de buidel nog eens open? Treedt die laatste dan niet in de plaats van de Congolese actoren? Kopbrekens genoeg.

 

Een studie naar de problemen. De betrokken Congolese ministeries ondersteunen bij het opstellen van hun strategisch plan om die problemen aan te pakken: ziedaar in één zin de grote uitdaging voor de komende maanden. Eenmaal dat er ligt kom ik terug naar huis, om met jullie een fris Belgisch pintje te gaan drinken, hopend dat de Congolese partners met overtuiging aan de uitvoering van hun strategisch plan werken.

Een ontnuchterende rondreis langs landbouwscholen in Bas-Congo

Geplaatst op augustus 18, 2014

“Adressez-vous d’abord au secretariat” lees ik boven het raampje. Ik ben zonet het directoraat binnengestapt van de technische landbouwschool Nzolo in Kimpese. Een lessenaar staat onder het raam, de vier poten in een hoop bij elkaar geharkte bladeren. Naast de lessenaar staat een antieke fiets. Geen spoor van een secretariaat. We zeggen goedendag tegen de pedagogische begeleider. Hij zit in een rommelig hok met papieren en tekeningen aan de muren. Kalenders prijzen Princess Claire schoonheidsproducten aan, en diensten en producten van de Indische telecommunicatiegigant Airtel en de multinational Beltexco. Er hangt wat rudimentair pedagogisch materiaal, zoals een kaart van Congo gemaakt met steun van het Waals Gewest en een tekening van het spijsverteringsstelsel. In het bureau van de directeur liggen stapels hopeloos verouderd leermateriaal en curricula. Er staan twee typemachines waarvoor men op de antiekmarkt van de Brusselse Marollen geld zou geven.

 

De bureaus van directeur en pedagogisch begeleider doen het ergste vermoeden voor de klaslokalen. De directeur leidt ons rond. Zelfs elementaire zaken als elektriciteit en water liggen niet voor de hand. De directeur legt uit dat een generator regelmatig moet inspringen wanneer de elektriciteit uitvalt. Er is trouwens ook geen water op de school. Leerlingen scheppen water in een rivier verderop. De lokalen mankeren vaak ramen en deuren, zodat tropische regens naar binnen kunnen kletsen. Een golfplaten afdak tovert in combinatie met de loden zon de “stalletjes” in sauna’s om. In sommige klaslokalen zijn de zwarte borden in scherven gebroken. Muren zijn mismeesterd met graffiti en slogans. Het schoolreglement staat met stift op de muur van een klaslokaal gekrabbeld. De witte hemden van de leerlingen steken af tegen de vuile muren. De school beschikt over geen enkele computer. Toch moet het vak ICT gegeven worden. Dat gebeurt dan met de persoonlijke computer van de ICT-leraar. Eén computer voor bijna 200 leerlingen.

 

Meisjes en jongens zitten samen in klassen, maar vrouwen zijn in de minderheid. Op 190 leerlingen zijn er 134 jongens, op 22 leraars 2 vrouwen. En dan stuurt men nog eens zwangere meisjes de laan uit. Tienerzwangerschappen zijn taboe, net als seks. Illustratief daarvoor zijn de knullige potloodtekeningen in het bureau van de pedagogisch begeleider die het leven van man en vrouw uitbeelden, van verloving tot kinderen baren. Een eerste tekening laat een man zien, die een meter naast een vrouw staat met zijn hand op haar rug: de verloving. Op de tweede tekening ligt zijn hand om haar hals, hoewel hij nog steeds onnatuurlijk een meter van haar af staat: de definitieve verbintenis. Het huwelijk wordt uitgebeeld door de derde tekening. De man staat – eindelijk – tegen de vrouw. En de vierde tekening verbeeldt al direct de verloskamer: de geboorte. Wat er gebeurt tussen het huwelijk en de geboorte is taboe: ooievaar, bloemkolen? Nochtans krijgt de directeur op zijn school geregeld te maken met meisjes die zich in fase 4 bevinden, zonder fase 3 doorlopen te hebben. Resultaat: exit van de school en soms ook exit thuis.

In sommige klaslokalen zijn de zwarte borden in scherven gebroken. Muren zijn mismeesterd met graffiti en slogans. Het schoolreglement staat met stift op de muur van een klaslokaal gekrabbeld

Niet veel beter is het in Bolingo, een andere technische landbouwschool rond Kimpese. Elektriciteit? Soms wel, soms niet. Pedagogisch materiaal: veel te weinig. Computers? Geen enkele. Een telefoon? Neen. Maar naast infrastructuur en materiaal is een ander groot probleem het onderwijsniveau van de leraars zelf: 12 van de 21 leraars heeft geen enkele pedagogische opleiding genoten in Bolingo. Vrouwen in het lerarenkorps? Twee. In Nzolo heeft de helft van de leraars nooit een pedagogische opleiding gehad. In de iets beter geëquipeerde technische landbouwschool in de Botanische Tuin in Kisantu: 18 leraars waarvan er 10 geen enkele opleiding hebben genoten. Er is één vrouw. In de landbouwrichting zitten slechts 10% meisjes. Dat is behoorlijk gek als je weet dat 80% van de mensen die actief zijn in de landbouw vrouwen zijn. Vrouwen zijn goed om de ongekwalificeerde handenarbeid te verrichten. Opleidingen die leiden naar kwalificaties en dus meer status en loon zijn mannenterrein.

 

Deze drie landbouwscholen reflecteren de lamentabele situatie van het technisch onderwijs. 90% van de technische scholen beschikt over onvoldoende pedagogisch materiaal om goed les te kunnen geven. Slechts 40% van de leraars in technisch onderwijs heeft een pedagogische opleiding gekregen. De infrastructuur is ondermaats. De verhoudingen tussen meisjes en jongens flink scheefgetrokken. Het onderwijs is ook weinig praktijkgericht en relevant. Laat ons het voorbeeld van ondernemerschap nemen. Dat is net als ICT in mooie curricula gegoten, maar leeft niet in praktijk. In de school in Kisantu maak ik voor de eerste maal kennis met een productie eenheid. Landbouwscholen hebben wat grond, de één meer dan de ander, waarop leerlingen groenten en fruit leren telen. In Kisantu leren leerlingen rijst, maniok en ajuinen verbouwen en fruitbomen planten, in Bolingo appelsienbomen, mangobomen, acacia’s, bananen, avocado en ajuin. De leerlingen verkopen de opbrengsten op de lokale markt, zodat ze het schoolgeld kunnen betalen. Scholen financieren zo zichzelf, geen luxe als je weet dat scholen maximum 50 dollar aan werkingskosten krijgen. En even vaak komt dat geld nooit aan. Het gekke is dat men er niet opkomt om de productie eenheden te gebruiken om ondernemerschap aan te leren. Zo geven die productie eenheden overlevingslandbouw door. Leerlingen leren er niks meer dan wat ze van hun ouders leren: rijst en maniok telen en verkopen op de markt en zo overleven. Het gevolg is dat de productie eenheden ook niet winstgevend zijn.

90% van de technische scholen beschikt over onvoldoende pedagogisch materiaal om goed les te kunnen geven. Slechts 40% van de leraars in technisch onderwijs heeft een pedagogische opleiding gekregen

Het technisch onderwijs staat zo lichtjaren af van de sociaal-economische behoeften van Congo. Het land is virtueel in staat om met zijn landbouw zichzelf en andere Afrikaanse landen te voeden. Maar vandaag moet Congo eten importeren. Wat moet er gebeuren? De productie verhogen door verbeterde teelttechnieken en beter zaaigoed bijvoorbeeld. Meer aandacht besteden aan industriële landbouw en ondernemerschap ook. En daarin speelt ook onderwijs een rol. Maar dan moet ondernemerschap echt gaan leven in de geesten van ambtenaren van het ministerie van onderwijs, van schooldirecteurs, van leraars en uiteraard de leerlingen zelf. En betrek als school diegenen die ondernemerschap het beste kennen: de ondernemers. Pater Charles, directeur en initiatiefnemer van CIVAK bijvoorbeeld, het “Centre d’ Information et de Vulgarisation Agroalimentaire de Kimpese”. Het hoofddoel van dit centrum is om de oogst aan de hand van nieuwe en betere technieken te verwerken tot kwalitatief meer hoogstaande producten. Of Madame Gratitude, directeur van CETRAPAL, een bedrijfje dat landbouwproducten verwerkt en transformeert. Pater Charles en Madame Gratitude hebben wat veel andere Congolezen vooralsnog niet hebben: een ondernemerschapsgeest. Ze denken: we moeten iets meer doen dan alleen maar maniok, of rijst, of groenten planten, oogsten, naar de locale markt versjouwen en verkopen om opnieuw te beginnen. Waarom geen bier maken, of Kambucha thee, fruitsap, confituur, of gedroogde gember? Waarom niet zoeken naar een meerwaarde voor producten? Je kan dan meer verdienen en je bedrijfje laten groeien. Meer werkgelegenheid, meer inkomsten voor de lokale gemeenschappen, meer kansen voor vrouwen. Dus: waar wacht het onderwijs op? De kwaliteit van infrastructuur moet naar omhoog, leraars gevormd, materiaal ter beschikking gesteld. Het landbouwonderwijs moet meer meisjes aantrekken (Madame Gratitude is een landbouwkundige bijvoorbeeld). En aan het onderwijs om ondernemerschap mee te ondersteunen en de fundamenten te leggen van Congo als “graanschuur van Afrika”. Mijn organisatie VVOB werkt daaraan graag mee, maar daarover schrijf ik eens een apart blogartikel.

Technische landbouwschool van Nzolo in de provincie Bas-Congo

Technische landbouwschool van Nzolo in de provincie Bas-Congo

Landbouwschool van Nzolo: zelfs elementaire materiaal als schoolborden is niet evident

Landbouwschool van Nzolo: zelfs elementaire materiaal als schoolborden is niet evident

Adressez-vous d'abord au secretariat...

Adressez-vous d’abord au secretariat…

Madame Gratitude in haar “bedrijfsomgeving”

DSC00105

Leerlingen veeartsenij in de landbouwschool van Bolingo, provincie Bas-Congo

%d bloggers liken dit: