Reisbrochures springen gretig op de quote van Ernest Hemingway om het Lake Manyara Nationaal park te omschrijven: “The loveliest I had seen in Africa”. De filosofie van het park luidt: “Voeding voor de ziel, troost voor het hart, inspiratie voor de geest”. Touroperators beloven meer dan 400 vogelsoorten, boombeklimmende leeuwen, unieke vergezichten en een microkosmos van alle leven op de savanne. Met dat plaatje voor ogen verschijn ik met jeep, ijdele chauffeur in bloemetjeshemd en een koppel vijftigers voor de ingang van het park.

 

Rangers spuiten de jeep tjokvol met liters stinkende insecticide. Dat wijst erop dat we niet persé alle elementen van die microkosmos willen tegenkomen. We hobbelen over de onverharde weg. Boombeklimmende leeuwen vinden we niet direct, maar wel tseetsee vliegen, nijver op zoek naar een voorraadje bloed. Een aantal van die creaturen zweeft – ondanks de walm insecticide – de jeep in. De vrouw van het koppel vijftigers in de jeep zegt met paniekerige stem: “ze brengen slaapziekte over”. Tja, op de savanne heeft alles zijn voor- en nadelen. Als je het bekijkt vanuit het standpunt van de natuur heeft een tseetseevlieg met slaapziekte ook een functie, net zoals malariamuggen. Ze houden homo sapiens uit de buurt, en alle vervelende bijwerkingen van de aanwezigheid van die naakte aap, als daar zijn: houden van koeien, schapen en geiten, kappen van bossen, platbranden van de savanne… De vrouw mept wild in het rond. Haar elleboog belandt zo per ongeluk tegen het linkerkaakbeen van haar echtgenoot. De hitte en de vochtigheid persen water uit ons lichaam. Kledij zuigt zich aan ons vol.

Lake_Manyara_north

cc Fanny Schertzer. Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5.

Maar zweetdruppels worden zweetbeken wanneer een kudde olifanten onze jeep omsingelt. Een aantal van die loggerds staat over de weg jonge boompjes te knakken en in hun waffel te zwieren, en dikke klonters stront te lozen. Eten, schijten en 200 liter water slurpen. Dan heb je de voornaamste dagbezigheden van een olifant gezien. De olifant is na de mens het dier met de grootste impact op de natuuromgeving. Maar ze vernietigen niet alleen maar. Bomen die neergehaald zijn, bieden weer eten voor andere planteneters. Zaden en noten glijden meestal intact van mond uit anus, zodat bavianen uit de stronthopen van olifanten hun maaltijdje uitpikken. Mestkevers rollen er ballen van waarin eitjes worden gelegd. Door het veelvuldige gereis met die ballen zien planten en bomen de kans om hun zaden verder te verspreiden. Ik keek heel diep in het linkeroog van een olifant. Onze gids houdt zijn wijsvinger voor de mond. Een ogenblik stilte is een moeilijke combinatie met de vrouw en de tseetseevliegen in de jeep. In de man zijn ogen lees ik de vraag waarom hij een smak geld van zijn bankrekening heeft gehaald voor deze safari. Je verheugt jezelf op de safari van jouw leven, en eindigt met gevechten tegen tseetseevliegen, een echtelijke ruzie in een hammam zonder koelbad, onderbroken door de schrik van jouw leven wanneer je in de pupillen kijkt van een knorrige olifant.

 

Naast olifanten en tseetseevliegen is er nog veel anders boeiends te vinden in Lake Manyara Nationaal Park. Bavianen bijvoorbeeld. Die vind ik leuk om te “spotten”, net als mensen, omwille van hun complexe sociale interacties. Bavianen zijn zoals homo sapiens aangewezen op elkaar om te overleven in de savanne. Het alfamannetje tuurt alle richtingen uit. Hij is de patron van een dominante elite aan (jongere) mannetjes binnen de groep, die her en der verspreid zitten in de machtige baobab en vooral op de grond errond. Ik dacht dat apen vooral in bomen zaten, maar bavianen verblijven meer op de grond. Wijfjes zitten met het nageslacht in de armen, andere pikken ongedierte uit de pels van collega’s, een strategie om vriendjes te maken. Nog andere spelen fruit en zaden naar binnen. Een mannetje presenteert zijn messcherpe voortanden. Mannelijke familieleden die op volwassen leeftijd komen worden uit de groep gestoten, en leven als vrijgezellen bij elkaar tot ze de kans zien om hun eigen oligarchie op te zetten. De wereldberoemende bioloog Desmond Morris ziet in die oligarchie een effectief beschermingsmechanisme tegen roofdieren en rivaliserende mannetjes (D. Morris, Waarom hebben zebra’s strepen?).

662px-Impalas_Manyara

cc Fanny Schertzer. Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5.

Onze gids pulkt in zijn neus en kijkt voor zich uit. Hij is een “gids” zoals je die wel meer tegenkomt, veel meer chauffeur dan gids. Voor enige informatie over wat je ziet, ben je aan het verkeerde adres. Veel gidsen komen niet verder dan het beschrijven wat een kleuter al weet nadat het de Lion King gezien heeft. Toeristen vragen daar ook niet naar. Het enige waarvoor “homo safaricus” in de savanne neerstrijkt is de “big five”, met koning leeuw bovenaan de “bucket list”. In het struikgewas staat een gracieuze impala in onze richting te turen. De gids bestudeert nu de inhoud van zijn neus. Hij werpt af en toe een verstrooide blik op de bomen, op zoek naar wat homo safaricus wil zien: boomklimmende leeuwen en luipaarden. Toeristen liggen niet wakker van antilopen. Thuis is er weinig over op te scheppen. De natuur heeft de impala een mooi verflaagje gegeven. Een verticale zwarte streep loopt van de staart tot over het achterste, en het topje van hun oren en de neus is zwart. Zijn onderbuik is snoezig wit en de rug rood-bruin. In tegenstelling tot die slappe schotelvodden van leeuwen – zeker gemaande koning leeuw zelf – zijn impala’s de kwieke snelheidsduivels van de savanne. Voor 80 kilometer per uur draaien ze hun poot niet om. Die snelheid is een evolutionaire aanpassing die antilopen ondergingen toen het tropisch woud in Oost-Afrika afnam ten voordele van grasland. Door hun snelheid konden ze in open grasland uit de grijpgrage klauwen blijven van vleeseters.

 

Lake Manyara Park is ook het park van de giraf. We zien tientallen giraffen in een landschap met door een recente orkaan geknakte bomen en een sodameer met flamingo’s. Twee giraffen slaan met hun nek tegen elkaar. Zeggen ze even sympathiek goeiedag? Een familie wrattenzwijnen trippelt voorbij. Hier leer ik dan toch iets van de gids. Necking is een gevecht om vrouwtjes. Dat is niet onschuldig: nekwervels en onderkaken sneuvelen. De gids rijdt intussen wat nerveuzer in het rond, tevergeefs. We rijden bijna een Kirk’s Dik Dik plat. Een erg snoezig antiloopje, het kleinste van de savanne. Het koppel vijftigers begint ontmoedigd te geraken. De zon zakt. De kleuren worden warmer. De terugtocht wordt ingezet. “Niks gezien”, zucht de vrouw. Lees: geen leeuwen of luipaarden, of minstens iets anders met scherpe tanden en vlees op het menu. Ook de gids kijkt sip. Minder kans op fooi straks. En ik denk: we zagen honderd bavianen in actie, twee giraffen vechten om een wijfje, een groep impala’s dartelen, keken olifanten diep in de pupillen en een gevecht tussen homo sapiens en nijdige tseevliegen met een meer en flamingo’s op de achtergrond. Moet het nog meer zijn?