Evelien daalt met vaste hand de weg van Quito af, eerst over brede wegen met zicht op Ecuadors vulkanen, dan door een nevelwoud en tenslotte door de provincie Santo Domingo de la Tsáchilas, niet ver van de kust. Onze bestemming voor vandaag is een technische school. Rode harten van motels lichten op tussen bananenplantages. President Rafaël Correa lacht zijn tanden bloot op grote panelen, in het gezelschap van Valeria, het plaatselijke politieke vriendinnetje van Ecuadors machtige nummer 1. Onder één van de panelen draait een onfortuinlijk varken met glazige ogen aan het spit.

 

De technische school schuilt net als de motels tussen monocultuur bananenplantages. De directeur loodst ons zijn bureautje binnen. Het is een kleine technische school zonder enige franje. De bel rinkelt. Jongeren verdringen zich rond een pingpongtafel in open lucht. Anderen zitten, kijken voor zich uit, bijten op hun nagels, giechelen, peuteren in hun neus. Weinig kans dat hun motivatiepeil in dit oord hoge toppen scheert of zal scheren. Handel en boekhouding (“commercia y administracion”) zijn hun lot, iets anders is er niet in de aanbieding. Een blik op een studie die mijn VVOB-collega’s in Ecuador lieten uitvoeren leert dat zoiets niet abnormaal is: 67% van alle leerlingen loopt school in slechts 4 richtingen, waarvan drie kantoorgericht, zoals op deze school. En op Evelien’s vraag of ze niet naar een verder gelegen school kunnen gaan, antwoordt de plezantste van de klas: “Hoe dan wel? Met de ezel?” (“con burro”). Schoolvervoer is afwezig, en kleinschalige familieboeren of arbeiders op bananenplantages tuffen zelden met auto’s rond.

 

P1010968P1010970

 

In jargon heet het dan “dat onderwijs niet is afgestemd op de arbeidsmarkt”. Santo Domingo de las Tsáchilas is een kustprovincie, een geliefkoosde tijdelijke habitat voor de homo turisticus. En veel homo turisticus betekent meer kans op werk en inkomen. Daarnaast is Santo Domingo de las Tsáchilas ook de thuis van een grote zeehaven en één van de grootste olieraffinaderijen van Ecuador. En er is uiteraard landbouwproductie. Maar die laatste levert vooral primaire grondstoffen af, terwijl Ecuador meer afgewerkte producten wil gaan exporteren. Toerisme, logistieke havenactiviteiten, petroleum, landbouwproductie. Het economisch potentieel is er, nu ook nog even technisch geschoolde mensen en ondernemers aan de slag krijgen. En knelt daar dan dat stomme schoentje. Want hier studeren tussen de bananenplantages, motels en aan het spit draaiende varkens jaarlijks tientallen kantoorbedienden af die zich naar eigen zeggen met ezels moeten verplaatsen.

 

Toch zijn er contacten met bedrijven. De leerlingen lopen er stages, althans de directeur. Op de vraag hoeveel hoort de wat bedeesde man het in Keulen donderen. Niks beters om het vertrouwen te winnen van een werkgever, dan door een tijdje in haar of zijn bedrijf meegedraaid te hebben. Maar nogmaals: ieder jaar tussen een paar duizend bananenplanten een paar dozijnen kantoorbedienden loslaten, wat levert dat in ’s hemelsnaam op? Zeker als je al weet dan ook de meeste andere scholen opleiden tot kantoorjobs? Daar waar een stage een smeermiddel is op weg naar echt werk, is het hier vaak bezigheidstherapie. De directeur geeft schoorvoetend toe: ze kunnen stage volgen, maar daarna is er geen werk.

 

Kan de school geen diverser aanbod organiseren, al dan niet in overleg met andere technische scholen? Wat houdt onze minzame directeur eigenlijk tegen? Hij wil wel, pruttelt hij tegen, maar het kan niet, “dolares” weet je wel. “Het ministerie”. Richtingen die leiden tot kantoorjobs vragen minder investeringen vergeleken met “hardere” technische en beroepsopleidingen. Je koopt een stuk of wat tweedehandscomputers, boort een aantal stopcontacten in de muur en betaalt een internetverbinding indien mogelijk. Klaar is kees en de portemonnee zal er zeker geen magerzucht aan overhouden. Automechanica of de bouw, om maar iets te noemen, zijn al andere koek. Een praktijklokaal is een minimumvereiste, met de nodige uitrusting, zoals machinerie en grondstoffen om mee te werken. In een technische school in Suriname zag ik ooit hoe 20 leerlingen bouw hun plan trokken met 50 bakstenen en een emmertje mortel om een muur te metselen. Drie leerlingen kletsten kwakken mortel tussen de stenen, terwijl de 17 anderen de meisjes uit het naburige naaiatelier het hof maakten. Of de automechanica, waar men het “vak” leerde op een audi 50 die 40 jaar geleden van de band is gerold. De vakleerkracht verzekerde mij dat hij die persoonlijk van een oudijzer stort naar de school had gesleept. Een wrak uit het zwartste steenkooltijdperk, toen begrippen als energiezuinigheid, duurzame planeet en smeltende ijskappen nog uit de koker van wetenschappers moesten vallen.

 

Maar een onaangepast onderwijsaanbod, infrastructuur en uitrusting zijn niet de enige problemen. Voortstuderen in hoger onderwijs zit ingebakken in harten en geesten van ouders, leerlingen en de overheid. We vragen in één van de klassen “commercio” wie naar de universiteit wil trekken. Een paar leerlingen overwinnen hun schroom en punten hun wijsvinger richting plafond, een fractie van een seconde later kijken we op een bos aan wijsvingers. Onnodig te tellen, het is iedereen. En wie wil er na zijn studie handel en administratie verder gaan in handel en administratie? Het bos is nu aan een kaalslag onderhevig. En van waar hun motivatie dan voor handel en administratie, vraagt Evelien? “Er is niks anders te studeren”, luidt het laconieke antwoord van schokschouderende tieners. Die arme ziel van een leraar zakt door de grond, en hij stond al wat weggestoken in zijn hoekje. De directeur blijft in zijn rol, glimlachend. Andere klas, zelfde vragen, zelfde antwoorden. “The only way is up” en “up” staat gelijk aan universiteit. “Droooomen zijn bedrog”, zingt Borsato in mijn bovenkamer. Als ze al niet naar een naburige secundaire school geraken, hoe zouden ze dat al doen voor een universiteit, waar ze bovendien al niet op voorbereid zijn? Als ik aan de directeur vraag waar zijn leerlingen terechtkomen zegt hij: in het familiebedrijfje, bij papa en mama aldus. De kantoorbediende mag de rest van zijn leven de grond omspitten of de werkloosheidsstatistieken de hoogte injagen. Geen wonder dat leerlingen ook al eens naar de grote stad lonken.

 

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

 

Maar zaniken alleen lost het probleem nog niet op natuurlijk. Zouden de ambtenaren van het ministerie niet wat meer een uitnodigingsbrief in de bus van de bedrijfswereld droppen? Een uitnodiging om een koffie te drinken en de hersenen samen te verhitten rond de vragen: welke zijn de economische kansen in het land waar Charles Darwin tot zijn evolutietheorie is gekomen? Welke beroepen zijn (zullen) van belang (worden)? Hoe kan onderwijs leerlingen opleiden tot die beroepen? Welke curricula zijn nodig? En hoe kunnen we bedrijven, scholen en hoger onderwijsinstellingen aansporen om samen het technisch onderwijs te verbeteren?

Dus de bedrijven vragen niet naar deze opleidingen en de jongeren die ze volgen. De ouders en jongeren zien de meerwaarde niet van hun opleiding en vragen niet naar die bedrijven. Dus wat is het concrete resultaat meer dan gesleten broeken en gedemotiveerde geesten?

Mijn sympathieke collega’s van VVOB in Ecuador ondersteunen verschillende projecten in die richting. Curricula worden met onze steun door het ministerie van onderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven gemaakt. Maar we dalen ook uit de hoge toren van het ministerie af in de provincies, om samenwerking te stimuleren tussen ministerie, scholen en bedrijven. Leerkrachten uit het technisch landbouwonderwijs verruimen bijvoorbeeld hun horizonten in het landbouwbedrijf Tecnoban. Dit is een bedrijf dat zich bezighoudt met het kweken en oogsten van organische bananen, in de provincie van Santo Domingo de las Tsáchilas overigens. Zo leren de leerkrachten succesvolle technieken om ziektes en pest van de gewassen te voorkomen, wat zij dan weer overbrengen op de jongelui die zich al dan niet enthousiast in de cacao zullen storten. Zo leren die leraars en dus hun leerlingen nog eens iets praktisch, want theorie hangt deze jongeren al snel de keel uit. In een ander project leren leerkrachten en leerlingen van de lasopleiding hoe ze aan TIG-MIG-MAG lassen doen, en ze kunnen daarbij de moderne apparatuur gebruiken van het bedrijf Indura. Geen flauw idee wat dat TIG-MIG-MAG lassen mag betekenen, maar het mag duidelijk zijn dat de school zoiets op eigen houtje niet kan inrichten. Zo komen we tot een win-win. Leerkrachten en leerlingen winnen want ze breken uit hun comfortzone en leren de nieuwste technieken, en kunnen daarvoor met moderne apparatuur aan de slag. De bedrijven winnen, want zij krijgen op termijn mensen die opgeleid zijn volgens hun wensen. Het ministerie wint: leuk voor die ambtenaren en politiekers om op TV en in de gazet mee uit te pakken. VVOB wint: we voelen ons goed en nuttig.

P1010966

Wie wil graag verder studeren in administratie en handel? Niemand…