“Het lijden van de genocide, je zal dat doorgeven aan jouw kinderen. Het lijden zal niet snel verdwijnen. Je zal het meenemen van generatie naar generatie”. Het is een citaat van een medewerker van Simon Wiesenthal op een eerste conferentie over de genocide in Kigali in 1995 . Als ik bijna 20 jaar na die conferentie – februari 2014 – voor het werk voor de allereerste maal in Rwanda ben, kan ik dat alleen maar bevestigen. Geen dag gaat voorbij of je hoort wel een verwijzing naar deze gruwelijke gebeurtenis.

 

Het begint met de verplaatsing die ik maak vanuit Kigali naar een school. Bij het uitrijden van Rwanda’s hoofdstad passeren we een uitgestrekte vallei met moerassen. De chauffeur vertelt hoe mensen in de begindagen van de genocide naar deze moerassen gevlucht waren. Het waren de ouderen, de zwakkeren, de zieken, de ouders met kinderen: diegenen die niet konden ontsnappen in verderaf gelegen bossen en wouden. Zij kozen om zich te verschuilen tussen de lange stengels papyrus en in het water en de modder. Tijdens de razzia’s hielden ze zich onder water, met een rietje om te ademen. Kinderen moesten tot hun kin in de modder staan, verscholen tussen de bossen papyrus. Wie een kik zag de machetes flitsen, of dat nu baby’s, kinderen, moeders of bejaarden waren. Achteraf zie ik een filmpje op Youtube met het verhaal van één van de overlevenden van de moerassen: Angélique Mukamanzi. Ik word onpasselijk van de details van het moerasleven en de onmenselijkheid, de methodische moordmachine van de doders.

 

In Kibuye aan het Kivumeer – vandaag vredig, rustig, mooi – vertelt een man mij over de “Kibuye massacres”: de slachting van 20.000 mensen op een paar dagen tijd. Ik zie de Sint Jans kerk waar duizenden vluchtelingen dachten bescherming te vinden. Het mocht niet baten. Met goedkeuring van de lokale autoriteiten omsingelde een meute de Kerk. Nog een laatste gebed. Daarna werden alle vluchtelingen – naar verluidt op één na – door interahamwe milities, politie en gewapende burgers in het “huis van God” afgemaakt, met geweren, granaten, machetes en speren. Een slachting van ongewapende burgers, omdat ze tot een andere etnie behoorden, of omdat ze “heulden” met de andere etnie.

CIMG0164

Slachtoffertjes van de genocide. Rechts Antoine met zijn fiets.

Een Belgische vertelt mij hoe haar Rwandese vriendin vandaag nog steeds geen water uit een kraan kan horen lopen. Het doet haar denken aan het vruchtwater dat spoot uit opengesneden zwangere buiken van vrouwen. Een kennis van mij vertelt hoe zijn vrouw dagenlang rondzwierf op blote voeten, angstvallig wegen vermijdend, nadat ze haar eigen broer heeft zien afslachten met machetes. Mijn gids David vertelt in het Nyungwe woud spontaan dat tientallen mensen in penibele omstandigheden samen hebben geleefd met de vleermuizen in de donkere, vochtige grotten en spelonken van dit oerwoud. In Hôtel des Milles Collines krijg ik te horen dat dit het fameuze “Hotel Rwanda” is, waarover in 2004 ook een film gemaakt is. Hotel Rwanda vertelt het verhaal van Paul Rusesabagina, een Hutu, getrouwd met een Tutsi, en hotel manager die 1.268 Tutsi’s zou beschermd hebben tegen de razernij.

CIMG0161

De gorialla belt naar de wereld om die wereld aan de genocide te herinneren

Na al die anekdotes en kortverhalen besluit ik om mijn verblijf in Rwanda af te sluiten met een bezoek aan het Genocide Memoriaal in Kigali. Het initiatief komt van de Britse organisatie Aegis Trust, die zich toelegt op de bewustmaking en educatie rond genocides op wereldvlak. Het memoriaal is verrezen op deze plek, waar 250.000 genocideslachtoffers hun laatste rustplek hebben gevonden.

De genocide is niet één moord op mensen, het zijn honderdduizenden individuele moorden op evenveel individuen

De tuin rond het museum straalt sereniteit uit. Duizenden ongeïdentificeerde lijken liggen samen. De namen van diegenen die bekend zijn staan op muren gegrift. Er zijn tuintjes, die bol staan van symboliek. Heel mooi vind ik het standbeeldje van een gorilla met een GSM aan het oor. Hij belt naar de wereld, om die wereld te herinneren aan de gruwelen van de genocide. Even mooi vind ik de rozentuin, met rozen die alle individuele zielen symboliseren. De genocide is niet één moord op mensen, het zijn honderdduizenden individuele moorden op evenveel individuen, zoals elders in het museum te lezen staat. Iedere individuele moord geeft aanleiding tot onuitputbaar verdriet bij nabestaanden, familie, vrienden. Dat is ontegensprekelijk de sterkte van dit museum: de genocide krijgt vele individuele gezichten door middel van duizenden grote en kleine foto’s van slachtoffers, van families, van baby’s, kinderen, tieners, ouders, ouderen. Loop je al hoofdschuddend langs alle foto’s met afgebrande huizen, verminkte lijken en stapels schedels en beenderen, dan grijpt de “kinderkamer” pas echt naar de keel. Deze sectie van de tentoonstelling heet toepasselijk “Tomorrow lost” (de verloren toekomst). Ik slik, moet even vechten tegen tranen, mompel in mezelf: hoe is het in ’s godsnaam mogelijk? De gruwel krijgt het gezicht van lieve, vrolijke baby’s en kinderen. Levensgrote foto’s hangen van hen op, met een plakkaatje dat toelichting geeft bij hun veel te vroeg onderbroken leven.

 

Antoine bijvoorbeeld:
Leeftijd: zes
Lievelingsspeelgoed: zijn fiets
Lievelingsdrankje: Fanta;
Beste vriend: zijn zusje;
Doodsoorzaak: afgeslacht met de machete.

 

Over baby Uwase:
Leeftijd: twee
Lievelingsspeelgoed: pop;
Favoriete voedsel: frietjes en rijst;
Beste vriend: papa;
Doodsoorzaak: tegen een muur te pletter geslagen.

 

Met de keel dichtgeknepen passeer je zo van kind tot kind, je kruist hun ogen, je ziet hun lach. Die paar woorden op de plakkaatjes, in combinatie met de foto, zijn mokerslagen op het menselijk geweten en de gevoelens. Het zegt zoveel meer als die droge statistieken: van een half miljoen tot 1 miljoen doden op een paar maanden tijd: ongelofelijk erg, maar het zijn cijfers, waarmee we iedere dag via televisie, kranten en sociale media om de oren geslagen worden. Maar de ogen van Antoine en Uwase verbrijzelen statistiekjes en politieke discours. 6 en 2 waren ze. Kinderlijke onschuld, kleine, weke rietstengeltjes die priemden naar de zon. Plots stonden ze in de schaduw, ze zijn afgerukt, afgehouwen, verwelkt, verdwenen. Nooit hebben ze geweten wat hun beulen dreef. Mijn haar op mijn armen staat recht, een koudegolf trekt over mijn ruggengraat, ik word kwaad, maar er is niemand om tegen uit te vallen. Het museum herinnert aan de vele andere genocides van de 20ste eeuw: the killing fields in Cambodia, de holocaust tijdens Wereldoorlog II… En het ergste is dat de mensheid niet leert. Zullen onze achterkleinkinderen ooit hoofdschuddend door een sectie “genocides van de 21ste eeuw” lopen?