De meeste van mijn vrienden en kennissen weten dat ik tussen eind augustus en februari 2015 het gros van mijn tijd in Congo zal doorbrengen. Dat prikkelt blijkbaar de nieuwsgierigheid. Of het nu op Beleuvenissen, Couleur Café of tussen pot en pint is: ik krijg overal wel een aantal vragen op mijn bord. Een van de meest populaire is: “Wat ga jij eigenlijk doen in Congo?”. Andere vaak voorkomende vragen zijn er die bezorgdheid uiten: “Wat eten ze daar?”, “Is het daar niet gevaarlijk?”, “Is daar geen ebola”, “Waar slaap je daar dan?”. Nog andere vragen zijn diegene die tussen pot en pint ter sprake komen: “Zijn het daar schone vrouwen?” en “als je gaat trouwen met een Congolese zijn we toch uitgenodigd”? Ik kan in een blogartikel niet op al die vragen tegelijk antwoorden, en dus doe ik maar op één vraag: “Wat ga jij eigenlijk doen in Congo”.

 

Wie mijn blogartikels wat opvolgt zal het al gemerkt hebben: ik doe “iets” met het onderwijs. Ik vind het curieus dat mensen dan altijd aan dezelfde twee zaken denken. Sommigen vragen of ik scholen bouw, anderen of ik er les geef. Kijk, mijn werkervaring in de bouw beperkt zich tot die paar jaren dat ik – piepjong – met legoblokjes huisjes en torens in elkaar monteerde. Verder heb ik in mijn veertig levensjaren nooit twee stenen op elkaar gelegd. Dus nee: hamer en beitel blijven bij mij in de gereedschapskist. En al ben ik dan de zoon van een leerkracht, voor de klas heb ik nooit gestaan. Waarom zou ik als Westerling trouwens les geven in ontwikkelingslanden? In België zelf is er een tekort aan leraars, en bovendien zijn er in ontwikkelingslanden mensen genoeg die tot leraar zouden kunnen opgeleid worden. Dus een tweede maal neen: ik ga er geen les geven, en zou dat ook principieel niet willen doen.

 

Wat dan wel? Alvorens tot dat antwoord te komen schrijf ik eerst een klaagparagraafje. Het onderwijs in Congo is voor heel veel verbetering vatbaar. Zeker ook met het technisch en beroepsonderwijs – zoals in België niet direct de onderwijsvorm met het beste imago – is het huilen met de pet op. Didactisch materiaal is veel meer afwezig dan aanwezig, een meerderheid van mensen staat voor de klas zonder een opleiding tot leraar gehad te hebben, de schoolgebouwen zijn in het beste geval in schabouwelijke staat en in het slechtste geval afwezig, elementaire zaken als elektriciteit zijn niet gegarandeerd. Zo hoor ik verhalen over elektriciteitsopleidingen in scholen zonder elektriciteit of ICT-opleidingen in scholen zonder ICT. Het technisch en beroepsonderwijs staat lichtjaren van het bedrijfsleven en de noden van de landbouweconomie. Een diploma is niks waard in de ogen van het bedrijfsleven. Ze hebben geen vertrouwen in de kwaliteit van het technisch en beroepsonderwijs, en wie kan ze ongelijk geven? Het mag een wonder heten dat de ouders nog vaak bereid zijn om een groot stuk van de financiering van het technisch onderwijs op te nemen.

 

Maar met een paragraafje zaniken op een blog schiet je niet zoveel op. De volgende vraag is dus: hoe kan tot verbetering gekomen worden? Laat ons beginnen met een beroemde uitspraak van die goede Oudgriekse wijsheren: “ken uzelf”. De Congolese overheid moet zelf een zicht krijgen op de sterktes en (wel vele) zwaktes van het eigen onderwijs- en opleidingssysteem. En ook onderkennen dat er een serieus probleem is. Hoe groot is het probleem van ongeschoolde leerkrachten precies? Wat is de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke leerkrachten? Hoe omvangrijk is het tekort aan didactisch materiaal? Hoe groot is het probleem met apparatuur, zijn er machines? Hebben kinderen in alle scholen wel een dak boven het hoofd? Wat doet men om leerlingen op school te houden? In welke mate zijn er contacten tussen scholen, opleidingsinstellingen en bedrijven? Mogen leerlingen stages lopen in bedrijven? Enzovoort. De Congolese overheid heeft zelf te weinig expertise in huis en vraagt daarom de medewerking van consultants. In haar ondersteuning van de Congolese overheid voor de verbetering van het technisch en beroepsonderwijs verleent de Belgische overheid daarvoor middelen. En mijn organisatie, VVOB, haalde die middelen binnen. Ik ben dus diegene die de opdracht zal uitvoeren, tezamen met een consultante van de organisatie BIEF en twee plaatselijke, dus Congolese, consultants. De eerste maanden zullen dus in het teken staan van zoeken, studeren, meten, weten.

 

Maar we doen natuurlijk geen onderzoek voor het onderzoek. Zaak is om de problemen door te spreken met alle Congolese betrokkenen. En om dan doelstellingen te formuleren op korte, middelange en lange termijn. De Congolese overheid doet dit uiteraard zelf, maar als consultants ondersteunen we hen daarbij. Waarom? Omdat we op een manier neutraal zijn. We durven kijken naar de problemen zonder zelf direct betrokken partij te zijn, we durven de vinger te leggen op wonden waarvan wij geen last hebben, zeg maar. En omdat we internationale ervaring hebben met het uitdenken en zoeken van mogelijke oplossingen en scenario’s voor problemen in de wereld van technisch en beroepsonderwijs. In een ideaal scenario kunnen de partners in nieuwe richtingen denken, of bestaande pistes herdenken. Tot een plan komen, kortom, hun eigen plan nogmaals. Als de partners het plan niet zelf dragen, kan het de schuif van een bureau in. Grote voorzichtigheid is daar geboden.

 

map-democratic-republic-congo-drc (2)

 

Aan de Congoleze horizon rijzen voor de partners en mij een aantal interessante uitdagingen op. In benoem er twee: een realistische fasering. Dat is niet makkelijk. Waar beginnen we bijvoorbeeld? Je kan al makkelijk zeggen: zoveel procent meer leerlingen, en dus zoveel procent meer leerkrachten. Maar dan? Ervoor zorgen dat de bestaande leraars allemaal geschoold zijn? Nieuwe leraars aantrekken? Ja, dat klinkt logisch. Want zonder leraars komen we toch nergens? Toch is het niet zo eenvoudig. Laat ons het voorbeeld nemen van scholing van leraars in ICT of leraars in elektriciteit. Maar wat kunnen die leraars aanvangen zonder didactisch materiaal? Want wat gaat jouw goede leerkracht elektriciteit doen zonder – ik zeg maar – elektroden om mee te oefenen? En de leraars ICT zonder een computer? Tja. En stel: je hebt een goed opgeleide leerkracht elektriciteit en alle materiaal, maar wat ben je er mee als er – zoals in de meeste technische scholen – geen courante (of gewoon geen) elektriciteit aanwezig is? Dubbele tja. En wat als de kwaliteit van jouw school volledig op orde is, leraars goed les geven, de elektriciteit constant zoemt… maar dat er in de wijde omgeving nergens een bedrijf is om de leerlingen een job te geven? Tripel tja. En zo kunnen we nog wel een eindje doorbomen. Dat alles zo in elkaar grijpt maakt het onderwijs oneindig complex. Waar leggen we de prioriteiten? First things first, niet? Ja, maar welke first things?

 

En dan loert nog die ene hamvraag achter de hoek: hoe kan dit alles bekostigd worden? Van het Congolese spaarvarken moet vooralsnog niet te veel heil verwacht worden: dat lijdt aan ernstige anorexia. De werkgevers dan? Zij zijn immers vragende partij voor competente arbeidskrachten. Zij zien niet-competente leerlingen uitstromen uit kwaliteitsarme scholen en staan argwanend tegenover een overheidsapparaat dat niet altijd uitblinkt in integriteit en daadkracht. De arme ouders die nu al het gros van het geld ophoesten? Trekt de internationale coöperatie de buidel nog eens open? Treedt die laatste dan niet in de plaats van de Congolese actoren? Kopbrekens genoeg.

 

Een studie naar de problemen. De betrokken Congolese ministeries ondersteunen bij het opstellen van hun strategisch plan om die problemen aan te pakken: ziedaar in één zin de grote uitdaging voor de komende maanden. Eenmaal dat er ligt kom ik terug naar huis, om met jullie een fris Belgisch pintje te gaan drinken, hopend dat de Congolese partners met overtuiging aan de uitvoering van hun strategisch plan werken.