Van Kinshasa naar Kisantu

 

Volgens Cathy, een oud-collega van mij, wenen buitenlanders tweemaal als ze naar Kinshasa komen. Eén keer als ze aankomen en één keer als ze vertrekken. Dat laatste kan kloppen want mijn ogen tranen van een forse verkoudheid nu we miljoenenstad Kinshasa uit rijden. We passeren aan het marmeren paleis waar Laurent-Désiré Kabila als president door het hoofd geschoten is door één van zijn kindsoldaten. Een halfuur later baden de buitenwijken van Kinshasa in een apocalyptische sfeer: een donkergrijze hemel, bliksemschichten, stortregen. Overbevolkte marktjes staan in poelen van slijk. Een jongetje zeept zich in en neemt een openluchtdouche. Bulderende camions met metershoge stapels zakken en bananen tuffen in slakkengang voort. Ze braken dieseldampen uit. Hoofden, armen en benen puilen uit de overvolle, geblutste en roestige busjes. De donder roffelt lang en onheilspellend.

 

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig.
Enerzijds zie je troosteloze huisjes, stapels vuilnis, wolken roetpartikels, massa’s mensen die leven van de opbrengt van hun schrale oogst. Anderzijds zie je winkels met weelderig versierde en blinkende doodskisten, poepchique dames in kleurrijke gewaden, mannen in glimmend kostuum en schoenen in krokodillenleer, schreeuwerige reclamepanelen van multinationals, muren beschilderd met reclame voor GSM’s, Coca-Cola en bier. In het dorpje Kasangulu zijn er vluchtheuvels op de weg. Politiemannen hangen rechts ervan onderuitgezakt in blauwe stoelen met het geelrode logo van Primus op. Handig om chauffeurs enige dollars af te luizen en het armtierig loon aan te vullen. In Kinshasa loopt er een experiment met robots die het verkeer regelen. Die vragen geen fooien, zijn niet corrupt en dwingen naar het schijnt zelfs nog respect af ook. Nog een halfuur later rijden we door een groen en heuvelachtig landschap met palmbomen, bamboe en af en toe een machtige Baobab. Au revoir, Kin, avec des larmes dans mes yeux. Hoest. Proest.

Kinshasa is een stad van contrasten: kleurig, somber, lekker geurig, onwelriekend, levendig, muzikaal, arm, druk, à l’aise, gehaast, vrolijk, triest, regenachtig, zonnig

We komen ’s avonds in Kisantu aan. Schimmen schrijden door de nacht. Hier en daar ontbloot het schijnsel van een olielamp of een kaars de identiteit van een schim. Het opzwepende soukous ritme schalt uit boksen. Ik stap de jeep uit voor een hotel met spuuglelijke lichtbak aan de gevel. Een uitgemergelde hond passeert. Zou deze vlooienbak Cerberus zijn, de waakhond uit de Griekse mythologie die aan de poort van de onderwereld wacht houdt? Ik schrijd door de poort, val over een verhoog. Regen druppelt uit de goot in mijn nek. De gezichten van mijn reisgezellen verraden een “neen, dit is echt te erg”. Schimmel bouwt een feestje op de vochtige muren van deze muffe holen. We keren terug. We rijden door de duisternis en slaan dan af. Plots hotsen we tussen een dubbele rij straatverlichting, terwijl de wegen elders stikdonker zijn. De weg naar Mbuela lodge. Was het luizenhotelletje de hel, dan is dit het aards paradijs. Een standbeeld van de Maagd Maria verwelkomt ons. Symbolischer kan het niet: op een kwartier tijd van hel naar hemel, van Cerberus tot Maagd Maria. Onder platanen met rode en blauwe lampionnen spelen we de volgende morgen minigolf. Wat verder staat een levensgroot schaakbord in de tuin. Een zwembad. De kamers zijn proper en luxueus op zijn Congolees: een flatscreen TV die niet werkt, een IPod dock zonder Ipod. Een douche zonder warm water. Een frigo zonder iets. In de inkomhal hangt een tiental portretten omhoog van de eigenaar van Mbuela Lodge die handen schudt met Joseph Kabila. De man is ambassadeur voor Congo in Angola. Het is zoals reisgezel Steven opmerkt wat wrang om vast te stellen dat een zeldzame blijk van toeristisch ondernemerschap komt van een invloedrijk man met geld en connecties. Jan met de pet geraakt in het verziekte zakelijke klimaat niet aan vergunningen, eigendomsaktes en registraties voor het starten van een onderneming. Daarom geven de meeste kleinschalige ondernemers er de voorkeur aan informeel te blijven werken waardoor hun groeipotentieel beperkt blijft.

 

Van Kisantu over Mbanza-Ngungu naar Kimpese

 

De volgende dag bezoeken we in Kisantu de Botanische tuin, een domein met 12 kilometer wandelpaden. De Belgische jezuïet Gillet richtte de tuin op in 1901. In het park ligt er een vijver met een hoogbejaarde krokodil waarvan de leeftijd, al naargelang wie je spreekt, varieert van 70 tot 200 jaar. Eerstvolgend stadje na Kistantu is Mbanza-Ngungu, gebouwd door de Belgen eind 19de eeuw. Het groeide en bloeide dankzij de eerste spoorlijn in Congo. Een titanenwerk waaraan negen jaar gewerkt is, en waaraan tweeduizend mensen zich letterlijk doodgewerkt hebben. We zien de roestige treinstellen en oude koloniale woningen. Op de markt springen lege rekken in het oog. Vlees is er nauwelijks te ratten. Een gevilde koeienkop kijkt schaapachtig van op een houten tafel. Wel aanwezig is zwart gerookte vis. In de modder tussen vuilhopen staan advocaten in smetteloze zwarte toga en zwarte lakschoenen die schitteren als de poolster op een heldere avond in de Sahara.

 

Na Mbanza-Ngungu volgt Kimpese. Dit stadje herbergt een groot hospitaal en Angolese vluchtelingenkampen. We gooien onze bagage af in een centrum van de Protestantse kerk, CRAFOD. Nog diezelfde dag marcheren we naar de watervallen van Vampa, die te vinden zijn in een stuk smaragdgroen woud. We passeren langs de “Cimenterie de Lukala”, die 80% van de Congolese cementproductie verzorgt. De zon perst liters zweet uit mijn poriën. Metershoge gewassen prikken in mijn blote armen en gezicht. Mijn hoofd duizelt. De verkoudheid speelt mij parten. Na een uur staan we aan een brug, of beter gezegd: ijzeren draden waarop takken zijn gelegd. Helaas zijn veel van die takken verdwenen. Om die stukken te overbruggen behelpen we ons met de draden: één onder om met de voeten over te schuifelen en één boven om met de handen vast te houden. Hier moeten dus iedere dag mensen over. Ik sukkel heelhuids aan de overkant. Een man vraagt 1000 Congolese dollar: “Il faut payer, vous êtes touriste et vous êtes au Congo”. Ik start een vruchteloze discussie op. “Al veel toeristen gezien hier?”, vraag ik. Hij aarzelt en schudt dan het hoofd. “Wil je dat hier veel toeristen komen?”, hij knikt. “Denk je dat er veel toeristen komen als jij zo opduikt om geld te vragen?”. Sullige blik. “De bedoeling, cher papa, is dat je iets aanbiedt, in ruil daarvoor betalen toeristen dan geld”. Hij vraagt nu 500 Congolese dollar. Steven neemt over: “Papa, il faut réparer le pont avant que vous demandiez de l’argent, n’est-ce pas?”. De man bindt in. Een tiental minuten later lopen we door een sprookjesbos van mangosteen bomen. We bereiken de eerste waterval. Door de invallende duisternis beslissen we om het hierbij te houden. Bij de terugkeer over de brug maak ik een beginnersfout: teveel naar de voeten kijken. Bij het opkijken tikt mijn bril tegen de bovenste ijzerdraad. Het kostelijke kleinood springt van mijn hoofd. De bruinige rivier voert hem mee. Bestemming onbekend. Ik ben even mentaal ontredderd, hang als een slappe schotelvod op die draad, maar Eva roept en zet mijn zinnen weer op scherp. ’s Avonds lopen we door pikkedonkere dorpjes. Zonder bril zie ik niks scherp: een duister schimmenspel, onderbroken door het licht van gele lokken vuur en witte rijen tandjes en pretoogjes van de kindjes. Steven achtervolgt hen. Ze stormen als een kudde schapen uit elkaar. Tiens, een camion uit Sint-Niklaas. Achter ons sluit een rood-oranje horizon als een kleurrijk theaterdoek de dag af.

 

DSC_5512 DSC_5499 DSC00052 DSC00022