Bladeren ritselden, takken zwiepten. Zwarte gezichtjes met witte bakkebaarden gaapten me aan. Ze hebben een mantel van lange witte haren rond de schouders gedrapeerd. Eén voor één kwamen ze de bomen uit. Ze buitelden, tuimelden, sprongen, renden. Gids Christian en ik lachten. Wat zijn het speelvogels, deze Angolese franjeapen, een tachtigtal exemplaren sterk. De leider gleed uit zijn boom en nam de groep op sleeptouw. Ze verplaatsten zich over een theeplantage naar een ander deel van het Nyungwe National Forest in Rwanda. En wij liepen mee. Zij keken wat argwanend naar die grote filmende aap achter hen, ik naar die apen voor mij. Nummer 1, zonder twijfel.

 

2

Ochtendgloren. Een afgrijselijk gebrul sneed de stilte in het oerwoud als een mes in boter uiteen. Verder was alles stil. Het oerwoud zweeg, alsof het geschrokken even in een hoekje kroop. Geen gekwaak of gezoem. Geen donder en bliksem. Plots opnieuw gebrul. Mijn spieren verkrampten. Ik hield de dekens tot juist onder mijn neus en voelde zweetdruppels van mijn voorhoofd parelen. Een paar uur later stelde een Indiaan van Mapajo Ecolodge in Bolivia mij gerust. Hij wees naar een boom. Daar zaten drie brulapen in te dommelen na het nachtelijk concert. Niks is qua geluid machtiger en indrukwekkender dan de roep van de brulaap bij het ochtendkrieken.

 

3

Half slaapdronken voelde ik vaag een aanwezigheid. De wind waaide tussen de tenten aan Chogoria Gate, aan de voet van Mount Kenya. De haren op mijn armen gingen recht opstaan. Hoorde ik iets ademhalen? Een schaduw hulde mijn tent in duisternis. Aan mijn voeteneinde zag ik hoe een snuit mijn tentzeil raakte. Mijn hart rikketikte woest, mijn slapen bonsden en ik kreeg lichte tintelingen in mijn tanden. Een nuchter stemmetje fluisterde mij in dat dit beest geen agressieve beweging maakte, het graasde, geen carnivoor dus op zoek naar een biefstukje. Maar toch. Achteraf bleek het een Afrikaanse buffel – die met de enorme horens op zijn woeste kop – die een paar rondjes rond mijn tent had gedraaid, om het gras naast en onder mijn tent weg te maaien.

 

Onze gids beende opgewonden de eetzaal binnen, in het basiskamp in het tropische Royal Chitwan National Park in Nepal. Hij hield zijn wijsvinger voor zijn lippen en wenkte ons naar buiten. We slopen naar de achterkant van de keuken. We liepen de deur uit, hij gebaarde om dicht tegen de muur van de keuken aan te leunen. Hij hield zijn hand fors geklemd rond de deurknop. We keken met gefronst voorhoofd de duisternis in. Ik hoorde een diep gebrom, gesnuif, gekraak, knakkende taken, gerommel. De gids knipte zijn lamp aan en op tien meter voor ons stond een Indische neushoorn tussen de vuilbakken te rommelen. Hij liet zich even bewonderen om dan in de donkere nacht te verdwijnen.

 

5

Nooit eerder keek ik een roofdier zo dicht in de ogen dan in het Parque Nacional do Caraça in het Braziliaanse Atlantisch regenwoud. In het park ligt een klooster. We zaten op het terras voor de blauwe poort van de Gotische kerk, onze ogen gericht op de trappen die vanuit het donkere woud naar het terras leiden. Pater Marcos zet iedere avond een bak met vleesrestanten uit de keuken. Uren versleten. En dan plots was het zover. Twee ooglichtjes springen op uit het duister. En even later staat hij daar, op een paar meter van ons, de schichtige manenwolf, met zijn zwartgelaarsde poten, bruinrode vacht, grote oren en spitse snuit. Kippenbotjes kraken tussen zijn tanden. Kippenvel hebben we.

 

6

Moremi National Park in Botswana is nog een écht wildpark: “No rules, great safari”. Gebrekkige voorzieningen, onvoorspelbare overstromingen, diepe zandwegen, ingevallen bruggen en massa’s olifanten die zich de koning te rijk voelen. De grijze mastodonten barrikadeerden de toegang tot toiletten, molesteerden de boom waaronder we sliepen en stonden hun ontbijt binnen te werken terwijl wij onze tanden poetsten. Later blokkeerde een met de oren waaiende knorrige knar de zandweg waar we over reden, wat later gevolgd door vijftig soortgenoten op weg naar ik weet niet waar. Spannend. Machtig.

 

7

En nog even verder in Moremi National Park. Het stoofpotje pruttelde, een flesje wijn op de tafel. Gezellig, daar aan de campingplaats van Third Bridge. Maar dan zag ik plots over het knetterend vuurtje op zo’n vijftig meter een kolos van een nijlpaard ons gadeslaan. De logge dikkerd spurtte opnieuw de duisternis in. Niet lang erna denderde nog een ander nijlpaard voorbij. Katrien en Eva keken verschrikt. Ik slikte. Bart pookte het vuur wat hoger op en we plaatsten brandende kaarsen. In tijden van gevaar valt ook een homo sapiens terug op de primaire technieken van zijn voorouders: het vuur als bescherming tegen wilde beesten.

 

8

Boombeklimmende leeuwen in Lake Manyara National Park in Tanzania: daar droomden we van. We vonden ze niet, maar stekende tseetseevliegen vonden ons wel. De oudere dame in de jeep reageerde panisch en mepte in het rond. Haar elleboog belandde tegen het linkerkaakbeen van haar wederhelft. Het was heet en vochtig. Zo kan een safari dus gaan. Je verheugt jezelf op de wildlife ervaring van jouw leven en eindigt met honderden euro’s minder op de bankrekening, tseetseevliegen, gekneusde kaak, een echtelijke ruzie in een hammam zonder koelbad. Wat je krijgt is niet altijd wat in een brochure staat.

 

9

Een rare ervaring was het, rijden in Ngorongoro Krater in Tanzania. De bijnaam van deze geïmplodeerde vulkaan is de tuin van Eden, wegens de overvloed aan wilde beesten. Wetenschappers vonden er voetsporen van drie rechtoplopende wezens van 3,7 miljoen jaar geleden, voorlopers van de intelligente naakte aap die zichzelf mens zou noemen. Onze voorouders sneden met stenen vuistbijlen karkassen van beesten open, zelf opgejaagd door jagers. En toen zat ik in een doos op vier wielen, aangedreven door een goedje dat we uit de aarde op pompen. Deze maal rijdt de naakte aap de roofdieren tegemoet, niet om aas, maar om een foto. Ja, echt raar.

 

10

We verlieten het basiskamp Okaukuejo in Etosha National Park, Namibië. Homo sapiens leek op oorlog te gaan. De poorten zwierden om 6u open en lange colonnes vertrokken naar het slagveld, tot de tanden gewapend met kanonnen van fototoestellen, hopend op hongerige leeuwen, ruziënde hyena’s, plassen bloed, half uitgebeende kadavers en rondcirkelende gieren. En de andere beesten kijken al lang niet meer op, op jonge leeftijd gewoon aan witte rijdende dozen met recht opzittende apen met fallussen aan hun oog.

 

11

De moeder van de wereld is de zee: daar dacht ik aan, toen ik een gat in de nacht langs de wilde kust van Suriname liep, ook wel Matapica genoemd. Uit de zee kropen gedaantes onder het flauwe witte schijnsel van de maan. Op dit afgelegen strand komen ze leven geven, leven in de vorm van rubberachtige, witte balletjes met slijmslierten aan. Daarvoor leggen ze duizenden kilometers af langs de kust, of zelfs een hele oceaan over. En hier staan we dan als voyeurs op het strand, Els en ik. We kijken hoe die dappere beesten zich na een enorme reis hoestend en proestend voortslepen naar een plek waar het goed graven is om eieren te leggen en leven te schenken.

 

12

Wat is hij mooi, de Hyacint ara, met zijn kobaltblauw lichaam en de gele rand rond de ogen en onder de snavel. De grootste papegaai ter wereld. Maar ze zijn ernstig bedreigd. En hier staan Katrien en ik onder een boom in de Braziliaanse Pantanal te gapen naar een hele familie van deze krassers. Ze kraken noten en vruchtenpitten. Daarmee zijn ze de helft van hun dag bezig. De andere helft van de dag gaat naar paren en het verzorgen van het vederkleed. Een leven in eenvoud. Ik glimlach en denk: wat is ons leven als mens toch ingewikkeld.

 

13

Een kudde koeien graasde vreedzaam in Odgracenica, een gehucht in de bergen van Montenegro. Ons ma wees er op dat een stier uit zijn humeur onze richting uitkeek. Hij schraapte met zijn voorpoot over de grond. Ik bukte me en zag twee kloten. Ze had gelijk. Ik keerde mij voorzichtig om, maar ons ma stoof als speedy gonzales de andere kant uit, haar rugzakje wild van links naar rechts zwierend. Nooit gedacht dat een zestiger – een frisse wel – zo’n snelheid kon halen. Met een kattensprong vloog ze over een droogstaande rivierbedding, als een onstuitbare wervelwind de eerste de beste heuvel op. Ik moest alle zeilen bij zetten om haar in te halen. De stier keek (wellicht geamuseerd) vanop afstand toe.

 

14

Ik kroop gloeiend uit het ijswater van het beekje. Het water nam het vuil van dagen mee, en ook de kilo stof uit mijn haar. Ik bevond mij in de buurt van McKindershut, op 4.300 meter hoogte op Mount Kenya. Met mijn handdoek om mijn middel vleide ik mij neer om een uurtje in het namiddagzonnetje te pitten. Na een tiental minuten soezen, hoorde ik gewriemel. Ik voelde mij bespied. Ik richtte mij voorzichtig op en… rondom mij zaten tientallen rotsklipdassen, hun nieuwsgierige ogen op mijn naakte lijf gericht, tientallen witte slagtandjes bloot. Mijn handdoekje toch maar strakker getrokken en het kamp opgezocht.

 

 15

Acht exemplaren scheerden over ons hoofd in het gehuchtje Cabanaconde in de Colca Canyon, Peru. Machtige condors. De tweede grootste vogel ter wereld, met een spanwijdte van 2 à 3 meter en een gewicht tot 15 kilo. De condor: mythische vogel,  machtig en gevreesd symbool in precolumbiaanse culturen, de verzinnebeelding van geesten bij de Inca’s. Gids Salomé is nuchter en vertelt dat hun nek kan blozen, wat ze gebruiken in sociale contacten. En de condor pist op zijn eigen poten om ze fris te houden bij warm weer.

 

Mijn nummer 1 op video: