Ik zie een jonge kerel met lichtblauwe ogen, blond haar, en een huidskleur die lichter is dan die van mij. Een baseball pet rust op zijn kruin. De andere passagiers zijn Guarani, de oorspronkelijke bevolking van Paraguay. Ravenzwarte haren steken vanonder strooien cowboyhoeden. Het harde boerenleven heeft rimpels gegraven in hun donker gezicht. Ruwe handen verraden een leven van graven, wieden en sleuren. Ze lachen luid, de gaten in hun gebit lijkt hun gezicht alleen maar grappiger te maken. Hij heeft al zijn tanden op een rij en zit naar buiten te kijken. De kerel is geen toerist. Hij heeft geen bagage, zeult zoals alle Paraguayanen een téréré mee en stapt na twee uur in het midden van niks van de bus. De wildernis aan palmbomen, gras, cactussen, moerasjes en kreupelhout slokt zijn silhouet op. Raven krassen, reigers vissen. Slechts af en toe passeren we een hut: hangmat tussen twee bomen, kippen scharrelen, honden blaffen, kindjes wuiven. Wie is de blonde gast op deze bus tussen Paraguay’s hoofdstad Asuncion en Filadelfia in het Noorden?

 

Katrien en ik weten het wel. Alleen wisten we niet dat “zij” er zo kunnen uitzien, een jongen zoals je hem ook bij ons kan tegenkomen. “Zij” zijn de Mennonieten. 80 jaar geleden kwamen zij in Paraguay wonen. Ik stelde ze me voor als een uit Europa overgewaaide sekte met strenge geloofsregels, die zich buiten de samenleving plaatsen. Volgens Wikipedia blijven huwelijken beperkt tot partners binnen de kolonie en hebben vrouwen geen bal te zeggen. In sommige kolonies zijn zelfs radio, televisie en auto’s taboe. “Vrouwen opgesloten. Ze mogen niet zonder man op straat. Spaans leren is ten strengste verboden”, zei een Boliviaanse taxichauffeur tegen mij. Grootgrondbezitters ook. En dat terwijl de indianen landloos waren. En, o ja, goede maatjes met de maffe oud-dictator Stroessner, het nazivriendje.

 

Na acht uur rijden rammelt de bus een stadje binnen. Een monument rijst op. Een lange geasfalteerde laan volgt waarop zandwegen uitlopen. “Avenida Hindenburg”. Een eerbetoon aan de Duitse veldmaarschalk die naam maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog . Een stukje Duitse degelijkheid in een Texaanse prairie. Hier en daar staat een smetloos wit huisje. Er is ook een melkproductenfabriek en een grote molen, een koloniaal gebouwtje in een exotische tuin en een hotel: Florída. De receptionistes spreken Duits, maar begroetten ons in aangeleerd Spaans. Op de knikker van de manager groeit een gemillimeterd blond brosje, en ook hij heeft blauwe ogen. Zijn hemd is kreukloos, zoals het witte linnen op ons bed. Het gras ziet er uit als dat van het veld van FC Barcelona en het zwembad als eentje waarin de Olympische spelen kunnen plaatsvinden.

Ik kreeg te doen met de Mennonieten. Wie de katholieke kerk en Stalin in het leven tegen zich krijgt heeft zijn of haar hemel wel verdiend.

Agathe begroet ons in het Duits. Ze is een Mennoniet en “conservator” van het Jacob Unger museum in Filadelfia. Het museum toont de geschiedenis van de Fernheim kolonie die dit stadje uit stof en as deed verrijzen.
P1000867Mennonieten zijn wederdopers, ze geloven in de doop voor volwassenen. Ze kennen geen priesters die tussen God en de gelovige staan. Menno verwierp in het Duitsland van de zestiende eeuw een aantal dogma’s van de katholieke kerk. En dan loeren marteltuigen en brandstapels om de hoek. Mennonieten zijn pacifistisch, weigeren dienstplicht en willen hun eigen onderwijs. Agathe spreekt met bewondering over de Russische tsarin Katarina de Grote. De Mennonieten mochten zich in Rusland vestigen en hoefden geen soldaatje te spelen. Gedreven door Protestantse werkijver bouwden zij rijkdom op. Maar wanneer we aan een plaatje “20ste eeuw” passeren gaan Agathes mondhoeken hangen. Ze spreekt over de grootste ramp in de geschiedenis van de Mennonieten: de Bolsjevistische revolutie en later de terreurtijd onder Stalin. Hij plakte het label van kapitalisten en grootgrondbezitters op hun hoofd. Collectivisatie van bezittingen, goelags in Siberië en standrechtelijke executies volgden. Agathes vader vluchtte, drama’s voor het leven op de ziel gekerfd. Ik kreeg te doen met de Mennonieten. Wie de katholieke kerk en Stalin in het leven tegen zich krijgt heeft zijn of haar hemel wel verdiend.

 

Eind jaren twintig stapten honderden uit Rusland gevluchte Mennonieten af in een stationnetje aan de rand van de Chaco in Paraguay. Foto’s tonen houten spannen getrokken door ossen. Matrassen liggen opgestapeld. Tonnen met water klotsen. Pollepels, potten en pannen bengelen. Mannen in kostuum hakken met machetes een weg door de groene hel. Het is een geschiedenis van tentenleven, knorrende magen en kindersterfte. Agathe loopt snel verder, alsof ze zich in een teletijdmachine naar een beter tijdperk flitst. We zien een vader die in kostuum met zijn ossenkar een veld ploegt, gevolgd door de vrouw die zaait. Tenten zijn nu hutten. Er staat een eerste koe voor en een paar kippen scharrelen. Vandaag, een halve eeuw later, zijn het mooie huizen op grote ranches die duizenden runderen herbergen. De kolonie Fernheim bezit een coöperatieve die uitgegroeid is tot een miljoenenbusiness. De coöperatieve zorgt voor een groot deel van alle melkproducten die verkocht worden in Paraguay. De fabriek alleen stelt 1600 arbeiders te werk. Het is een bewonderenswaardige geschiedenis van doorzettingsvermogen en ondernemerschap.P1000748

Het is een herhaling van de mythe die Europese missionarissen en kolonialen zichzelf al eeuwen hebben voorgehouden. Dat er voor hun komst geen cultuur of beschaving was, enkel brave en “nobele” wilden die beschaving en cultuur moeten bijgebracht worden.

Maar wie afwezig blijft in dit museum zijn de bewoners die hier leefden vooraleer de Mennonieten aankwamen. Het waren en zijn indianen, die deels nomadisch leefden en geen grootschalige akkerbouw of veeteelt kenden. Er is één plakkaatje over de “Ureinwohner” van de Chaco. Primitief gereedschap ligt in vitrinekasten zonder verdere uitleg. De bezoeker blijft in het ongewisse over cultuur, geloof of samenlevingswijzen van de Indianen. Ze zijn figuranten in het decor van hun eigen thuis. Eén van de weinige foto’s met Indianen op is er één geposeerd met de eerste Mennonieten. De indianen zijn halfnaakt, met hoge jukbeenderen en tot schouderhoogte uitgerekte oorlellen. Sommigen kijken schichtig in de les, anderen ongegeneerd afwezig, één ervan poseert met gespannen boog. Een inheemse vrouw bedekt haar borsten. Het is een herhaling van de mythe die Europese missionarissen en kolonialen zichzelf al eeuwen hebben voorgehouden. Dat er voor hun komst geen cultuur of beschaving was, enkel brave en “nobele” wilden die beschaving en cultuur moeten bijgebracht worden.