Geen toerist te zien op de autosnelweg tussen Bloemfontein en Lesotho. Ik ben op weg naar Motheo College, dat beroepsopleidingen aanbiedt in de township van Thaba Nchu. Een pijl wijst plots naar links. Het grijze biljartvlak verandert in een gravelweg met rond waaiende plastiekzakken. Woestijnwind waait rommel op hoopjes, kleine vuilnisbeltjes waarin mensen krabbelen. Ik zie geen landbouwers, wel kleine kuddes koeien en geiten. Aan de afslag naar Thaba Nchu hangen koeienvellen aan een prikkeldraad. Armoedige sloppen duiken op. Thaba Nchu was deel van een “thuisland” voor zwarten tijdens de Apartheid. Het Apartheidsregime gaf hen “zelfbeschikkingsrecht”: hun eigen cultuur beleven, zelf hun toekomst in handen nemen. Met menslievendheid had het weinig te maken. In het thuisland verloren zwarten het Zuid-Afrikaans burgerschap en stemrecht. Hocus pocus: Zuid-Afrika weer zo wit als de Melkweg. Het thuisland was een overbevolkt Alcatraz zonder economisch perspectief. De economie draaide op een casino en ook topless shows lieten de kassa rinkelen. Witte Zuid-Afrikanen sjeesden met dollartekens en borsten in de ogen het wegdek strijkplat richting het thuisland. Want gokken en bloot waren in conservatief Zuid-Afrika verboden.

 

In het hoofdgebouw van Motheo College geeft de directeur mij een hand. Ik luister naar een terugkerend verhaal over beroepsonderwijs. Enigszins positief bekeken is beroepsonderwijs het laatste vangnet voor kwetsbare jongeren vooraleer ze een anonieme nummer worden tussen de 2,5 miljoen werkloze jongeren van 18 tot 24 jaar. Jongeren die met leerachterstand kampen, vaak amper kunnen lezen, schrijven of rekenen. Negatief bekeken is beroepsonderwijs bezigheidstherapie: er is geen werk, waarom dan leerlingen hun broek laten slijten op gammele schoolbanken? Als er al een werkgever is, dan zoekt die bij voorkeur mensen zonder diploma. Brave lieden gaan dan mango’s, bananen of sigaretten verkopen. Durvers slijten drugs of roven af en toe eens de winkel van brave lieden leeg.

Enigszins positief bekeken is beroepsonderwijs het laatste vangnet voor kwetsbare jongeren vooraleer ze een anonieme nummer worden tussen de 2,5 miljoen werkloze jongeren van 18 tot 24 jaar. Jongeren die met leerachterstand kampen, vaak amper kunnen lezen, schrijven of rekenen.

Infrastructuur is te krap, materiaal is er te weinig. De township groeit aan. Praktijklokalen vormt de school om tot leslokalen. Stoelen en lessenaars staan tussen las- en houtsnijmachines. De directeur klinkt somber. Drie zwarte leraars knikken. “Deze mannen zijn tegen de pensioensleeftijd aan. Wie zal die gasten nog lesgeven?”. Een vraag die ik ook in andere landen hoorde. Goede leraars zijn schaars goed voor het beroepsonderwijs. Soms komen pas afgestudeerde jongeren uit beroepsonderwijs voor een klas terecht. Omgaan met jongeren en lesgeven zijn voor hen zo vreemd als voor Lionel Messi, wiens naam hier prijkt op de afgebleekte namaaktruitjes van FC Barcelona. Sommige van die leraars worstelen zelf met lezen, schrijven en rekenen. Soms waaien “afdankertjes” uit de industrie de deur van de beroepsschool binnen. De werkloosheidsval klapt open en dan is leraarschap in het beroepsonderwijs één van de weinige opties. Een laatste rekruteringscategorie zijn hooggeschoolden die geen job vinden. Ze hebben jaren zweet gelaten over dikke boeken en gezwoegd op een masterthesis. Die begeven zich met tegenzin en knikkende knieën over de drempel van de beroepsschool. Daar wacht het leger aan jongeren wiens wieg op deze verkeerde plek van de aardkluit stond: kwetsbare jongeren, gekneusde ego’s, opstandige lastpakken. Hoe ga je in ’s godsnaam om met zo’n kansarme bende? En hoe moeten ze dat doen, lesgeven?

Negatief bekeken is beroepsonderwijs bezigheidstherapie: er is geen werk, waarom dan leerlingen hun broek laten slijten op gammele schoolbanken? Als er al een werkgever is, dan zoekt die bij voorkeur mensen zonder diploma. Brave lieden gaan dan mango’s, bananen of sigaretten verkopen. Durvers slijten drugs of roven af en toe eens de winkel van brave lieden leeg.

 

Zuid-Afrika is geen uitzondering. De opleiding van leraars in beroepsonderwijs is een kneusje in veel landen. In ontwikkelingslanden investeren overheden en hun donoren liever in infrastructuurprojecten, de aanschaf van nieuw materiaal en het uitdenken van vaak onuitvoerbare papieren hervormingen. Laat de stapels papier die wetenschappers volpennen aantonen dat het de leraars zijn die de belangrijkste rol spelen in het verbeteren van leerresultaten en het welbevinden van leerlingen. Waarom vergeet men die dan? Te moeilijk? Want dan moet je werken aan de status van de leraar, betere arbeidsvoorwaarden creëren, een deftig loon voorzien. Je moet zorgen voor kwaliteitsvolle opleidingen en bijscholingen. En daarvoor heb je instellingen nodig die leraars kunnen opleiden. En dus moet je ook leraars hebben voor die lerarenopleidingen, en curricula. En dat duurt al gauw zijn tijd. En heel zichtbaar is het ook al niet. Dan zijn een nieuw gebouw of computers met jongeren voor het scherm toch meer sexy. Nu is er in Zuid-Afrika de wil om te werken aan betere professionalisering van leraars beroepsonderwijs. Ze starten een diploma voor lectoren in hun beroepsscholen op. Geen garantie op succes, maar toch een positief signaal: “Leerlingen in het beroepsonderwijs zijn belangrijk genoeg om goede leraars te hebben”. P1010590
Beroepsonderwijs sleept verder zijn negatief imago mee. Werken “met de handen” staat lager aangeschreven dan “werken met het hoofd”. Volgens de directeur willen jongeren liever dokter of advocaat worden. Veel aanzien en poen. Nochtans is er nood aan vakmensen en ondernemers. “Met dokters en advocaten kan je de straat beleggen, ze komen niet aan de bak”, grijnst de directeur. Maar anderzijds is er maar weinig arbeidsmarkt dat wacht op gekwalificeerde werklui. De economie is informele plantrekkerij: kleine prullen verkopen. Daarvoor heb je geen diploma nodig. Op mijn vraag wat er van de leerlingen wordt is hij schrikbarend anekdotisch: “Ach, er zijn hier twee leraars die leerlingen waren”. Hij pijnigt zijn hersencellen: ja, hij kent een ex-leerling die een bouwbedrijf uit de grond stampte en nu rond rijdt in zijn blinkende zwarte Mercedes. Maar dat blijkt een drop out te zijn uit de school. Probleem is dat er geen industrie is. De economie moet van onder uit opgebouwd te worden. Innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen die kunnen zorgen voor arbeidsplaatsen en inkomensverwerving. De huidige ondernemingen zijn in handen van Chinezen, Pakistanen, Somaliërs, Nigerianen en Ethiopiërs. “Ze starten winkels op en sturen het geld naar het eigen land. Ze dragen niks bij aan de lokale economie”, zucht de directeur. “Chinezen worden door de Chinese staat gesubsidieerd om in Zuid-Afrika te wonen. Nigerianen palmen huizen in van Zuid-Afrikanen, zoals van een vrouwtje die een kruidenierszaak open hield”. Een blanke directeur en zijn zwarte leraars vinden elkaar in hun afkeuren tegenover Chinezen en andere Afrikanen. Tegelijkertijd vindt hij dat de Zuid-Afrikanen van de Chinezen “ondernemerschap” kunnen leren. Zuid-Afrikanen moeten wat meer Chinees worden, knipoog, gelach in het lokaal.