Magisch is deze plek. Ik sta op een heuvel dat uitkijkt over de vlakte van Al-Ghrab en de citadel van Qala’at al-Mudiq. Ik ben in een verlaten gat in Syrië. Eeuwenoude karrensporen zijn in de stenen gesleten. Staan de sporen ertussen van de gloriewagen van het glamourkoppel uit de Romeinse Oudheid, Cleopatra en Marcus Antonius? Die passeerden in een blijde intrede. Het is een oude Griekse weg, met Griekse en Romeinse zuilen rond. Het is 1999. Krekels raspen, vluchtende salamandertjes en muizen ritselen. Steen en stof. Distels, boterbloemen en grassen groeien over en tussen oude door mensenhanden bewerkte stenen. Megaliters bloed sijpelden in het verleden de bodem in. Nu is het stil. Apamea heet deze plek. Een romantische inval van een generaal uit het leger van Alexander De Grote. Hij stichtte deze stad en noemde ze naar zijn vrouw. Het is de mooiste antieke ruïne die ik ken. Ooit was het dus een Griekse stad. Later Romeins. Een speeltuin voor oorlogszuchtige keizers als Pompei en Caesar. De Byzantijnen volgden. De Perzen hakten de Byzantijnen in de pan. Later liepen de moslims Apamea plat. Een gewelddadige sekte, de Assanieden, ook wel de eerste terreurorganisatie uit geschiedenis genoemd, bezette Apamea. Die hadden ruzie met moslims én kruisvaarders. De kruisvaarders maakte de Assanieden een kopje kleiner, de moslims dan weer de kruisvaarders.

 

Harnassen, zwaarden, speren, schilden en kanonnen liggen vandaag in saaie musea. Het doodsgereutel is vervangen door het geruis van de wind. Goden zijn verzwolgen door de dikke mist van de geschiedenis. Knoken van glorieuze leiders rusten eeuwen afgebleekt onder de grond. Er zijn nog basisstructuren van tempels en villa’s. Geiten en schapen lozen hun keutels in salons, slaapkamers en badkamers, tussen omver gevallen muren, ingevallen kelders, beschadigde vloeren, trappen die naar nergens leiden, leeggeroofde graven. Apamea: de stille getuige van de menselijke zucht naar eeuwige roem en macht, gevolgd door het onvermijdelijke verval. Een herder plast tegen een halve zuil, en rochelt er nog een fluim tegenaan. Ik moet denken aan Paul Bowles die waarschuwde: “word nooit een monument, de mensen zullen op jou pissen”. Griekse tempels werden Romeinse, Romeinse Griekse, tempels werden kerken of moskeeën, moskeeën kerken, kerken moskeeën. Alle verbrijzeld door de kracht van de natuur en de mens. In de negentiende eeuw bestond Apamea nog in naam en stenen. In de 20ste eeuw puzzelden archeologen die stenen weer bij elkaar. Mozaïekvloeren sleurden ze mee naar gebouwen in Syrië of het buitenland. Musea waar men prullaria uit de grond tentoonstelt waar toeristen geld afdokken om die te bekijken. Deze ruïne zet me aan het mijmeren over de vergankelijkheid van alle rijken, van macht en geld, van gouden standbeelden en marmeren paleizen, van roem en eer. Niks is voor de eeuwigheid. Een ruïne als Apamea zou een les in nederigheid moeten zijn. Ik houd van deze ruïne, net daarom: je hoort de stilte, je ziet de vergankelijkheid. Dat is niet mogelijk op het van toeristen uitpuilende forum romanum in Rome, of de Akropolis in Athene.

Ik houd van deze ruïne, net daarom: je hoort de stilte, je ziet de vergankelijkheid.

Twee venten op een brommer hotsen over de stenen van Apamea. Ze nodigen Valerie en mij uit. Syrische gastvrijheid. We rijden achterop het Qala’at Mudiq op. We passeren de 13de eeuwse fortmuren van de Mamelukken, de beruchte Turkse soldaat slaven die de Mongolen overwonnen. Ezels, schapen en geiten fourageren in de nauwe straatjes met ruwe kasseien. De zichten over de Orontes vallei snijden de adem af. Eén van de mannen heeft een dikke snor. Hij is de patres familias van een traditioneel gezin. Een vrouw met hoofddoek zit in een donkere hoek op een tapijt met haar kinderen. Ze staat recht wanneer hij haar bars vraagt om thee te brengen. Ze kijkt ons niet in de ogen. Tegen ons is hij vriendelijk. We rijden naar het gezin van zijn vriend. Hier krijgen we een ander beeld. In de tuin met een zicht waarvoor men in Hollywood miljoenen euro’s afdokt zit een vrouw met haar twee kindjes op de schoot. Geen gebogen hoofd, geen donker hoekje. Foto’s? Graag! Snorremans beziet zijn vrouw als een voetveeg, zijn vriend zijn vrouw en dochters als zijn vrouw en dochters. Ze tonen affectie, er zijn aanrakingen, een arm om de schouder. Traditionele Syrische kost staat voor onze voeten: falafels, kekererwtenpasta, komkommer en tomaten, geitenkaas, groene olijven en plat brood. We eten met de familie uit één bord. Daarna zakken we in de kussens. Een glaasje muntthee, en gebakjes die de suikerspiegel het heelal indrijven. Bij het afscheid krijgen we oude Griekse en Romeinse munten cadeau die bij regenbuien bloot kwamen te liggen. Het voelt wat ongemakkelijk, deze gastvrijheid. Ik vraag me af of we niet plots geld moeten gaan ophoesten. Dat blijkt niet zo. Grootschalig toerisme is in het Syrië van 1999 nog onbekend.

Citadel Qala’at Mudiq, Apamea
Bovenstaand verhaal dateert van 1999. Ik typ in 2014 mijn dagboek in op de computer. Aan de oneindige sliert veldslagen mogen we er een nieuwe toevoegen. Wie in Google “Qala’at Mudiq” in typt ziet filmpjes met explosies op en rond de citadel. Afbeeldingen van een dood kind. Jammerende ouders. Regeringssoldaten schieten en roepen “God is groot”. Rebellen vuren terug en ook zij roepen “God is groot”. Tankgranaten blazen de bij elkaar gepuzzelde antieke zuilen opnieuw uit elkaar. “God is groot, God is groot”. Echt waar? Zou God er mee akkoord zijn, als hij al zou bestaan? Dat zou ik maar zorgelijk vinden. Hedendaagse leiders leren niks van het verleden, niet Bashar, niet het Vrije Syrische leger, niet Hezbollah noch Iran, Israël of Al Quaida. Nochtans zullen ook hun beenderen ooit anoniem onder de grond liggen. Is het terras met het mooie zicht er nog? Hoe is met het gezin, met de twee schattige kindjes? Werken ze, of studeren, als dat al mogelijk is? Of schieten en vechten ze in naam van Allah? Voor Bashar, het Vrije Syrische Leger of extremistische milities? Bezoeken de mannen elkaar nog? Staat hun huis er nog? Ik kijk naar de foto’s en ik denk aan deze mensen in het diepst van mijn gedachten.

P1000983